Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BY3414

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
26-09-2012
Datum publicatie
19-11-2012
Zaaknummer
190821
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurder en indirect bestuurder worden met succes aangesproken door 2 ex-werknemers omdat zij de ex-werkgeefster/B.V. failliet hebben laten gaan met als enig doel om aldus snel en goedkoop van de arbeidsrechtelijke verplichting jegens eisers af te komen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RO 2013/13
Prg. 2013/24
RI 2013/23
JONDR 2013/149
JOR 2013/81 met annotatie van mr. E. Loesberg
AR-Updates.nl 2012-1031
OR-Updates.nl 2012-0323
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

Locatie Zwolle

zaaknummer / rolnummer: 190821 / HZ ZA 11-1006

Vonnis van 26 september 2012

in de zaak van

1.[eiser sub 1],

en

2. [eiser sub 2],

beiden wonende te [woonplaats],

eisers, hierna [eiser sub 1] en [eiser sub 2] te noemen,

advocaat mr. F.A.A.C. Traa CPL,

tegen

1.de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 1],

gevestigd te Meppel,

en

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

gedaagden, hie[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] te noemen,

advocaat mr. G.A. de Boer.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1

[eiser sub 1], geboren op [geboortedatum], en [eiser sub 2], geboren op [geboortedatum], zijn op 30 juli 2001 respectievelijk op 1 december 1999 in dienst getreden bij de besloten vennootschap Noordhuis Emmen B.V. (hierna verder Noordhuis Emmen te noemen) in de functie van chauffeur/monteur kantoormeubilair. In die functie dienden zij onder meer kantoormeubilair en kantoorartikelen te bezorgen alsmede kantoormeubilair te monteren. Het salaris van [eiser sub 1] bedroeg laatstelijk EUR 2.249,56 bruto per maand exclusief 8% vakantietoeslag. Het salaris van [eiser sub 2] bedroeg laatstelijk EUR 2.154,82 bruto per maand exclusief 8% vakantietoeslag.

2.2

Noordhuis Emmen is op 22 september 2009 op eigen aangifte in staat van faillissement verklaard en na het verbindend worden van de slotuitdelingslijst per 4 november 2010 ontbonden. Noordhuis Emmen behoorde met andere besloten vennootschappen, waaronder Noordhuis Meppel B.V., tot de Noordhuis Groep. De Noordhuis Groep legt zich toe op het leveren van, kort gezegd, kantoorbenodigdheden (waaronder meubilair) en aanverwante artikelen.

[gedaagde sub 1] was de enige bestuurder van Noordhuis Emmen (en de andere tot de Noordhuis Groep behorende vennootschappen). [gedaagde sub 2] is de enige bestuurder [gedaagde sub 1]. [gedaagde sub 2] was tevens (indirect) enig aandeelhouder van Noordhuis Emmen.

2.4

Op 3 juni 2009 heeft [gedaagde sub 2] (via [naam], bedrijfsleider bij de Noordhuis Groep) aan zowel [eiser sub 1] als [eiser sub 2] het voorstel gedaan om vanwege verslechterde bedrijfseconomische omstandigheden op grond waarvan hun functies niet meer rendabel waren de met hen gesloten arbeidsovereenkomsten met wederzijds goedvinden te beëindigen per 30 juni 2009. Dit voorstel hebben [eiser sub 1] en [eiser sub 2] afgewezen.

2.5

Op 5 juni 2009 heeft Noordhuis Emmen aan het UWV Werkbedrijf om toestemming verzocht om de arbeidsovereenkomsten met [eiser sub 1] en [eiser sub 2] op te mogen zeggen; dit op de gronden dat, kort gezegd, Noordhuis Emmen al jaren verlies lijdt, dat daarom op personeelskosten bespaard dient te worden en dat vanwege de drastisch afgenomen kantoormeubelverkoop het bezorgen en monteren van kantoormeubilair niet meer rendabel is. Na daartegen door [eiser sub 1] en [eiser sub 2] gevoerde verweren heeft het UWV Werkbedrijf bij beslissingen van 30 juli 2009 de verzochte toestemmingen geweigerd; dit om de reden dat Noordhuis Emmen personeel inhuurt via de sociale werkvoorziening en Noordhuis Emmen niet heeft onderzocht of de werkzaamheden die dit personeel verricht door Koeze en [eiser sub 1] verricht kunnen worden door hen te herplaatsen.

