Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BY5797

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
04-12-2012
Datum publicatie
11-12-2012
Zaaknummer
07-663642-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

- poging doodslag,

- putatief noodweer(exces),

- strafmaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer: 07/663642-11(P)

24/000780-09 (vtvv)

07/652012-10 (vtvv)

Uitspraak: 4 december 2012

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het openbaar ministerie

tegen

(verdachte),

geboren op (geboortejaar)

wonende te (adres)

thans verblijvende in (verblijfplaats).

ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 14 maart 2012, 17 april 2012, 12 juni 2012, 5 september 2012 en 20 november 2012.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A.W. Syrier, advocaat te Utrecht.

Als officier van justitie was aanwezig mr. G. Dankers.

TENLASTELEGGING

De verdachte is - na wijziging tenlastelegging d.d. 12 juni 2012 - ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 02 december 2011 in de gemeente Zwolle ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade, (slachtoffer) van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die (slachtoffer) met een mes, althans met een scherp snijdend en/of prikkend voorwerp, in de buikstreek heeft gestoken/geprikt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 02 december 2011 in de gemeente Zwolle ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk (slachtoffer) van het leven te beroven, met dat opzet die (slachtoffer) met een mes, althans met een scherp snijdend en/of prikkend voorwerp, in de buikstreek heeft gestoken/geprikt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 02 december 2011 in de gemeente Zwolle aan een persoon (te weten (slachtoffer)), opzettelijk en met voorbedachten rade, zwaar lichamelijk letsel (steekwond links onder in de buik en/of een uitpuilende darm en/of een geperforeerde darm en/of grote bloedingen in de wand van de dikke darm en/of in de achterwand van de buikholte met zeer fors bloedverlies en/of een spuitende slagader in de ophanging van het darmpakket met fors bloedverlies en/of forse duidelijk zichtbare en/of ontsierende littekens op de buik), heeft

toegebracht, door deze opzettelijk, na kalm beraad en rustig overleg, met een mes, althans met een scherp snijdend en/of prikkend voorwerp, in de buikstreek te steken/prikken;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 02 december 2011 in de gemeente Zwolle aan een persoon genaamd (slachtoffer), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel(steekwond links onder in de buik en/of een uitpuilende darm en/of een geperforeerde darm en/of grote bloedingen in de wand van de dikke darm en/of in de achterwand van de buikholte met zeer fors bloedverlies en/of een spuitende slagader in de ophanging van het darmpakket met fors bloedverlies en/of forse duidelijk zichtbare en/of ontsierende littekens op de buik), heeft toegebracht, door deze opzettelijk met een mes, althans met een scherp snijdend en/of prikkend voorwerp, in de buikstreek te steken/prikken.

VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

BEWIJSOVERWEGINGEN

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting vrijspraak ten aanzien van poging tot moord gevorderd en de veroordeling van verdachte ten aanzien van poging doodslag, hetgeen subsidiair ten laste is gelegd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van poging tot moord en heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot een bewezenverklaring van poging doodslag.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt, op grond van de hierna in voetnoten vermelde bewijsmiddelen , het navolgende.

De rechtbank gaat bij haar beoordeling onder meer uit van de feitelijke gang van zaken zoals deze blijkt uit de beschikbare camerabeelden van beveiligingscamera’s in het centrum van Zwolle, welke camerabeelden ter terechtzitting zijn getoond, een en ander zoals beschreven in het proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 12 juni 2012, te weten:

“De beelden van camera 2 van 2 december 2011, tijdstip 18:58:00 uur worden afgespeeld.

Voorzitter: we zien de (straat) te Zwolle met aan de rechterkant café (naam café) en aan de linkerkant de (naam). Er staat iemand op straat. Een persoon in een lichte broek loopt in richting van café (naam café). De persoon in de lichte broek loopt later terug in de richting van de (straat) en voegt zich bij de andere persoon. De twee personen staan achter de boom op de (straat). Een andere persoon komt uit café (naam café) lopen.

Verdachte: dit is het moment dat we naar elkaar toe lopen. De persoon in de lichte broek is (naam 1). De lange persoon links op de (straat) dat ben ik. De lange persoon rechts is aangever (slachtoffer).

De voorzitter: verdachte duwt (slachtoffer). (slachtoffer) valt en staat vervolgens weer o(slachtoffer) komt hierna op verdachte af en geeft hem klappen. Een persoon komt tussen beide. Tussen (slachtoffer) en (naam 1) gebeurt niets. De situatie wordt gesust. Verdachte en (naam 1) vertrekken in de richting van de (straat).

