Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BY5286

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
06-12-2012
Datum publicatie
06-12-2012
Zaaknummer
Awb 12/2388 en Awb 12/2393
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoek om een voorlopige voorziening; afwijzing verzoek. Artikel 31 Drank- en Horecawet. Intrekking vergunning. Verweerder heeft de intrekking van de drank- en horecavergunningen naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter terecht kunnen doen steunen op de vele (gewelds-)incidenten in de cafés van verzoekers. Gelet op die voorgeschiedenis heeft verweerder op goede gronden aannemelijk geacht dat daarin van de zijde van verzoekers, ondanks de door hen te treffen of getroffen voorzieningen, weinig verandering is te verwachten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht

Registratienummers: Awb 12/2388 en 12/2393

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaken tussen

A en B,

wonende te Lelystad, verzoekers,

gemachtigde: mr. C.G. Blok,

en

het college van burgemeester en wethouders van Lelystad,

gevestigd te Lelystad, verweerder.

Procesverloop

Bij besluiten van 24 oktober 2012 heeft verweerder de aan verzoekers voor café Classic en Grand café Upper Class verleende drank- en horecavergunningen ingetrokken. Verzoekers hebben tegen die besluiten bezwaar gemaakt.

Op 12 november 2012 hebben verzoekers de voorzieningenrechter verzocht die besluiten te schorsen.

De verzoeken zijn ter zitting van 4 december 2012 behandeld. Verzoekers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J. Bos en W. Pet.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover hierbij het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekers een spoedeisend belang hebben

bij schorsing van verweerders besluiten tot intrekking van de aan hen verleende drank- en horecavergunningen, nu hun cafés als gevolg daarvan niet meer kunnen worden geëxploiteerd en de continuïteit van die ondernemingen in gevaar dreigt te komen.

3. Bij de beantwoording van de vraag of verweerders besluiten, tot intrekking van de drank- en horecavergunningen voor de voornoemde cafés, dienen te worden geschorst, gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

a. Vergunningen

Verzoekers exploiteren te Lelystad een viertal cafés, waaronder Café Classic (locatie X1) en Grand Café Upper Class (locatie Y2). Voor deze cafés heeft verweerder verzoekers op 2 juli 2009 respectievelijk op 16 juli 2009 vergunningen voor het uitoefenen van het cafébedrijf verleend.

b. Incidenten

Op 9 februari 2011 heeft verweerder verzoekers een inperking van het sluitingsuur van het Café Classic opgelegd voor de duur van een jaar wegens herhaaldelijk overlastgevende- en bedreigende incidenten. Verweerders besluit daartoe is gebaseerd op een reeks incidenten in 2010 in of bij dat café. Op 9 november 2011 heeft verweerder verzoekers in een persoonlijk gesprek in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op klachten van geluidsoverlast rondom Grand Café Upper Class. Verweerder heeft verzoekers er daarbij op gewezen bij herhaling van ernstige verstoring van de openbare orde handhavend te zullen optreden.

Op 26 januari 2012 heeft verweerder verzoekers schriftelijk gewezen op het feit dat

bierflesjes en glazen vanuit Café Classic naar buiten worden meegenomen, op een spoor

van glaswerk afkomstig uit dat café en op het ontbreken van een deurbeleid en huisregels. Bij brief van 17 april 2012 heeft verweerder verzoekers er op gewezen dat zij door het toelaten van bezoekers na sluitingstijd de voorschriften bij de horeca-exploitatievergunning voor Café Classic overtreden. Op 10 juli 2012 heeft verweerder verzoekers een schriftelijke waarschuwing gegeven voor het tijdens de sluitingsuren toelaten van bezoekers in Café Classic en het toelaten dat bezoekers met bierflesjes en glazen naar buiten lopen. Op 10 juli 2012 heeft verweerder verzoekers voorts in kennis gesteld van zijn voornemen om hen wegens een aantal overlastgevende en bedreigende incidenten ter plaatse van Grand Café Upper Class een last onder dwangsom op te leggen.

In de nacht van donderdag 26 juli 2012 op vrijdag 27 juli 2012 heeft in Café Classic een schietincident plaatsgevonden. Daarbij is een persoon, die daarvóór al Grand Café Upper Class had bezocht, vanuit de naastgelegen grillroom via een tussendeur Café Classic

binnengedrongen. Deze persoon heeft verzoekers en hun familie in het café met een pistool bedreigd en geslagen en een medewerker in de rug is geschoten, als gevolg waarvan deze is geïnvalideerd.

De politie Flevoland Noord heeft op 8 augustus 2012, in een op ambtsbelofte opgemaakte rapportage, een overzicht opgesteld van in het bedrijfsprocessensysteem van de politie geregistreerde aangiften van incidenten in of bij:

- Café Classic over januari 2012 tot en met juli 2012, evenals

- Grand Café Upper Class over januari 2011 tot en met juli 2012.

c. Tijdelijke sluiting

Bij besluiten van 27 juli 2012 heeft de Burgemeester van Lelystad verzoekers met onmiddellijke ingang de tijdelijke sluiting van Café Classic en Grand Café Upper Class opgelegd en de exploitatievergunningen voor die cafés ingetrokken voor de duur van drie maanden.

De ten aanzien daarvan door verzoekers ingediende verzoeken om een voorlopige voorziening zijn bij uitspraak van 31 augustus 2012 afgewezen.

De bezwaren van verzoekers tegen die besluiten zijn bij besluiten van 26 november 2012, nadat zij daarover op 26 september 2012 zijn gehoord, ongegrond verklaard.

d. Intrekking vergunningen

Op 27 september 2012 heeft verweerder verzoekers medegedeeld voornemens te zijn om

de drank- en horecavergunningen voor café Classic en Grand Café Upper Class in te trekken. Op 10 oktober 2012 hebben verzoekers hun zienswijze hierop bij verweerder ingediend.

