Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BY3409

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
19-09-2012
Datum publicatie
19-11-2012
Zaaknummer
198361
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweren tegen vordering tot vervroegde onteigening afgewezen:

1) met meer m2 onteigend dan is toegewezen in onteigenings-KB (2.0, 4.3 & 4.4);

2) gedaagde, anders dan hij stelt, niet in staat tot zelfrealisatie zodat niet gezegd kan worden dat nut en noodzaak voor de onteigening ontbreekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

Locatie Zwolle

zaaknummer / rolnummer: 198361 / HZ ZA 12-136

Vonnis van 19 september 2012

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE DEVENTER,

zetelend te Deventer,

eiseres,

advocaat mr. P.L.G. Haccou te Arnhem,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. W.P. Keulers te Zoetermeer.

Partijen zullen hierna de gemeente en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de akte DP 2/12 - Verbeterd exemplaar - waarbij de verklaring als bedoeld in artikel 23 lid 2 van de Onteigeningwet van de burgemeester van de gemeente Deventer van 23 juni 2011, nr. RS/ORB/561550, alsmede de Staatscourant van 18 januari 2012, Nr. 1159, ter griffie van de rechtbank zijn gedeponeerd

- de beschikking van de rechtbank van 9 maart 2012

- het proces-verbaal van de op 19 april 2012 gehouden opneming door de deskundigen van de ligging en de gesteldheid van de te onteigenen onroerende zaak

- de dagvaarding met 1 productie (kaartblad)

- het exploot tot betekening van de dagvaarding aan de Coöperatieve Rabobank Zuid-Salland B.A., gevestigd te Deventer

- de conclusie van antwoord

- de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Bij Koninklijk Besluit van 2 december 2011, no. 11.002951, gepubliceerd in de Staatscourant van 18 januari 2012, Nr. 1159, is goedgevonden en verstaan dat ten behoeve van de uitvoering van bestemmingsplannen "Spijkvoorderenk" en "Spijkvoorderenk, 1e partiële herziening" van de gemeente Deventer ten name van die gemeente ter onteigening worden aangewezen de onroerende zaken, zoals aangeduid op de grondtekening (d.d. 12 oktober 2010, nr. 201004201) die ingevolge artikel 78 van de Onteigeningswet binnen de gemeente Deventer en bij het ministerie van Infrastructuur en Milieu, locatie Rijnstraat 8 te Den Haag, ter inzage heeft gelegen en voor zover deze zijn vermeld op de bij dit besluit behorende lijst, zulks met inachtneming van de afgewezen gedeelten van het verzoek zoals aangeduid op de afzonderlijke, bij dit besluit behorende kaart en lijst.

2.2. Gelet op voornoemde lijsten bij het Koninklijk Besluit is als te onteigenen perceelsgedeelte aangewezen:

Grondplan De te ontei- omschrijving perceels Kadastrale Tenaamstelling

nummer genen volgens grootte aanduiding

grootte kadastrale kadastrale gemeente registratie registratie Deventer

ha a ca ha a ca sectie perceel

nummer

7 00 43 40 Terrein 01 4 90 L 2194 [naam]

(akkerbouw) [gedaagde]

2.3. Het onder 2.2 vermelde perceel is belast met een recht van hypotheek ten behoeve van de Coöperatieve Rabobank Zuid-Salland B.A., rechtsopvolger van de in de hypotheekakte genoemde Coöperatieve Rabobank Deventer en Omstreken B.A, gevestigd te (7411 HV) Deventer. Van overige (beperkt) gerechtigden is niet gebleken.

2.4. De gemeente heeft op de voet van art. 54a en volgende van de Onteigeningswet ter griffie van deze rechtbank een verzoekschrift ingediend, strekkende tot opneming door de deskundige(n) van de ligging en de gesteldheid van het te onteigenen perceelsgedeelte voor de aanvang van het geding.

2.5. Bij beschikking van 9 maart 2012 heeft de rechtbank een drietal deskundigen en een rechter-commissaris benoemd en tevens een datum voor bedoelde opneming bepaald.

2.6. Op 19 april 2012 heeft de plaatsopneming plaatsgevonden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt.

2.7. De eigenaar van het te onteigenen perceelsgedeelte, [gedaagde], heeft van dit perceelsgedeelte een gedeelte ter grootte van 2.431 m2 in eigendom geleverd aan Megahome.nl Grond B.V. en Rotij Projecten B.V.(hierna gezamenlijk te noemen: Mega/Rotij)

2.8. De gemeente heeft [gedaagde] voor de afstand in eigendom, vrij van alle lasten en rechten, van een gedeelte van het kadastrale perceel gemeente Deventer sectie L nummer 2194, ter grootte van 2.191 m2, een bedrag aangeboden van EUR 87.092,25. De gemeente doet dit aanbod gestand en herhaalt dit.