(…)

De beelden van camera 10 van 2 december 2011, 19:03:02 uur worden afgespeeld.

De voorzitter: een persoon met een lichte broek en een ander persoon staan in de (naam). De persoon in de lichte broek is (naam 1). De andere persoon is verdachte.

Verdachte trekt (naam 1) terug de (naam) in. (slachtoffer) komt de (naam) in. (naam 1) en (slachtoffer) lopen de (naam) uit. (naam 1) krijgt klappen van (slachtoffer). Verdachte wordt ondertussen gevloerd door (naam 2). (naam 2) maakt een wijsgebaar in de trant van:

“wegwezen”.

De verdachte: u kunt zien dat ik (naam 1) in de (naam) tegen houd. Na dit voorval ben ik de (straat) ingelopen.

(…)

De beelden van camera 4 van 2 december 2011, 19:04:08 uur worden afgespeeld.

De voorzitter: dit is het fragment van de steekpartij in de (straat). De plaszuil is te zien. Een persoon komt uit de (naam) en slaat rechtsaf de (straat) in. Het lijkt erop dat de persoon met zijn rechterhand in de richting van zijn jas gaat. Een persoon loopt achter de eerste persoon aan. Er wordt contact gezocht. De rechterpersoon, verdachte, haalt met zijn rechterarm uit in de richting van de linker persoon.

De verdachte: ik ben de persoon aan de rechterkant die uithaalt in de richting van de linker persoon en vervolgens wegloopt. (…)” ;

Aangever (slachtoffer) heeft onder meer het volgende verklaard:

“(…) Ik zat in de kroeg in (naam café) in Zwolle. (…) Nou ik doe een stap naar buiten en ik loop de kroeg uit naar links en nou toen zag ik ze alle twee eigenlijk wel aankomen en nou dat voelde ik best als een bedreiging en dus ben ik, voordat ze mij te grazen zouden nemen, toen ben ik er boven op gevlogen. (…) Nou ze kwamen op mij aan en toen heb ik, ik denk ik pak direct die langste, die heb ik een paar klappen gegeven geloof ik, op zijn rug, een schop en dat kleintje misschien een schop of een klap, die lange misschien wat meer. (…) Ik denk, ik ga richting huis dus ik ben vanuit (naam café) rechterdoor onder de…”

Vraag: “(naam) heet het dat ja.”

Antwoord: “Ja, doorgelopen.”

Vraag verbalisant (naam verbalisant): “Je bent door de steeg daar, waar ben je naar toegelopen?”

Antwoord: “Richting (naam) zeg maar daar, ik ging rechtsaf, die jongen liep daar voor mij.” (…) Die lange.

Vraag verbalisant ( verbalisant 2): “Die lange liep daar voor je, oke.

Antwoord: “Ja en toen was mijn opzet alleen, ik denk, ik spreek hem aan, ik spreek hem aan en het is klaar zo, ik moet ook nog naar huis, maar omdat hij weer op de loop ging voor mij, ja hij liep weg, ik moest die kant op richting het Station dus ik ben erachter aan gelopen en ik dacht nou. (…)

Nou toen effe kijken hij liep dus voor, ik ben naast hem, ik zeg van ja wat heb ik gezegd, nou het kwam op een excuus aan van mijn kant, in ieder geval nou het is niet nodig. Ik zeg ik wil niet vechten met je. Toen dacht ik voor mijn idee, hij geeft mij een klap hier. (Noot verbalisant: wij zagen dat verdachte na bovengenoemde vraag was gesteld naar zijn linker zij wijzen.)

Nou toen was ik de (naam) voorbij zeg maar en toen deed ik mijn shirt omhoog en toen zag ik zo een bult darm eruit steken. (…).”

Uit het letselrapport van S.J.Th. van Kuijk en C. de Leeuw, forensisch artsen GGD IJsselland, blijkt dat het slachtoffer, (slachtoffer), links onderin de buik een steekwond had waardoor een stuk dunne darm naar buiten puilde die bij nader onderzoek ook bleek te zijn geperforeerd. In het diepe door de steekwonden veroorzaakte buikletsel en inwendige, slagaderlijke bloedingen is er sprake geweest van zeer ernstig en levensbedreigend bloedverlies. Gezien de plaats van de steekwond is de milt van het slachtoffer op een haar na door het stekende voorwerp gemist. Was de milt wel aangeprikt dan zou slachtoffer binnen enkele minuten al op straat doodgebloed zijn. Naar verwachting zal herstel optreden maar dit zal vele weken duren. Er blijven in elk geval zeker forse duidelijk zichtbare en daardoor ontsierende littekens op de buik over. De conclusie luidt dat sprake is van potentieel dodelijk letsel.

