Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BY4611

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
29-11-2012
Datum publicatie
29-11-2012
Zaaknummer
Awb 12/2110 en 2131
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Oplegging last permanente bewoning van recreatiewoning te beëindigen; niet aangetoond reeds vanaf 2001 woonachtig te zijn op het recreatiepark; beroep op overgangsrecht slaagt niet; beroep ongegrond en afwijzing verzoek om voorlopige voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht

Registratienummer: Awb 12/2110 en 2131

uitspraak van de voorzieningenrechter in het geding tussen

[…] en […],

beide wonende te Zeewolde, verzoekers,

gemachtigde: mw. J. Zwiers, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden,

en

het college van burgemeester en wethouders van Zeewolde,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 17 april 2012 heeft verweerder verzoekers gelast het met het bestemmings-plan “Buitengebied” (verder: het bestemmingsplan) strijdige gebruik van hun recreatie-woning aan de Wielseweg […]) te Zeewolde, waaronder in ieder geval wordt begrepen de permanente bewoning, vóór 1 december 2012 te doen (of te laten) beëindigen en beëindigd te houden. Verweerder heeft aan deze last een dwangsom verbonden van

€ 5000,00 voor elke maand of deel van de maand dat de overtreding voortduurt, te rekenen vanaf laatstgenoemde datum, met een maximum van € 25.000,00. Verzoekers hebben tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.

Bij besluit van 4 september 2012 heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard.

Verzoekers hebben op 8 oktober 2012 tegen dit besluit beroep ingesteld.

Op 15 oktober 2012 hebben verzoekers verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat de begunstigingstermijn wordt opgeschort.

Het verzoek is ter zitting van 22 november 2012 behandeld. Verzoekers zijn verschenen bijgestaan door hun gemachtigde, voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoor-digen door mw. mr. S. van Sintmaartensdijk-Patijn en T. van Zoonen.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Bij de vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

Op grond van artikel 8:86 van de Awb is de voorzieningenrechter bevoegd onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting bedoeld in artikel 8:83, eerste lid van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.

Gelet op het feit dat verzoekers de bewoning van de recreatiewoning vóór 1 december 2012

dienen te beëindigen is de voorzieningenrechter van oordeel dat reeds hierom verzoekers een spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening niet kunnen worden ontzegd.

De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat de feiten en omstandigheden in de hoofdzaak geen nader onderzoek vergen. De voorzieningenrechter zal dan ook onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

2. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet.

3. Op grond van de eerste herziening van het bestemmingsplan rust op het perceel van verzoekers op het recreatieterrein Flevonatuur de bestemming “verblijfsrecreatie”.

Ingevolge het bepaalde in artikel 9, eerste lid, van de bestemmingsplanvoorschriften zijn de als zodanig aangegeven gronden uitsluitend bestemd voor het bedrijfsmatig exploiteren van verblijfsrecreatie.

Op grond van artikel 22, eerste lid, van de planvoorschriften is het verboden de in het plan begrepen gronden te gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de in het plan aan deze gronden en bouwwerken gegeven bestemming.

Op grond van artikel 9. derde lid onder b, onder 1, van de planvoorschriften wordt onder verboden gebruik als bedoeld in het eerste lid van artikel 22 in elk geval verstaan: het gebruik ten behoeve van permanente bewoning. Op grond van artikel 1 aanhef en onder mm. wordt onder permanente bewoning verstaan: bewoning van een verblijf als hoofdverblijf.

4. Verzoekers hebben – samengevat – aangevoerd dat zij door de opgelegde last en de daar-bij behorende termijn in financiële problemen komen. De recreatiewoning wordt te koop gezet, maar de verkoop zal zeker niet plaats vinden voor 1 december 2012. Verzoekers heb-ben een huisnummer gekregen en ontvangen ook zelf de post. Verzoekers zijn nimmer op de hoogte gesteld van het beleid met betrekking tot permanente bewoning, ondanks het feit dat verzoekers al vanaf 2001 op het park wonen.