2.6

Op 4 september 2009 heeft de hierna onder 2.8 te noemen [naam] aan zowel [eiser sub 1] (die toen door [naam] thuis is bezocht) als [eiser sub 2] een schriftelijke overeenkomst tot beëindiging met wederzijds goedvinden per 30 september 2009 van de door hen met Noordhuis Emmen gesloten arbeidsovereenkomsten ter ondertekening voorgelegd. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben dit laatste geweigerd.

2.7

Op 10 september 2009 heeft [eiser sub 1] van Adviesbureau [naam] een e-mailbericht ontvangen. Daarin staat, kort gezegd, dat namens [naam] ter voorkoming van een door Noordhuis Emmen geplande faillissementsaanvraag voorgesteld wordt de arbeidsovereenkomst te ontbinden per 1 november 2009, onder aanvulling door Noordhuis Emmen van de ww-uitkering tot 100% tot en met 31 december 2009 en onder opneming van een wederindiensttredingsregeling. [eiser sub 1] is niet met dit voorstel akkoord gegaan.

2.8

Op 22 september 2009 is Noordhuis Emmen op eigen aangifte (door [gedaagde sub 2]) failliet verklaard. Op 5 oktober 2009 heeft een doorstart van de onderneming van Noordhuis Emmen plaatsgevonden. De activa van Noordhuis Emmen -behoudens de vorderingen- zijn toen gekocht door de op 5 oktober 2009 opgerichte besloten vennootschap Noordhuis Kantoorspecialisten Emmen B.V. (hierna verder Noordhuis Kantoorspecialisten Emmen te noemen). Enig aandeelhouder en bestuurder van Noordhuis Kantoorspecialisten Emmen is [naam] Holding B.V. [naam] is enig aandeelhouder en bestuurder van [naam] Holding B.V.

2.9

Aan alle vijf werknemers, die op het moment van haar faillietverklaring bij Noordhuis Emmen in dienst waren, is door Noordhuis Kantoorspecialisten Emmen direct na de overname van de activa van Noordhuis Emmen een nieuwe arbeidsovereenkomst aangeboden, met uitzondering van [eiser sub 2] en [eiser sub 1].

3. Het geschil

3.1.

[eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben gevorderd dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorr[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk worden veroordeeld om 1) aan [eiser sub 1] te betalen een bedrag van EUR 48.590,40 bruto, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 23 september 2009 tot aan de dag der algehele voldoening en 2) aan [eiser sub 2] te betalen een bedrag van EUR 62.834,67 bruto, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 23 september 2009 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in de proceskosten.

3.2

Aan hun vorderingen is door [eiser sub 1] en [eiser sub 2] ten grondslag gelegd dat [gedaagde sub 2][gedaagde sub 1] misbruik van recht hebben gemaakt door het faillissement van Noordhuis Emmen aan te vragen. In het licht van de door hen geschetste omstandigheden is de faillissementsaangifte volgens [eiser sub 1] en [eiser sub 2] enkel gedaan om zonder veel kosten van de arbeidrechtelijke verplichtingen jegens hen af te komen teneinde vervolgens de activa van Noordhuis Emmen te kunnen verkopen aan [naam]. Daarmee hebben [gedaagde sub 2][gedaagde sub 1] onrechtmatig gehandeld jegens [eiser sub 1] en [eiser sub 2]. Zij dienen de als gevolg daarvan door [eiser sub 1] en [eiser sub 2] geleden schade te vergoeden. Zonder faillissement was er een goede kans geweest dat zij hun arbeidsovereenkomst zouden hebben behouden. [gedaagde sub 2][gedaagde sub 1] hadden volgens hen een ontbindingsprocedure moeten voeren. Daarin zouden [eiser sub 1] en [eiser sub 2] zich dan hebben kunnen verweren. Ter bepaling van de hoogte van de schadevergoeding dient volgens [eiser sub 1] en [eiser sub 2] dan ook aansluiting te worden gezocht bij de kantonrechtersformule waarbij de correctiefactor op 2 wordt gesteld, hetgeen tot toewijzing van de gevorderde schadebedragen dient te leiden, aldus [eiser sub 1] en [eiser sub 2].