Verdachte heeft bekend (slachtoffer) op 2 december 2011 in de (straat) te Zwolle met een mes in de buik te hebben gestoken.

A. (naam 1) heeft bij de politie onder meer het volgende verklaard over wat verdachte hem de avond van het steekincident verteld heeft:

“Ik vroeg hem wat er precies gebeurd was. Hij vertelde mij dat die jongen op de (straat) bij de plaszuilen achter hem aan liep. (naam 3)) zei dat die jongen met hem praten wilde. (naam 3)) vertrouwde dat niet omdat hij al klappen had gehad van die jongen. (naam 3)) zei dat hij zich toen had omgedraaid en die jongen in de zij van zijn lichaam had gestoken.”

(naam 1) heeft bij de rechter-commissaris bevestigd dat verdachte toen aan hem heeft verteld dat de jongen met hem wilde praten.

Met betrekking tot de poging moord zoals primair ten laste is gelegd overweegt de rechtbank het volgende.

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel “voorbedachte rade” moet komen vast te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het genomen besluit (slachtoffer) te steken en dat verdachte gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende gebleken dat bij verdachte voorafgaand aan het steken sprake is geweest van een dergelijk moment van kalm overleg en van bedaard nadenken voorafgaand aan de uitvoering. Er is sprake geweest van één steekhandeling van verdachte, welke heeft plaatsgevonden vlak na twee eerdere geweldsincidenten die avond waarbij verdachte en (slachtoffer) betrokken waren. De rechtbank betrekt in haar oordeel dat verdachte zelf heeft verklaard vanuit een impuls te hebben gehandeld.

Naar het oordeel van de rechtbank is er aldus onvoldoende bewijs dat sprake is geweest van voorbedachte raad van verdachte en de rechtbank acht het primair ten laste gelegde, poging moord, niet wettig en overtuigend bewezen.

Met betrekking tot het subsidiair ten laste gelegde overweegt de rechtbank het volgende.

Verdachte heeft (slachtoffer) met een mes in de buikstreek gestoken waardoor deze blijkens de letselrapportage zodanig verwond is geraakt dat geconcludeerd wordt tot potentieel dodelijk letsel. De steekverwonding is behoorlijk diep geweest waardoor forse inwendige slagaderlijke bloedingen zijn veroorzaakt. Doordat het slachtoffer snel in het ziekenhuis was en snel kon worden geopereerd, is er geen fataal bloedverlies opgetreden. Gezien de plaats van de steekwond - zoals bij de operatie ook bleek - is de milt van het slachtoffer op een haar na door het mes gemist. Was de milt wel aangeprikt dan zou het slachtoffer binnen enkele minuten al op straat doodgebloed zijn. Het vorenstaande leidt tot het oordeel van de rechtbank dat het handelen van verdachte zozeer gericht was op de reële mogelijkheid dat het slachtoffer als gevolg van die messteek zou komen te overlijden, dat verdachte - het geheel aan gedragingen overziende - minst genomen de aanmerkelijk kans op de koop toe heeft genomen dat dat gevolg realiteit zou worden. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen de ten laste gelegde poging tot doodslag.

BEWEZENVERKLARING

De verdachte dient van het onder primair ten laste gelegde te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet wettig en overtuigend bewezen acht.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte subsidiair ten laste is gelegd, met dien verstande dat

hij op 02 december 2011 in de gemeente Zwolle ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk (slachtoffer) van het leven te beroven, met dat opzet die (slachtoffer) met een mes in de buikstreek heeft gestoken/geprikt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Van het subsidiair meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Het bewezene levert op:

Subsidiair.

Poging tot doodslag, strafbaar gesteld bij artikel 287 juncto artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht.

Het bewezen verklaarde feit is volgens de wet strafbaar. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Het standpunt van de verdediging

Ter terechtzitting heeft de raadsman van verdachte een beroep gedaan op putatief noodweer. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte meende dat hij zich in een situatie bevond waartegen hij zich kon en moest verdedigen. Verdachte had direct voorafgaand aan het steekincident tot twee keer toe flinke klappen gehad van (onder meer) (slachtoffer). Verdachte meende dat hij opnieuw werd aangevallen door mogelijk meerdere personen en verdachte was bang voor een wapen.