5. Verzoekers hebben niet bestreden dat de recreatiewoning tot hun eigendom behoort en zij met ingang van 26 oktober 2005 in de gemeentelijke basisadministratie (GBA) staan ingeschreven op het adres Wielseweg […]te Zeewolde. Verder beschikken verzoekers op dit moment niet over een gedoogverklaring.

De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat vast is komen te staan dat verzoekers sinds 26 oktober 2005 hun hoofdverblijf hebben in de recreatiewoning/chalet.

6. De voorzieningenrechter concludeert daarom dat sprake is van overtreding van genoemde planvoorschriften, zodat verweerder bevoegd was om handhavend op te treden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren, dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan hand-havend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

7. Met betrekking tot de vraag of sprake is van concreet zicht op legalisatie overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Verweerder heeft op 26 augustus 2003 de “notitie permanente bewoning van recreatiever-blijven” (verder: de Notitie) gepubliceerd. In navolging op deze notitie heeft verweerder op 23 september 2003 ingestemd met de “regeling Flevonatuur, beëindiging permanente bewoning recreatieverblijven” (verder: de Regeling). De Regeling houdt in dat alle bewoners die na 1 januari 1988 en vóór 26 augustus 2003 op het park zijn gaan wonen een persoonlijke gedoogverklaring krijgen.

Verzoekers hebben naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende aangetoond dat zij reeds vanaf 2001 woonachtig zouden zijn op Flevonatuur. Met name de overlegde energienota’s wijzen er niet op dat de recreatiewoning vanaf 2001 door verzoekers perma-nent werd bewoond, terwijl ook de voorzieningenrechter niet aan de verklaringen van bewoners van Flevonatuur de waarde kan hechten, zoals verzoekers dit wensen nu het voor deze bewoners moeilijk vast te stellen zal zijn of er mensen permanent op een bepaald adres wonen dan wel dat er sprake is van een regelmatig recreatief verblijf. De voorzieningenrechter merkt in dit verband op dat het ook aannemelijk is dat verzoekers zich eerst met ingang van 26 oktober 2005 hebben laten inschrijven nu zij op dat moment hun woning in Elst hadden verkocht. Gelet op genoemd beleid komen verzoekers daarom naar verwachting niet in aanmerking voor een persoonlijke gedoogverklaring.

8. Dat het bij verzoekers niet bekend was dat zij een gedoogverklaring konden aanvragen, komt de voorzieningenrechter reeds hierom weinig aannemelijk voor nu de Regeling is gepubliceerd in het blad “Zeewolde aktueel” van 26 augustus 2003 en in ditzelfde blad begin maart 2005 een oproep is geplaatst, waarbij alle bewoners van de recreatieterrein Flevonatuur nog eens zijn uitgenodigd een persoonsgebonden gedoogbeschikking aan te vragen. Voorts is de voorzieningenrechter van oordeel dat het voor de hand zou hebben gelegen dat verzoekers bij het aanvragen van de bouwvergunning voor hun huidige chalet specifiek aan verweerder zouden hebben gevraagd of permanente bewoning was toegestaan. Overigens is het de voorzieningenrechter in dit verband opgevallen dat verzoekers bij het aanvragen van deze vergunning hebben aangegeven dat de woning slechts recreatief gebruikt zou worden. Niet in geschil is verder dat verweerder niet bereid is om mee te werken aan het verlenen van een omgevingsvergunning. Er is daarom geen concreet zicht op legalisatie.

9. Dat, naar verzoekers onder meer hebben betoogd, zij al zeer geruime tijd in de recreatie-woning wonen, staat niet aan de weg aan handhavend optreden. Blijkens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS: onder meer de uitspraak van 21 juli 2010, LJN-nummer:BN1883) vormt het enkele tijdsverloop, ongeacht de duur daarvan, geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan verweerder van handhavend optreden had behoren af te zien.