3. Het geschil

3.1. De gemeente vordert dat de rechtbank op de voet van artikel 54 en volgende van de Onteigeningswet (verder: Ow) ten behoeve van de uitvoering van de bestemmingsplannen "Spijkvoorderenk" en "Spijkvoorderenk, 1e herziening" de vervroegde onteigening ten name van de gemeente en ten algemenen nutte van het onder 2.8 bedoelde perceelsgedeelte van 2.191 m2 van het door de Kroon ter onteigening aangewezen perceelsgedeelte zal uitspreken en voorts dat de rechtbank het bedrag van de schadeloosstelling zal bepalen.

3.2. De gemeente voert aan dat zij tevergeefs heeft getracht om met [gedaagde] in de minne tot overeenstemming te komen over de overdracht van het resterende gedeelte van het ter onteigening aangewezen perceelsgedeelte en dat zij ter schadeloosstelling [gedaagde] EUR 87.092,25 aanbiedt. Indien [gedaagde] dit aanbod niet aanvaardt en verder geprocedeeerd moet worden, is de gemeente bereid om bij wijze van voorschot 100 % van het aangeboden bedrag uit te betalen, onder de voorwaarde dat het alsdan stellen van een zekerheid achterwege kan blijven.

3.3. [gedaagde] vordert afwijzing van de vordering tot vervroegde onteigening en voert daartoe in essentie aan dat de gemeente een groter perceelsgedeelte wil onteigenen dan is toegewezen bij het Koninklijk Besluit - dat wil zeggen 282 m2 méér - hetgeen de gemeente derhalve niet vrijstaat, alsmede dat geen nut en noodzaak voor de onteigening bestaat omdat hij bereid en in staat is tot zelfrealisatie van de door de gemeente beoogde bestemming, gelet op de overwegingen daaromtrent van de Kroon.

3.4. [gedaagde] verwerpt voorts de hem aangeboden schadeloosstelling en meent dat bij de berekening hiervan een tweetal elementen dient te worden betrokken, te weten de waarde van de grond op basis van het feitelijk gebruik daarvan als industriegrond alsmede bijkomende schade door gederfde ontwikkelingswinst.

4. De beoordeling

4.1. Als maatstaf voor de beoordeling heeft het volgende te gelden. Tot de in de Ow aan de burgerlijke rechter opgedragen taak behoort niet de beoordeling - naar het tijdstip van de uitspraak - van de vraag naar het algemene nut van het voorgenomen werk en de omvang daarvan, naar de plaats waar het werk tot uitvoering moet komen, naar de voor de uitvoering van dat werk benodigde grond met nauwkeurige aanwijzing van de desbetreffende terreinen en naar de noodzaak om tot onteigening over te gaan, noch de afweging van de bij dit een en ander betrokken belangen; de beoordeling van die vragen is overgelaten aan het bestuur. Het is de taak van de burgerlijke rechter om de rechtmatigheid van het onteigeningsbesluit te toetsen en wel naar de situatie ten tijde van dat besluit, en dat op grondslag van de al bij het bestuur (in dit geval de Kroon) tegen de onteigening naar voren gebrachte bezwaren. Voor een zelfstandige beoordeling door de onteigeningsrechter van de noodzaak tot onteigening naar het tijdstip van de uitspraak is echter wel plaats, indien wat gedaagde daaromtrent aanvoert meebrengt, dat de onteigening in het licht van na het onteigeningsbesluit gewijzigde of aan het licht gekomen omstandigheden aan de zijde van de onteigenende partij in strijd is met het recht, omdat de onteigening niet (meer) geschiedt ten behoeve van het doel waarvoor volgens het onteigeningsbesluit onteigend wordt, of omdat ten gevolge van gewijzigde inzichten met betrekking tot de uitvoering van een aan de onteigening ten grondslag liggend besluit of plan niet (meer) kan worden gezegd dat de onteigening geschiedt ter uitvoering daarvan.

4.2. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat voor de omvang van de te onteigenen gronden moet worden uitgegaan van de te onteigenen oppervlakte zoals in het KB aangegeven, met inachtneming van grond die bij het KB niet voor onteigening is aangewezen. Voor een nadere beoordeling van de benodigde hoeveelheid te onteigenen gronden door de rechter in het kader van de vordering tot onteigening is zijns inziens geen plaats.