Bij de beoordeling van putatief noodweer moet worden meegewogen dat verdachte heeft gehandeld vanuit zijn stoornis. Door de deskundigen is bij verdachte de stoornis MCDD vastgesteld. MCDD patiënten hanteren hun angsten door zich met boosheid te verweren.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat er geen sprake is geweest van een noodweersituatie. Hoewel de situatie voorafgaand aan het steekincident op verschillende momenten voor verdachte dreigend is geweest, zijn die momenten steeds gevolgd door rustmomenten en was er direct voorafgaand aan het steekmoment in de (straat) geen sprake van een situatie waartegen verdachte zich moest verdedigen. Verdachte heeft gelet op zijn afstand vanaf de (naam) tijd gehad om te zien dat er in de (straat) niet meer belagers waren dan één. Daarnaast blijkt uit de beelden dat verdachte in de (straat) een armbeweging maakt waarmee hij het slachtoffer op afstand houdt. Op dat moment is er geen sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte; verdachte staat oog in oog met één persoon, zonder wapen. Verdachte houdt het slachtoffer op afstand en grijpt dan naar het mes in zijn jaszak. Er is op dat moment sprake van een tegenaanval. Onder die omstandigheden is er geen ruimte voor een beroep op noodweer of noodweerexces. Voorts is de officier van justitie van mening dat geen sprake is van een putatieve noodweersituatie.

Het oordeel van de rechtbank

Voor de beantwoording van de vraag of verdachte in de verschoonbare dwaling verkeerde dat hij zich tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door (slachtoffer) moest verdedigen overweegt de rechtbank het volgende.

Vast staat, dat verdachte kort voorafgaande aan het steekincident betrokken is geweest bij een tweetal gewelddadige incidenten, waarbij meerdere personen betrokken zijn geweest, onder wie ook (slachtoffer) en waarbij (slachtoffer) zich richting verdachte en verdachtes vriend (naam 1) niet onbetuigd heeft gelaten. Bij een gewelddadig treffen op de (straat) is (slachtoffer) (na te zijn geduwd door verdachte) op verdachte afgekomen en heeft (slachtoffer) verdachte geslagen. Enkele minuten later volgt een tweede gewelddadig treffen in de (naam) waar (naam 1), de vriend van verdachte, door (slachtoffer) wordt geslagen en waar verdachte wordt gevloerd door een ander. Slechts één minuut later volgt het incident in de (straat), waarbij verdachte voorop liep en (slachtoffer) verdachte achterna is gelopen.

Gelet op de voorgeschiedenis van die avond, waarbij sprake is geweest van meerdere geweldincidenten waarbij (slachtoffer) zich richting verdachte en diens vriend (naam 1) agressief heeft gedragen, het al eerder na een rustmoment (weer) verder escaleren van de ruzie tussen betrokkenen, het korte tijdsbestek tussen het tweede geweldsincident en het incident in de (straat) en het op verdachte toelopen van (slachtoffer) in de (straat), acht de rechtbank het verontschuldigbaar dat verdachte op dat moment meende zich in een situatie te bevinden waartegen hij zich moest verweren.

Weliswaar heeft (slachtoffer) verklaard dat hij vlak voor het steekincident iets zou hebben gezegd in de trant van dat hij niet wilde vechten en lijkt dat te worden ondersteund door de verklaring van (naam 1) dat verdachte daarover aan hem verteld zou hebben dat (slachtoffer) had gezegd dat hij wilde praten, maar verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij bang en in paniek was en verdachte heeft ter terechtzitting onder meer verklaard dat hij het erg bedreigend vond dat (slachtoffer) opeens zo kalm was.

De rechtbank is bij haar beoordeling uitgegaan van een voorstelling van de situatie die verdachte gegeven de omstandigheden redelijkerwijs heeft kunnen maken. Daarbij heeft de rechtbank ook betrokken dat verdachte is gediagnosticeerd met onder meer MCDD en dat verdachte, blijkens de rapportages van de gedragsdeskundigen, zich onvoldoende kan verplaatsen in motieven en belangen van anderen, waardoor nieuwe situaties niet adequaat worden geïnterpreteerd of onvoldoende worden doorzien.

De rechtbank is echter vervolgens van oordeel dat verdachte, door (slachtoffer) in de onderhavige situatie - zonder daaraan voorafgaand te waarschuwen of te dreigen - met een mes in de buik te steken, de grenzen van een noodzakelijke verdediging heeft overschreden. Er was in de (straat) immers sprake van een één op één situatie en op het moment van steken had verdachte dat gelet ook op de afstand tot de (naam) kunnen overzien. Voorts is in de eerdere confrontaties geen gebruik gemaakt van wapens en zijn er geen omstandigheden aannemelijk geworden op grond waarvan er bij verdachte de redelijke vrees kon ontstaan dat (slachtoffer) nu een wapen zou gebruiken. Het in die situatie plotseling steken met een mes in de buikstreek is gelet op de aard en het risico van de vermeende aanranding verre van proportioneel. De rechtbank verwerpt derhalve het beroep op putatief noodweer.