10.1. Niettemin leest de voorzieningenrechter in dit ook al in de bezwaarprocedure aange-voerde argument (het vanaf 2001 vrijwel onafgebroken woonachtig zijn op Flevonatuur() een door verzoekers impliciet gedaan beroep op het zogenaamde overgangsrecht gebruik van het bestemmingsplan.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder dit argument ten onrechte niet bij zijn overwegingen in bezwaar heeft betrokken, zodat het besluit van 4 september 2012 om deze reden wegens strijd met het in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb neergelegde motiverings-beginsel, voor vernietiging in aanmerking komt.

De voorzieningenrechter zal bezien of, gelet op de mogelijkheid van finale geschilbeslech-ting, aanleiding bestaat om met toepassing van het bepaalde in artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

10.2. Artikel 23, lid 2 sub a van het bestemmingsplan bepaalt dat het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

De eerste herziening van het bestemmingsplan is in werking getreden, nadat de bewoning door verzoekers is aangevangen. De goedkeuring van deze planherziening door Gedepu-teerde Staten dateert immers van 28 oktober 2008.

10.3. Artikel 23, lid 2 sub d bepaalt dat het bepaalde onder a. niet van toepassing is op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Op grond van de planvoorschriften van het voorheen geldende bestemmingsplan “Randmeergebied”, alsmede het gestelde op bladzijde 10 van de Notitie is voor de voorzieningenrechter voldoende vast komen te staan dat het permanent bewonen van een recreatiewoning ook op grond van het bestemmingsplan “Randmeergebied” niet was toegestaan. Het door verzoekers impliciet gedane beroep op het overgangsrecht kan dan ook niet slagen.

11. Voor zover verzoekers hebben betoogd dat verweerder, gelet op hun financiële situatie, van handhaving had moeten afzien, wordt overwogen dat, zoals de AbRS eerder heeft over-wogen, de omstandigheid dat handhavend optreden mogelijk ernstige financiële gevolgen heeft voor degene, ten laste van wie wordt gehandhaafd, geen grond biedt voor het oordeel dat dit optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat het bestuursorgaan daarvan om die reden behoort af te zien.

12. Ten aanzien van de permanente bewoning van recreatieverblijven voert verweerder beleid dat is neergelegd in de Notitie. Hierin is vermeld dat betrokkenen nadat men in de gelegenheid is gesteld een zienswijze te geven, een half jaar de tijd krijgen om andere woonruimte te zoeken. De rechtbank heeft dit beleid op dit punt reeds eerder niet onredelijk

gacht. De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen sprake is van bijzondere omstandig-heden, waarin verweerder in het geval van verzoekers aanleiding had moeten zien van het gevoerde beleid af te wijken. Het feit dat verzoekers alsnog een gedoogverklaring hebben aangevraagd en hierop nog door verweerder moet worden beslist, heeft de voorzieningen-rechter geen aanleiding gegeven een ander standpunt in te nemen nu, zoals eerder gezegd, naar verwachting verzoekers niet op basis van de aangedragen gegevens door verweerder alsnog voor deze verklaring in aanmerking zullen worden gebracht,

Het beroep is gelet op hetgeen onder 10.1 is overwogen gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De voorzieningenrechter ziet evenwel aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zullen blijven.

Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

14. Voorts ziet de voorzieningenrechter aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die verzoekers in verband met de behandeling van de zaak redelijkerwijs hebben moeten maken. Deze kosten zijn, op basis van toekenning van 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, begroot op € 874,--, als kosten van verleende rechtsbijstand.

Tenslotte wordt bepaald dat verweerder het door verzoekers betaalde griffierecht in de bodemprocedure ad € 156,-- aan hen vergoedt.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

-bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven;

-wijst het verzoek een voorlopige voorziening te treffen af;

- veroordeelt verweerder in de door verzoekers gemaakte proceskosten tot een bedrag van 874,---, te voldoen aan verzoekers;

- gelast dat verweerder het door verzoekers betaalde griffierecht ten bedrage van € 156,- aan hen vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.F. Bijloo voorzieningenrechter, en door hem en C. Kuiper als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open voor zover is beslist op het beroep. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

U kunt ook digitaal hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Kijk op www.raadvanstate.nl voor meer informatie over het indienen van digitaal beroep