4.3. [gedaagde] gaat uit van de volgens het KB te onteigenen oppervlakte van 4.340 m2 van het kadastrale perceel L 2194, brengt daarop in mindering een oppervlakte van 2.431 m2, zijnde de oppervlakte van genoemd perceel dat na het KB door [gedaagde] aan Mega/Rotij is verkocht en geleverd, en stelt dat derhalve ter onteigening van [gedaagde] resteert een perceel ter grootte van 1.909 m2, en derhalve niet van 2.191 m2, waarvan de gemeente onteigening vordert.

4.4. De rechtbank volgt [gedaagde] niet in diens benadering. De Kroon heeft de onteigening met betrekking tot het kadastrale perceel L 2194 toegewezen tot een oppervlakte van 4.340 m2. In aanmerking genomen de levering van een deel van deze oppervlakte door [gedaagde] aan Rotij/Mega, valt het volgens het KB te onteigenen perceelsgedeelte uiteen in twee gedeelten, namelijk in het verkochte deel van 2.431 m2 en in een aan [gedaagde] in eigendom blijvend deel van 2.191 m2. Optelling van deze oppervlakten levert een totale oppervlakte op van 4.622 m2, zijnde méér dan genoemde oppervlakte van 4.340 m2. De rechtbank verbindt hieraan evenwel niet het oordeel dat, waar het de gevorderde onteigening van 2.191 m2 betreft, gesteld zou moeten worden dat hiervan een oppervlakte van 282 m2

deel uitmaakt, waarvoor de onteigening niet is toegewezen. [gedaagde] heeft op geen enkele wijze duidelijk gemaakt, dat de gestelde "over-onteigening" (enkel) zou moeten worden toegerekend aan het aan [gedaagde] resterende deel van het in totaal te onteigenen grondoppervlakte volgens het KB, ofwel geen deel zou kunnen uitmaken van, of niet zou moeten worden toegerekend aan, het door [gedaagde] verkochte gedeelte. Integendeel, [gedaagde] heeft verklaard niet te kunnen aangeven waar deze 282 m2 zouden moeten liggen. De rechtbank stelt dan ook vast dat de thans te onteigenen oppervlakte niet groter is dan het door de Kroon ter onteigening aangewezen oppervlak (van perceel L 2194), terwijl gesteld noch gebleken is dat de betreffende 2.191 m2 geheel of gedeeltelijk zou samenvallen met het door de Kroon nader op tekening met arcering aangeven gebied, waarvan onteigening niet is toegewezen.

4.5. Het vorenstaande leidt de rechtbank tot het oordeel, dat de door de gemeente gevorderde onteigening niet in strijd moet worden geacht met de door de Kroon toegewezen onteigening. Hetgeen [gedaagde] daartoe heeft aangevoerd, faalt derhalve. De conclusie van [gedaagde] dat de vordering van de onteigening afgewezen zou moeten worden, acht de rechtbank dan ook onvoldoende onderbouwd.

4.6. Ten aanzien van de stelling van [gedaagde] dat nut en noodzaak voor de onteigening ontbreekt nu hij in staat en bereid is tot zelfrealisatie overweegt de rechtbank dat, voor zover [gedaagde] hierin een grond ziet om de vordering tot onteigening af te wijzen, deze stelling moet worden verworpen.

4.7. [gedaagde] beroept zich voor zijn zelfrealisatieverweer op de overwegingen in het KB met betrekking tot de daarin aangeduide "reclamanten sub 2", waartoe [gedaagde] behoorde.

Dit verweer gaat echter niet op, waartoe de rechtbank het volgende overweegt.

4.8. In de eerste plaats geldt dat met betrekking tot de grondpositie, waarop de onderhavige onteigeningsvordering betrekking heeft, in het kader van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, geen zienswijze is ingediend, waarin [gedaagde] zich beroept op zelfrealisatie. Vaste jurisprudentie brengt in die omstandigheid mee dat bedoeld verweer van [gedaagde] bij de toetsing van de voorliggende vordering niet meer ter beoordeling van de noodzaak van de onteigening kan dienen, behoudens voor zover wordt aangevoerd dat de bezwaren tegen de onteigening wegens gewijzigde of gebleken omstandigheden aan de zijde van de gemeente, inhoudende een wijziging van het doel van de onteigening of gewijzigde inzichten ter zake van de uitvoering van het plan waarvoor wordt onteigend, aan de rechtmatigheid van de onteigening in de weg staan.

[gedaagde] heeft hieromtrent in zijn verweer niets gesteld.