3.3

[gedaagde sub 2][gedaagde sub 1] hebben betwist dat zij door het doen van de faillissementsaangifte van Noordhuis Emmen misbuik van recht hebben gemaakt. Zij hebben dan ook niet onrechtmatig gehandeld. De eigen aangifte is volgens hen gedaan, omdat Noordhuis Emmen al jaren verlieslijdend was en de moeder- en zustervennootschappen de verliesfinanciering hadden stopgezet. Noordhuis Emmen verkeerde daardoor in de situatie dat zij had opgehouden te betalen. Met de eigen aangifte is niet beoogd om van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] af te komen. [gedaagde sub 2] had kosten willen besparen door de functies van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] op te heffen. Hij wilde de aflevering en montage van meubilair (goedkoper) uitbesteden. Toen [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hun medewerking aan de beëindiging van de arbeidsovereenkomsten echter weigerden en [gedaagde sub 2] ook bij het UWV Werkbedrijf bot ving, besloot hij tot het doen van de faillissementsaangifte. Daarna meldde zich echter [naam]. Deze wilde Noordhuis Emmen overnemen, zij het zonder [eiser sub 1] en [eiser sub 2]. Ook [naam] wilde besparen op de vervoers- en montagekosten. [naam] -tussen wiens onderneming en de vennootschappen van de Noordhuis Groep geen enkel concernrechtelijke relatie bestaat- heeft toen zelf -en niet in opdracht van of namens [gedaagde sub 2]- [eiser sub 2] en [eiser sub 1] benaderd met betrekking tot de beëindiging van hun respectieve arbeidsovereenkomsten. Toen hij er evenmin in slaagde [eiser sub 2] en [eiser sub 1] zover te krijgen, restte geen andere mogelijkheid dan het doen van de faillissementsaangifte, aldus [gedaagde sub 2][gedaagde sub 1].

4. De beoordeling

4.1.

Vooropgesteld wordt dat in een geval zoals het onderhavige, waarin de voormalige werknemers van een besloten vennootschap, die op eigen aangifte failliet is verklaard, de voormalige bestuurders daarvan aanspreken tot schadevergoeding uit onrechtmatige daad, omdat die eigen aangifte volgens die werknemers is gedaan teneinde zich van hen te kunnen ontdoen zonder de hen normaal toekomende arbeidsrechtelijke bescherming, beoordeeld zal moeten worden of de eigen aangifte in hoofdzaak met dat beoogde doel is gedaan. Of dit het geval is, zal moeten blijken uit de door de werknemers te stellen en, afhankelijk van het gevoerde verweer, zo nodig door hen te bewijzen feiten en omstandigheden. Als dat komt vast te staan, en die bestuurders hadden bovendien de volledige zeggenschap in de failliete vennootschap, zal het doen van de eigen aangifte door die bestuurders -ook al was de financiële situatie van de besloten vennootschap ten tijde van de aanvraag mogelijk faillissementswaardig- als onrechtmatig jegens die werknemers moeten worden aangemerkt. Alsdan zijn die bestuurders gehouden tot het vergoeden van de eventuele door de betreffende werknemers daardoor geleden schade.

4.2

Met betrekking tot de vraag of uit de feiten en omstandigheden van het onderhavige geval geconcludeerd kan worden dat het voornaamste, vooropgezette motief voor het doen van de aangifte tot faillietverklaring van Noordhuis Emmen is geweest om aldus snel en goedkoop van de arbeidsrechtelijke verplichtingen jegens [eiser sub 1] en Koese af te komen teneinde de onderneming van Noordhuis Emmen vervolgens te kunnen doorverkopen aan [naam], gelijk [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben gesteld en [gedaagde sub 2][gedaagde sub 1] hebben betwist, wordt geoordeeld dat die vraag bevestigend beantwoord dient te worden. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.3

a)

Vaststaat dat [gedaagde sub 2] op 3 juni 2009 aan [eiser sub 1] en [eiser sub 2] heeft voorgesteld de tussen hen en Noordhuis Emmen gesloten arbeidsovereenkomsten met wederzijds goedvinden te beëindigen vanwege het feit dat in verband met verslechterde bedrijfseconomische omstandigheden hun functies zouden komen te vervallen.