De rechtbank begrijpt het verweer van de verdediging voorts dat ook bij de keuze van het verdedigingsmiddel rekening moet worden gehouden met de persoon van verdachte, althans dat sprake is van een subsidiair beroep op putatief noodweerexces. De rechtbank overweegt in dat verband het volgende. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende komen vast te staan dat het overschrijden van de grenzen van de vermeende noodzakelijke verdediging het onmiddellijke gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging bij verdachte die is veroorzaakt door de vermeende aanranding. De rechtbank heeft in haar beoordeling betrokken hetgeen beide gedragsdeskundigen over verdachte hebben gerapporteerd, te weten:

Psychiater dr T.W.D.P. van Os d.d. 11 februari 2012:

“De interacties voorafgaande aan het ten laste gelegde, riepen bij onderzochte dusdanige angst en woede op dat hij weliswaar voldoende inzicht had in het ongeoorloofde van het hem ten laste gelegde feit, indien bewezen, maar onvoldoende in staat was om zijn wil overeenkomstig zijn inzicht te bepalen. Om die reden acht onderzoeker onderzochte verminderd toerekeningsvatbaar voor het hem ten laste gelegde feit, indien bewezen.”

Psycholoog H.R.J. ter Borg d.d. 11 februari 2012:

“Betrokkenes gedragingen tijdens het tenlastegelegde kunnen niet losgezien worden van zijn stoornis en zijn van invloed geweest op zijn denken en handelen. Hij wist dat het gebruik van een steekwapen een ernstig strafbaar feit betekent, maar kon op dat moment niet handelen naar dat inzicht vanwege de ernstige onderliggende psychische/psychiatrische problematiek. Er is bij betrokkene sprake van verminderde toerekeningsvatbaarheid.

De rechtbank interpreteert hetgeen deze deskundigen hebben gerapporteerd zo, dat bij verdachte ten tijde van het steekincident enig inzicht omtrent het ontoelaatbare van zijn handelen nog aanwezig was. Daaruit trekt de rechtbank de conclusie dat de gemoedsbeweging waarin verdachte verkeerde niet zo hevig was dat deze een beroep op putatief noodweerexces kan rechtvaardigen. Uit het dossier blijken over de hevigheid van die gemoedsbeweging geen andere feiten of omstandigheden die dit anders maken.

Verdachte is gelet op het voorgaande een strafbare dader.

MOTIVERING VAN STRAF OF MAATREGEL

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd verdachte te veroordelen tot:

- een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van de dagen doorgebracht in voorlopige hechtenis;

- de maatregel tot terbeschikkingstelling met voorwaarden zoals genoemd in het maatregelenrapport met een proeftijd voor de duur van drie jaar en dat die maatregel dadelijk uitvoerbaar is;

- toewijzing van de vordering benadeelde partij (slachtoffer) van een bedrag groot € 2.800,- bij wijze van voorschot met betrekking tot het smartengeld, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht voor voornoemd bedrag;

- afwijzing van de vordering tenuitvoerlegging inzake parketnummer 24/000780-09;

- verlenging van de proeftijd van de vordering tenuitvoerlegging inzake parketnummer 07/652012-10.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat bij een strafoplegging rekening moet worden gehouden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte. Verdachte heeft al geruime tijd in voorlopige hechtenis verbleven. Een gevangenisstraf moet tot het minimale worden beperkt gelet ook op wat de deskundigen daarover hebben verklaard. Met betrekking tot een behandeling van verdachte refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

De vordering van de benadeelde partij (slachtoffer) moet volgens de raadsman worden afgewezen of niet ontvankelijk worden verklaard, omdat het immateriële gedeelte te ingewikkeld is om te beoordelen en het daarmee een onevenredige belasting voor het strafproces zou zijn. Er moet namelijk bij de beoordeling van die vordering onder meer rekening gehouden worden met de mate van eigen schuld van (slachtoffer).