4.9. Daarenboven overweegt de rechtbank - ten overvloede - dat de overwegingen van de Kroon, voor zover daaruit moet worden afgeleid dat reclamanten sub 2 in staat en bereid zijn om de hun in de onteigening betrokken gronden zelf te realiseren, niet geacht kunnen worden [gedaagde] te gelden. Reeds niet in verband met de vorige rechtsoverweging, maar evenmin omdat de Kroonoverwegingen, waar deze in dit verband melding maken van reclamanten 2, naar haar oordeel (enkel) betrekking (kunnen) hebben op de daaronder begrepen reclamanten Mega/Rotij en niet op grondeigenaar [gedaagde], daar de overwegingen bepaaldelijk zien op de hoedanigheden (van de reclamanten) als (project)ontwikkelaars en bouwers, over het beschikken over voldoende kennis, ervaring en kapitaal en over het bezitten van voldoende aaneengesloten gronden om het bestemmingsplan zelf te kunnen uitvoeren. Van dit laatste is reeds in ieder geval geen sprake, voor zover het betreft het thans van [gedaagde] te onteigenen perceelsgedeelte, nu dit gedeelte slechts halve kavels voor woningbouw omvat.

In het verlengde van de Kroonoverweging is de onteigening ook slechts voor een gedeelte van de grond van [gedaagde] afgewezen, namelijk voor zover grond betreft, ten aanzien waarvan zelfrealisatie door Mega/Rotij is aanvaard.

4.10. De formaliteiten en termijnen bij de wet voorgeschreven zijn in acht genomen.

4.11. Op grond van het vorenstaande zal de rechtbank de vordering van gemeente een vervroegde uitspraak over het ter onteigening aangewezen perceelsgedeelte, als in de dagvaarding aangegeven, te geven, toewijzen.

4.12. Nu [gedaagde] het aanbod van de gemeente ter zake van de schadeloosstelling heeft verworpen, zal de rechtbank voorts overeenkomstig het bepaalde in artikel 54j juncto artikel 27 van de Ow aan de reeds benoemde deskundigen opdracht geven tot begroting van de schadeloosstelling.

4.13. De rechtbank stelt vast dat de in de dagvaarding aangeduide, ter onteigening aangewezen onroerende zaak voor het betreffende gedeelte dezelfde is als de onroerende zaak waarop de onder de feiten vermelde opneming betrekking heeft gehad. Een nieuwe opneming zal niet worden bevolen.

De datum waarop de nederlegging van het deskundigenrapport zal moeten plaats vinden, zal worden vastgesteld op 31 oktober 2012.

4.14. Het voorschot op de schadeloosstelling wordt, gelet op de daaromtrent door de gemeente in de dagvaarding uitgesproken bereidheid, bepaald op 100 % van het door de gemeente aan [gedaagde] aangeboden bedrag van EUR 87.092,25. Het vaststellen van een som als zekerheid voor de voldoening van de aan [gedaagde] verschuldigde schadeloosstelling kan achterwege blijven.

4.15. Als na te melden zal een nieuwsblad worden aangewezen, waarin dit vonnis, nadat het kracht van gewijsde heeft verkregen, bij uittreksel door de griffier zal worden geplaatst.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. spreekt uit ten algemenen nutte en ten name van de gemeente de onteigening, vrij van alle lasten en rechten, van

Grondplan- van het perceel kadastraal

nummer te onteigenen grootte bekend gemeente Deventer ter grootte van

7 00.21.91 ha sectie L, nr. 2194 01.04.90 ha,

zoals in gele kleur weergegeven op de aan dit vonnis gehechte tekening, overeenkomend met het als productie 1 bij de dagvaarding overgelegd kaartblad, staande ten name van [gedaagde],

5.2. bepaalt het voorschot op de schadeloosstelling voor [gedaagde] op EUR 87.092,25 (zevenentachtigduizend tweeënnegentig euro en vijfentwintig eurocent),

5.3. draagt de reeds benoemde deskundigen op de schadeloosstelling voor [gedaagde] te begroten,

5.4. draagt de deskundigen op uiterlijk 31 oktober 2012 een ondertekend deskundigenrapport ter griffie van de rechtbank in te leveren,

5.5. wijst de Stentor/editie Deventer aan als het nieuwsblad waarin overeenkomstig artikel 54 Ow een uittreksel van dit vonnis door de griffier geplaatst dient te worden,

5.6. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.S. Lebens-de Mug, mr. H.C. Moorman en mr. W.J.B. Cornelissen en in het openbaar uitgesproken op 19 september 2012.