b)

Tevens staat vast dat toen [eiser sub 1] en [eiser sub 2] met dat voorstel niet akkoord gingen, [gedaagde sub 2] om dezelfde redenen geprobeerd heeft toestemming te verkrijgen van het UWV Werkbedrijf om die arbeidsovereenkomsten te mogen opzeggen.

c)

Voorts staat vast dat na de weigeringen van het UWV Werkbedrijf tot het geven van de verzochte toestemmingen, [eiser sub 1] en [eiser sub 2] op 4 september 2009 opnieuw zijn benaderd met een voorstel tot een beëindiging van de met Noordhuis Emmen gesloten arbeidsovereenkomsten met wederzijds goedvinden. Weliswaar is dit voorstel toen feitelijk gedaan door [naam], en niet door [gedaagde sub 2], maar dit wordt van ondergeschikte betekenis geacht. Niet, althans onvoldoende weersproken, is namelijk de stelling van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] dat [naam] daarbij handelde namens [gedaagde sub 2]. Zo hebben [eiser sub 1] en [eiser sub 2] immers onbetwist gesteld -zich daarbij onder meer beroepende op een overgelegde, hun standpunt bevestigende schriftelijke verklaring van de echtgenote van [eiser sub 1]- dat [naam] bij zijn bezoek aan [eiser sub 1] op 4 september 2009 heeft gezegd dat hij in opdracht van [gedaagde sub 2] kwam. Verder heeft [gedaagde sub 2] zijn stelling dat [naam] niet namens hem heeft gehandeld niet nader onderbouwd, bijvoorbeeld door een schriftelijke verklaring van [naam] over te leggen. Dit zou verwacht hebben mogen worden, met name ook nu [naam] aan [eiser sub 1] en aan [eiser sub 2] op 4 september 2009 overeenkomsten tot beëindiging van de respectieve tussen hen en Noordhuis Emmen gesloten arbeidsovereenkomsten heeft voorgelegd, die -blijkens de als producties 14a en 14b bij dagvaarding overgelegde afschriften daarvan-, zijn ondertekend door "J. [gedaagde sub 2], directeur". Daarbij komt dat [naam], naar [eiser sub 1] en [eiser sub 2] niet, althans onvoldoende betwist hebben aangevoerd, bij zijn bezoek aan [eiser sub 1] heeft gezegd dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] de hen voorgelegde beëindigingsovereenkomsten moesten tekenen, waarna [naam] de onderneming van Noordhuis Emmen zou overnemen met de resterende drie werknemers van Noordhuis Emmen, dat [gedaagde sub 2] het faillissement van Noordhuis Emmen zou aanvragen als [eiser sub 1] en [eiser sub 2] dat niet zouden doen, dat [naam] de onderneming van Noordhuis Emmen liever vóór dan ná een faillissement wilde overnemen en dat "dit kunstje" hem eerder ook gelukt was. Mede in dit licht bezien, en nu vaststaat dat [gedaagde sub 2] het faillissement van Noordhuis Emmen ook daadwerkelijk heeft aangevraagd en dat [naam], althans zijn onderneming Noordhuis Kantoorspecialisten Emmen B.V., ook daadwerkelijk de onderneming van Noordhuis Emmen heeft overgenomen, zonder [eiser sub 1] en [eiser sub 2], zoals [naam] dit vóór het faillissement van Noordhuis Emmen al wenste, zou van [gedaagde sub 2][gedaagde sub 1] een nadere onderbouwing verwacht hebben mogen worden van hun stelling dat [naam] niet namens [gedaagde sub 2] heeft gehandeld. Dit geldt temeer nu ook de inhoud van het overgelegde e-mailbericht van 10 september 2009 van Adviesbureau [naam] er op duidt dat het daarbij namens [naam] gedane beëindigingsvoorstel in samenspraak met [gedaagde sub 2] tot stand is gekomen. Kortom, het wordt er voor gehouden dat de door [naam] op 4 september 2009 gedane beëindigingsvoorstellen zijn gedaan namens [gedaagde sub 2], althans na overleg met en met instemming van hem.

d)