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden

waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte,

zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de

na te noemen beslissing passend.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de straf de geldende oriëntatiepunten van het Landelijk overleg van voorzitters van de strafsectoren van de gerechtshoven en de rechtbanken (LOVS) als uitgangspunt genomen.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, gelet ook op het strafrechtelijk verleden van de verdachte, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- een uittreksel justitiële documentatie van verdachte d.d. 17 oktober 2012;

- het voornoemde adviesrapport ten behoeve van TBS met voorwaarden over de persoon van verdachte d.d. 16 november 2012, opgemaakt door J. Borgijink, reclasseringswerker Reclassering Nederland;

- het voornoemde pro justitia rapport over de persoon van verdachte d.d. 11 februari 2012, opgemaakt door dr. T.W.D.P. van Os, psychiater/psychoanalyticus;

- het voornoemde pro justitie rapport over de persoon van verdachte d.d. 11 februari 2012, opgemaakt door H.R.J. ter Borg, GZ-psycholoog;

de overige stukken in het persoonsdossier van verdachte.

Uit de psychologische en psychiatrische onderzoeksrapporten komt naar voren dat er bij verdachte sprake is van een langdurige psychiatrische voorgeschiedenis en dat verdachte veelvuldig met hulpverleningsinstanties in aanraking is gekomen. Van jongs af aan vertoonde verdachte kenmerken van een ontwikkelingsstoornis, waaronder afwezigheid van sociaal-emotionele wederkerigheid, opvallende reacties op gewone gebeurtenissen, opvallende reacties op begrenzing, afwijkende fantasiebeleving, waarnemingsstoornissen en interpretatiestoornissen en stoornissen in de regulatie van affecten.

De stoornis in de regulatie van affecten geldt voor angst en agressie. Angst schiet door in paniek; boosheid schiet door in woede. Het regulatiemechanisme lijkt bij verdachte niet goed te werken. De argwaan of de te sterke fantasie zorgen er vervolgens voor dat zijn gedachten met hem op de loop gaan, waardoor angst/opwinding/fantasie en werkelijkheid niet meer uit elkaar worden gehouden. Verdachte voldoet aan de criteria voor een MCDD, Multiple Complex Developmental Disorder. Bij jongeren met MCDD is vooral de adolescentie een spannende fase. In deze periode is er een redelijk gevaar voor een psychotische ontwikkeling. MCDD wordt beschouwd als een variant van autisme of PDD-NOS, maar bij kinderen en jongeren met MCDD staan niet de contactproblemen op de voorgrond maar de problemen bij het reguleren van emoties en gedachten. Vaak wordt iemand met MCDD na zijn 18e gediagnosticeerd met de borderline persoonlijkheidsstoornis. Bij verdachte lijken schizotypische, paranoïde en antisociale kenmerken zich in zijn persoonlijkheid te verinnerlijken. Dit betekent dat zich een ernstige en complexe samengestelde problematiek ontwikkelt.

Zowel de psychiater als de psycholoog adviseren verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te achten bij een bewezenverklaring. De kans op herhaling is volgens beide gedragsdeskundigen groot indien verdachte niet wordt behandeld voor zijn ziekelijke stoornis. Beide gedragsdeskundigen achten een klinische behandeling noodzakelijk. Een klinische behandeling in het kader van een voorwaardelijke detentie heeft als groot risico, aldus de psychiater, dat bij het mislukken daarvan detentie volgt en in dat geval de risicofactoren onveranderd aanwezig zullen blijven, terwijl detentie verdachte alleen maar verder zal verharden. De psycholoog heeft in dat verband naar voren gebracht dat rekening moet worden gehouden met de veelvuldigheid van voorafgegane veroordelingen en dat er bij verdachte sprake is van de nodige therapieontrouw in het verleden en dat verdachte bovendien nog steeds niet de werkelijke aard, omvang en gevolgen van zijn stoornis onderkent. Beide gedragsdeskundigen adviseren daarom verdachte een TBS met voorwaarden op te leggen.

Ter terechtzitting van 12 juni 2012 heeft H.R.J. ter Borg, psycholoog, voormeld advies nogmaals onderstreept.

De rechtbank is van oordeel dat de conclusies van de gedragsdeskundigen eenduidig zijn en de rechtbank neemt de conclusies van de psycholoog en de psychiater op de door hen genoemde gronden over en maakt hun oordeel tot het hare.

Gelet op bovenstaande zal de rechtbank de TBS opleggen, nu het door verdachte begane feit een misdrijf betreft waarop naar de wettelijk omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, bij verdachte tijdens het begaan van het bewezen verklaarde een ziekelijke stoornis bestond en de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van deze maatregel eist.