Bij besluiten van 24 oktober 2012 heeft verweerder die zienswijze terzijde gelegd en de drank- en horecavergunning voor beide cafés ingetrokken, ingaande op de dag na bekendmaking.

4. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Drank- en Horecawet (DHW) is het verboden zonder daartoe strekkende vergunning van burgemeester en wethouders het horecabedrijf

of slijtersbedrijf uit te oefenen.

In artikel 31, eerste lid, aanhef en onder d van de DHW (verder: d-grond) is bepaald,

dat een vergunning wordt ingetrokken, indien: zich in de betrokken inrichting feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven der vergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid.

5. Ten aanzien van hetgeen verzoekers ter onderbouwing van hun verzoeken om voorlopige voorzieningen hebben aangevoerd overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Verzoekers hebben aangevoerd, dat er geen rechtsgrond voor de intrekking van de drank-

en horecavergunningen bestaat, nu er geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren zijn gebracht die dat rechtvaardigen. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kunnen verzoekers hierin niet worden gevolgd. Daartoe laat de voorzieningenrechter allereerst wegen, dat de tijdelijke sluiting van een horecaonderneming en de tijdelijke intrekking van een exploitatievergunning een bestuurlijke bevoegdheid is van de burgemeester, welk bestuurlijk traject geheel los staat van de verplichting van het college van burgemeester en wethouders tot het permanent intrekken van een drank- en horecavergunning in de gevallen waarin artikel 31 van de DHW dat voorschrijft. Dit geldt ook in de situatie – zoals in het onderhavige geval – waarin het traject tot intrekking van die vergunning wordt ingezet, terwijl de beslissing tot tijdelijke sluiting nog van kracht is.

Gelet op het imperatieve karakter van artikel 31 van de DHW is voor de vraag of verweerder gehouden is tot intrekking van een drank- en horecavergunning uitsluitend bepalend of naar verweerders oordeel ten tijde van het nemen van de beslissing ten aanzien van de cafés van verzoekers sprake was van een situatie zoals die onder de d-grond is bepaald: dat de vrees gewettigd was, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid. De voorzieningenrechter beantwoordt die vraag bevestigd. Verweerder heeft de intrekking van de drank- en horecavergunningen naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter terecht kunnen doen steunen op de vele (gewelds-)incidenten in de cafés van verzoekers. Gelet op die voorgeschiedenis heeft verweerder op goede gronden aannemelijk geacht dat daarin van de zijde van verzoekers, ondanks de door hen te treffen of getroffen voorzieningen, weinig verandering is te verwachten. Verweerders conclusie dat de vrees bestaat, dat het van kracht blijven van de onderhavige vergunningen gevaar oplevert voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid, acht de voorzieningenrechter dan ook niet onjuist.

De voorzieningenrechter is voorts van oordeel, dat er in het onderhavige geval geen sprake

is van een situatie waarin verweerder niet binnen een redelijke termijn tot de intrekking van de drank- en horecavergunningen is gekomen. Immers het voornemen tot intrekking

d.d. 27 september 2012 is al van twee maanden na het incident op 27 juli 2012.

Aan de stelling van verzoekers dat zij – op grond van hetgeen verweerder in correspondentie en tijdens de hoorzitting op 26 september 2012 kenbaar heeft gemaakt – er op mochten vertrouwen dat verweerder na de tijdelijke sluiting van hun cafés geen nadere sluiting-sancties zou nemen gaat de voorzieningenrechter voorbij. Weliswaar is in het kader van de tijdelijke sluiting kenbaar gemaakt, dat die maatregel bedoeld was om de loop uit hun cafés te halen en hen in staat te stellen om passende voorzieningen te treffen, echter die uitlatingen hebben uitsluitend betrekking op de door de burgemeester getroffen maatregel van tijdelijke sluiting en kunnen verweerder derhalve niet binden. Dit geldt temeer nu verweerders voornemen om tot intrekking van de drank- en horecavergunningen over te gaan slechts één dag na de hoorzitting aan verzoekers kenbaar is gemaakt.

Voorts kan in de onderhavige procedure geen gewicht worden toegekend aan de stelling

van verzoekers, dat zij zich diep in de schulden hebben moeten steken omdat de onderhavige cafés geen opbrengsten genereerden, maar enkel kosten. Het gaat in dit geding immers uitsluitend om verweerders besluiten om de drank- en horecavergunningen in te trekken, welke besluiten steunen op dwingendrechtelijke bepalingen, waarin verweerder niet de ruimte wordt gelaten om (financiële) belangen te wegen.

Dit geldt evenzeer voor de stelling van verzoekers, dat het aantal geweldsincidenten in het uitgaansgebied in Lelystad laatstelijk sterk is toegenomen, terwijl niet blijkt dat verweerder terzake daarvan voor andere horecaondernemers dezelfde maatregelen treft als bij verzoekers, waarmee zij impliciet aanvoeren dat verweerders intrekkingsbesluiten in strijd zijn met het gelijkheidbeginsel. Verzoekers hebben deze stelling immers niet met concrete gegevens of voorbeelden onderbouwd.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zullen verweerders besluiten, tot intrekking van de drank- en horecavergunningen voor de cafés Classic en Grand Café Upper Class, in bezwaar in stand blijven, als gevolg waarvan de verzoeken om schorsing daarvan niet kunnen worden gehonoreerd.

6. De verzoeken om een voorlopige voorzieningen worden daarom afgewezen.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening te treffen af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld, voorzieningenrechter, en door hem en R.K. Witteveen als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.