Voorts staat vast, zoals reeds is overwogen, dat de aankondiging van [naam] dat [gedaagde sub 2] het faillissement zou aanvragen van Noordhuis Emmen als [eiser sub 1] en [eiser sub 2] niet zouden meewerken aan de beëindiging van hun arbeidsovereenkomsten en dat hij Noordhuis Emmen in dat geval na het faillissement van Noordhuis Emmen zou overnemen, ook daadwerkelijk gerealiseerd is.

e)

Verder staat vast dat Noordhuis Emmen geen procedures bij de kantonrechter ex artikel 7:685 BW heeft gestart om de met [eiser sub 1] en [eiser sub 2] gesloten arbeidsovereenkomsten te doen beëindigen. Dit is vreemd, nu in elk geval in juni 2009 Noordhuis Emmen in de visie van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 2] Beheer nog levensvatbaar was zonder deze beide werknemers. Dit geldt temeer nu [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 2] Beheer hebben gesteld dat zij het niet eens zijn met de beslissingen van het UWV Werkbedrijf en dat zij de motiveringen van de betreffende afwijzingen onbegrijpelijk vinden. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt dan ook niet goed in te zien waarom zij niet eerst hebben gekozen voor het entameren van ontbindingsprocedures bij de kantonrechter. Alsdan zou dit mogelijk slechts negatieve arbeidsrechtelijke consequenties voor [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben gehad, terwijl een faillissement van Noordhuis Emmen tot gevolg zou hebben dat alle vijf werknemers hun baan zouden verliezen, terwijl dit bovendien het bedrijfsimago van de gehele Noordhuis Groep zou kunnen schaden.

f)

Voorts staat vast dat de onderneming van Noordhuis Emmen er ten tijde van de faillissementsaangifte niet florissant voorstond. Niet is weersproken dat de onderneming vanaf 2003 tot aan de datum van haar faillissement ieder jaar verlies leed. Naar [gedaagde sub 2][gedaagde sub 1] voorts onbetwist hebben betoogd was het eigen vermogen van Noordhuis Emmen van EUR 43.109,00 negatief in 2003 opgelopen naar EUR 400.000,00 negatief in 2008. Ging het financieel dus niet goed met Noordhuis Emmen ten tijde van de faillissementsaangifte, daarmee is nog niet gezegd dat het doen van de eigen faillissementsaangifte ook nodig was. [gedaagde sub 2][gedaagde sub 1] hebben weliswaar aangevoerd dat Noordhuis Emmen niet meer aan haar lopende en toekomstige verplichtingen kon voldoen, maar dit is in het licht van de onweersproken gebleven stellingen van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] dat het faillissementstekort slechts ongeveer EUR 10.000,00 bedroeg, dat dit is betaald door [gedaagde sub 2] en dat daarmee alle schuldeisers in het faillissement van Noordhuis Emmen zijn voldaan, onvoldoende onderbouwd. Welke schuldeisers precies ten tijde van de faillissementsaangifte niet meer betaald konden worden, hebben [gedaagde sub 2][gedaagde sub 1] ook niet gesteld, laat staan dat zij de namen van schuldeisers hebben genoemd, die toen opeisbare vorderingen hadden. Dit waren in elk geval niet de leveranciers, omdat deze, naar [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 2] Beheer bij conclusie van dupliek hebben aangevoerd, toen werden betaald door Noordhuis Meppel B.V.

Kortom, dat het ook nodig was om Noordhuis Emmen failliet te laten verklaren, is onvoldoende gebleken. Dit geldt te meer nu [gedaagde sub 2][gedaagde sub 1] hebben aangevoerd dat de oorzaak van het faillissement gelegen was in de feiten dat Noordhuis Emmen al jaren verlies leed en dat haar moeder- en zustervennootschappen hadden besloten de verliesfinanciering stop te zetten. [gedaagde sub 2], die het alleen voor het zeggen had binnen die moeder- en zustervennootschappen, had er ook voor kunnen kiezen de verliesfinanciering voort te laten duren, zoals hij al jarenlang de verliezen van Noordhuis Emmen had gefinancierd vanuit de andere vennootschappen van de Noordhuis Groep.