De rechtbank heeft kennis genomen van het maatregelrapport van 16 november 2012, opgemaakt door J. Borgijink, reclasseringswerker Reclassering Nederland. In het rapport worden bijzondere voorwaarden en algemene voorwaarden voorgesteld die verdachte voor de duur van de terbeschikkingstelling moet na komen. Verdachte heeft zich bereid verklaard zich aan die voorwaarden te houden.

Ter bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen zal de rechtbank die voorwaarden stellen betreffende het gedrag van verdachte, zoals voorgesteld in voormeld maatregelrapport en zoals nader in het dictum genoemd.

Gelet op de ernst van het bewezen verklaarde zou daarnaast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur passend zijn. Verdachte heeft zich immers schuldig gemaakt aan een ernstige vorm van uitgaansgeweld. Verdachte heeft het slachtoffer met een mes in de buik gestoken. Dat heeft niet alleen enorme impact gehad op het slachtoffer, maar dergelijk uitgaansgeweld draagt ook bij aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving in het algemeen. De rechtbank heeft echter in het onderhavige geval in het bijzonder in aanmerking genomen, dat het volgens de deskundigen van groot belang is dat verdachte, gelet ook op zijn jeugdige leeftijd en de aard van zijn stoornis, zo snel mogelijk wordt behandeld en dat (verdere) detentie verdachte verder zal doen verharden. Voorts betrekt de rechtbank in haar overwegingen dat J. Borgijink ter terechtzitting heeft verklaard, dat er op korte termijn een behandelplek voor verdachte kan worden gerealiseerd. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de aan verdachte op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf beperken tot niet veel langer dan de duur van zijn voorarrest, zodat verdachte spoedig vanuit detentie kan worden doorgeplaatst naar een behandelplek.

Gelet ook daarop acht de rechtbank termen aanwezig toepassing te geven aan de in artikel 38 van het Wetboek van Strafrecht gegeven mogelijkheid te bevelen dat de TBS met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.

De officier van justitie heeft de rechtbank gevraagd aan de terbeschikkingstelling een proeftijd te verbinden van drie jaren.

De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Ingevolge artikel 38d van het Wetboek van Strafrecht geldt de terbeschikkingstelling voor de tijd van twee jaar. Deze termijn kan telkens verlengd worden met één dan wel twee jaar, indien de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen die verlenging eist en behoudens de gevallen zoals vermeld in artikel 38e en 38j.

De rechtbank is van oordeel dat in casu sprake was van een misdrijf dat gericht was tegen en gevaar veroorzaakte voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon, zoals vermeld in artikel 38e lid 1 van het Wetboek van Strafrecht. Dit betekent, dat mocht de terbeschikkingstelling met voorwaarden omgezet worden naar een terbeschikkingstelling met dwangverpleging, deze de duur van vier jaar te boven mag gaan.

In casu wordt verdachte echter een TBS met voorwaarden opgelegd. Zolang verdachte zich aan de voorwaarden houdt, is de duur van die TBS, gelet op artikel 38e lid 2 van het Wetboek van Strafrecht, beperkt tot een maximum van negen jaar.

Van een proeftijd, zoals door de officier van justitie gevorderd, is gelet op het voorgaande, geen sprake.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 36f, 37a, 38, 38a van het Wetboek van Strafrecht.

Vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij (slachtoffer) heeft zich met een vordering tot schadevergoeding van een bedrag van € 4.240,70 gevoegd in het strafproces. Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan, dat de benadeelde partij (slachtoffer) als gevolg van het hiervoor bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden.

De vordering is - met betrekking tot de ziekenhuisdaggeldvergoeding, loonderving, kleding, eigen bijdrage rechtsbijstand, kopieerkosten en het eigen risico ziektekosten 2011 - met de door de benadeelde partij overgelegde stukken onderbouwd en niet, althans onvoldoende, weersproken. Het opgegeven eigen risico voor het jaar 2012 acht de rechtbank echter onvoldoende onderbouwd en met betrekking tot de opgevoerde reiskosten van de ouders van de benadeelde partij is onvoldoende sprake van rechtstreeks verband met het bewezen verklaarde feit. Als vergoeding van immatriële schade acht de rechtbank in elk geval een bedrag van € 2.000,-- toewijsbaar. De totale hoogte van de schade – voor zover thans toewijsbaar - is daarmee genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 3.441,50, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag dat het bewezen verklaarde feit is gepleegd tot de dag van algehele voldoening. De vordering zal dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. De verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op nihil.

