Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BY5777

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
04-12-2012
Datum publicatie
11-12-2012
Zaaknummer
07-681014-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

aanwezig hebben van hennep;

recidive

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer: 07/681014-11(P)

Uitspraak: 4 december 2012

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het openbaar ministerie

tegen

(verdachte),

geboren op (geboortejaar),

wonende te (adres).

ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 20 november 2012.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.M. Stam, advocaat te Apeldoorn.

Als officier van justitie was aanwezig mr. J. de Ruiter.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 03 februari 2011 in de gemeente Kampen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een schuur aan de (straat)) (een) hoeveelheid/hoeveelheden van (in totaal) ongeveer 11.340 gram hennep en/of ongeveer 115, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

BEWIJSOVERWEGINGEN

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting de veroordeling van verdachte gevorderd ten aanzien van hetgeen ten laste is gelegd, te weten het aanwezig hebben van hennep en het bewerken ervan.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat er geen sprake is geweest van het telen van hennep en dat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken. Verdachte is als enige van de verdachten gedagvaard. Medeverdachten hebben een transactievoorstel gekregen, terwijl het aandeel van verdachte niet groter is dan het aandeel van de medeverdachten. Verdachte heeft net als de medeverdachten enkel hennep van een ander op het erf van verdachte geknipt.

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte zal worden vrijgesproken van het telen/bereiden van hennep(planten).

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met anderen de in de tenlastelegging genoemde hoeveelheid hennep heeft bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad.

De rechtbank overweegt dat er ten aanzien daarvan sprake is van een bekennende verdachte in de zin van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank zal daarom volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die tot de bewezenverklaring hebben geleid:

- het proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 februari 2011 ;

- het proces-verbaal aanhouding d.d. 7 februari 2011 ;

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting .

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte ten laste is gelegd, met dien verstande dat

hij op 03 februari 2011 in de gemeente Kampen, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad in een schuur aan de (straat) hoeveelheden van (in totaal) ongeveer 11.340 gram hennep en/of ongeveer 115, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Van het meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Het bewezene levert op:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 11 van de Opiumwet.

Het bewezen verklaarde feit is volgens de wet strafbaar. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is dan ook strafbaar.

MOTIVERING VAN STRAF OF MAATREGEL

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd een werkstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis en een gevangenisstraf voor de duur van twee weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat bij een strafoplegging rekening moet worden gehouden met de transactieafdoeningen van de medeverdachten in de onderhavige zaak, zoals de partner van de verdachte die een transactie van een werkstraf van vijftig uren heeft gehad. Daarbij heeft verdachte een rekening van Enexis ontvangen, omdat er medewerkers van Enexis bij het politieoptreden op 3 februari 2011 aanwezig zijn geweest, waardoor verdachte financieel benadeeld is. De raadsman verzoekt een deels voorwaardelijke straf op te leggen, die in verhouding is met de transacties van de medeverdachten.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden

waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte,

zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de

na te noemen beslissing passend.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de straf de geldende oriëntatiepunten van het Landelijk overleg van voorzitters van de strafsectoren van de gerechtshoven en de rechtbanken (LOVS) als uitgangspunt genomen.

Verdachte heeft samen met anderen hennep geknipt in een schuur op zijn erf. In de knipruimte in die schuur zijn drie blauwe kunststofvaten aangetroffen, waarvan twee met henneptoppen en één met hennepplanten. Verder zijn op het erf van verdachte in een ruimte naast de schuur (een zogenoemde wasruimte/losstaande berging) twee tonnen met nog niet geknipte wietplanten aangetroffen. In totaal is er 11.340 gram hennep en 115 hennepplanten aangetroffen. Daarbij is voor de strafmaat van belang, dat de in de tenlastelegging genoemde hoeveelheid hennep van 11.340 gram, verse - oftewel niet gedroogde - hennep betreft. Uitgaande van vochtverlies resteert, blijkens het hiervoor in voetnoot 3 vermelde proces-verbaal, ongeveer 2,8 kilogram aan gedroogde hennep.

Verdachte heeft verklaard dat hij is benaderd door een persoon om zijn schuur beschikbaar te stellen voor het knippen van hennep en dat heeft verdachte toegelaten. Naar het oordeel van de rechtbank gaat de rol van verdachte gelet daarop verder dan de rol van de medeverdachten/hennepknippers, nu verdachte een ruimte op zijn erf beschikbaar heeft gesteld voor het knippen van de hennep en ook de contacten in dat verband heeft gevoerd. De rechtbank weegt dat in strafverzwarende zin mee. Verder weegt de rechtbank in strafverzwarende zin mee dat verdachte blijkens een uittreksel justitiële documentatie d.d. 17 oktober 2012 eerder met justitie in aanraking is gekomen in verband met hennepteelt in 2005. Hij heeft toen een transactie gekregen van 105 uren werkstraf. Weliswaar betreft dit geen recent justitiecontact, maar de rechtbank weegt mee dat een en ander verdachte er niet van heeft weerhouden zich weer in te laten met (een onderdeel van) de handel in hennep. Verdachte houdt hiermee de criminele illegale hennephandel mede in stand. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

Gelet op het voorgaande en om te voorkomen dat verdachte zich in de toekomst opnieuw schuldig zal maken aan het plegen van dergelijke strafbare feiten acht de rechtbank, naast een werkstraf, een voorwaardelijke gevangenisstraf passend.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 91 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Ten aanzien van de tenlastelegging

Het ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert het strafbare feit op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is strafbaar.

Het meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de rechtbank spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank legt aan de verdachte op een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 60 uren, te voltooien binnen 1 jaar na het onherroepelijk worden van het vonnis.

De rechtbank beveelt dat voor het geval de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 30 dagen hechtenis, althans een aantal dagen hechtenis dat evenredig is aan het niet verrichte aantal uren taakstraf.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken.

De gevangenisstraf zal niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders zal gelasten, omdat de verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door mr. L.J. Bosch, voorzitter, mrs. G.A. Versteeg en F.E.J. Goffin, rechters, in tegenwoordigheid van W. van Goor als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 december 2012.