Tegen de achtergrond van de voormelde onder 4.3a) tot en met 4.3f) weergegeven feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, en gelet op de daarbij gegeven overwegingen, is voldoende komen vast te staan dat de aangifte van het faillissement van Noordhuis Emmen in hoofdzaak is gedaan om aldus gemakkelijk en goedkoop af te komen van de arbeidsrechtelijke verplichtingen jegens [eiser sub 1] en [eiser sub 2] teneinde de onderneming van Noordhuis Emmen te kunnen doorverkopen aan [naam].

Nu voorts [gedaagde sub 2][gedaagde sub 1] het alleen voor het zeggen hadden in Noordhuis Emmen hebben zij dan ook onrechtmatig gehandeld jegens [eiser sub 1] en [eiser sub 2]. Dat de financiële situatie van Noordhuis Emmen ten tijde van haar faillietverklaring faillissementswaardig was, doet daar niets aan af.

4.4

[gedaagde sub 2][gedaagde sub 1] zijn dan ook gehouden tot het vergoeden van de schade die [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben geleden ten gevolge van het feit dat Noordhuis Emmen op eigen aangifte failliet is verklaard. Die schade bestaat eruit dat zij tengevolge van het verlies van hun baan bij Noordhuis Emmen -naar zij onbetwist hebben aangevoerd- er in inkomen op achteruit gegaan zijn. Anders dan [eiser sub 1] en [eiser sub 2], is de rechtbank van oordeel dat bij de vaststelling van de omvang van die schade niet kan worden aangeknoopt bij de kantonrechtersformule. Ten eerste bestond er geen gehoudenheid voor Noordhuis Emmen om ontbindingsprocedures te starten. Voorts is het te speculatief om vast te stellen hetgeen een kantonrechter in een ontbindingsprocedure beslist zou hebben. Eventuele ontbindingsverzoeken hadden ook afgewezen kunnen worden. Bovendien strekt de ontbindingvergoeding ex artikel 7:685 lid 8 BW niet tot schadevergoeding, maar betreft dit een vergoeding naar billijkheid.

De gewone civiele regels met betrekking tot de begroting van schade(vergoeding) dienen dan ook te worden toegepast. Daarbij is artikel 6:97 BW het uitgangspunt.

4.5

Naar onweersproken is gesteld, is [eiser sub 1] na het faillissement van Noordhuis Emmen teruggevallen op een ww-uitkering en [eiser sub 2] op een zw-uitkering. Beiden zijn er ongeveer 30% in inkomen op achteruit gegaan. Dit is echter te weinig informatie om de schade van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] te kunnen begroten. Er is bijvoorbeeld niet gesteld of gebleken hoe lang zij die uitkeringen hebben gehad en of, en zo ja wanneer, zij elders weer aan de slag zijn gegaan. Ook is de aanduiding "ongeveer 30%" te onbepaald. Hoeveel de inkomensachteruitgang precies is, blijkt uit niets. De rechtbank zal dan ook een comparitie van partijen bevelen, met name om zich door [eiser sub 1] en [eiser sub 2] te laten informeren omtrent hun inkomensachteruitgang. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] worden verzocht dit deugdelijk, met stukken, te onderbouwen. Die comparitie zal tevens worden benut voor het beproeven van een minnelijke regeling. Zo [eiser sub 1] en [eiser sub 2] zich wensen te beroepen op stukken worden zij verzocht die uiterlijk twee weken voor de comparitiedatum aan de rechtbank en de wederpartij te doen toekomen.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen en ter beproeving van een minnelijke regeling op de terechtzitting van mr. M.J.C.M. Manders in het gerechtsgebouw te Zwolle aan de Luttenbergstraat 5 op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd,

5.2. bepaalt dat de partijen dan in persoon aanwezig moeten zijn,

5.3. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 10 oktober 2012 voor het opgeven van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten voor een zitting van de hele week, doch bij voorkeur op de maandagen en de dinsdagen in de maanden november en december 2012 alsmede januari 2013, waarna dag en uur van de comparitie zullen worden bepaald,

5.4. bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van de comparitie zelfstandig zal bepalen,

5.5. bepaalt dat na vaststelling van het tijdstip van de comparitie dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,

5.6. wijst partijen er op, dat voor de zitting anderhalf uur zal worden uitgetrokken,

5.7. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C.M. Manders, en in het openbaar uitgesproken op 26 september 2012.