De behandeling van de vordering van de benadeelde partij (slachtoffer) levert naar het oordeel van de rechtbank voor wat het meer gevorderde betreft, mede in aanmerking nemende het eigen aandeel van (slachtoffer) in de gebeurtenissen rond het ten laste van verdachte bewezen verklaarde feit, een onevenredige belasting van het strafgeding op. Daarom zal de benadeelde partij (slachtoffer) voor dat deel van de vordering niet ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij (slachtoffer) kan dat deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Als extra waarborg voor betaling van de benadeelde partij zal de rechtbank overeenkomstig artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom ten behoeve van de benadeelde partij.

Vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Met betrekking tot de parketnummers 24/000780-09 en 07/652012-10

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de tenuitvoerlegging van de door het Gerechtshof te Leeuwarden bij arrest d.d. 24 maart 2010 opgelegde voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 20 uren en de door de meervoudige kamer van de rechtbank Zwolle bij vonnis d.d. 18 november 2010 opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van drie maanden niet opportuun. Evenmin acht de rechtbank termen aanwezig om de proeftijd te verlengen.

BESLISSING

Ten aanzien van de tenlastelegging

Het primair ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

Het subsidiair ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert het strafbare feit op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is strafbaar.

Het subsidiair meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de rechtbank spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.

De tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht wordt bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering gebracht.

De rechtbank gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en stelt daarbij de volgende voorwaarden:

Algemene voorwaarden

- verdachte zal zich onder toezicht van de reclassering stellen en zal zich houden aan de voorschriften en aanwijzingen door of namens deze instelling aan hem te geven;

- verdachte onthoudt zich van het plegen van strafbare feiten;

- verdachte zal medewerking verlenen aan het verstrekken van een pasfoto en het verstrekken van informatie zoals bedoeld in het kader van het landelijk opgestelde opsporingsbeleid ten aanzien van TBS-gestelden;

- verdachte zal zich niet buiten de Nederlandse grenzen begeven;

Bijzondere voorwaarden

- verdachte zal meewerken aan het behandelaanbod van FPK Assen conform de op te stellen behandelovereenkomst en behandelplannen;

- verdachte zal contacten onderhouden met de reclassering en zal zicht verschaffen op de voortgang van zijn behandeling. Hij zal zich houden aan de aanwijzingen, welke gaandeweg de behandeling geformuleerd zullen worden, te geven door of namens de reclassering. De reclassering zal contact onderhouden met zowel de behandelaars als met verdachte;

- verdachte zal zowel zijn behandelaars als de reclassering volledig inzicht geven in de contacten die hij binnen en buiten de kliniek onderhoudt;

- verdachte zal zich onthouden van drugs en kan hierop gecontroleerd worden middels urinecontroles. Verdachte zal meewerken aan behandeling op het gebied van middelengebruik indien geïndiceerd;

- verdachte zal zich onthouden van alcoholgebruik, tenzij hij hierover in het kader van resocialisatie andere afspraken heeft gemaakt met de reclassering;

- verdachte zal inzage geven in zijn financiën;

- verdachte zal na zijn behandeling meewerken aan het vinden van een geschikte dagbesteding en woonplek afgestemd op zijn resocialisatietraject.

De rechtbank beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.

De rechtbank geeft opdracht aan de in de voorwaarden genoemde instelling overeenkomstig artikel 38, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht verdachte bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Schadevergoeding

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij (slachtoffer), wonende te (plaats), van een bedrag van € 3.441,50 (zegge: drieduizend vierhonderdeenenveertig euro en vijftig eurocent) vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 2 december 2011 (de dag waarop het bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd), tot de dag van de voldoening.

De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten, die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op nihil.

De rechtbank legt de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3.441,50, ten behoeve van het slachtoffer (slachtoffer), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 44 dagen hechtenis.

De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij (slachtoffer) voor wat het meer gevorderde betreft in zijn vordering niet ontvankelijk is. De benadeelde partij kan zijn vordering voor dat deel bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Ten aanzien van de vorderingen tenuitvoerlegging

De rechtbank wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de in de zaak met parketnummer 24/000780-09 bij arrest d.d. 24 maart 2010 van het Gerechtshof te Leeuwarden voorwaardelijk aan verdachte opgelegde straf.

De rechtbank wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de in de zaak met parketnummer 07/652012-10 bij vonnis d.d. 18 november 2010 van de meervoudige kamer van de rechtbank Zwolle voorwaardelijk aan verdachte opgelegde straf.

Aldus gewezen door mr. G.A. Versteeg, voorzitter, mrs. L.J. Bosch en F.E.J. Goffin, rechters, in tegenwoordigheid van W. van Goor als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 december 2012.