Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BY1774

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
17-09-2012
Datum publicatie
18-01-2013
Zaaknummer
201661
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

- IPR

- beoordelingen (niet-IE)-bewijsbeslag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

Locatie Zwolle

zaaknummer / rolnummer: 201661 / KZ ZA 12-159

Vonnis in kort geding van 17 september 2012

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LIVADIA B.V., h.o.d.n. CORESUPPLY,

gevestigd te Wapserveen,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. J.G. Besling te Assen,

tegen

de rechtspersoon naar Engels recht

LEAR INDUSTRIES LIMITED,

gevestigd te Engeland en Wales (Verenigd Koninkrijk),

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. drs. W. Vos te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Livadia en Lear worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de eis in reconventie

- de wijziging van eis in reconventie

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van Livadia

- de pleitnota van Lear, waarin de wijziging van eis in reconventie.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Livadia, als verkoper, en Lear, als koper, hebben op 26 juni 2012 een koopovereenkomst gesloten ter zake een partij auto-onderdelen, voor een prijs van EUR 65.000,-.

2.2. Lear heeft na verkregen verlof van de voorzieningenrechter te Amsterdam, ten laste van Livadia op 18 juli 2012 conservatoir derdenbeslag doen leggen op de bankrekening van Livadia bij de ING Bank en op 25 juli 2012 conservatoir beslag doen leggen onder de schuldenaar, zijnde Livadia, op haar roerende zaken op de adressen [adres 1] en [adres 2] te Steenwijk.

2.3. Op 14 augustus 2012 heeft Lear Livadia gedagvaard voor de terechtzitting van de rechtbank Assen van 29 augustus 2012.

2.4. Na verkregen verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft Lear ten laste van Livadia conservatoir bewijsbeslag (niet intellectuele eigendomszaak) doen leggen op roerende zaken en een gedeelte van de financiële- en voorraadadministraties van Livadia.

2.5. Op 4 september 2012 heeft Lear nogmaals verlof verkregen van de voorzieningenrechter van deze rechtbank voor het leggen van conservatoir bewijsbeslag (niet intellectuele eigendomszaak) ten laste van Livadia op een gedeelte van de financiële- en voorraadadministraties van Livadia die zich op een andere locatie (zouden) bevinden.

3. Het geschil in conventie

3.1. Livadia vordert - uitvoerbaar bij voorraad:

1. Primair:

de conservatoire derdenbeslagen die Lear heeft doen leggen onder ING Bank en op de roerende goederen binnen de gemeente Steenwijkerland op de adressen [adres 2] en [adres 1] te Steenwijk en het conservatoir bewijsbeslag (niet-intellectuele eigendomszaak) wegens de ondeugdelijkheid van de gelegde beslagen op te heffen;

Subsidiair:

Lear te veroordelen om de conservatoire derdenbeslagen die Lear heeft doen leggen onder ING Bank en op de roerende goederen binnen de gemeente Steenwijkerland op de adressen [adres 2] en [adres 1] te Steenwijk en het conservatoir bewijsbeslag (niet-intellectuele eigendomszaak) wegens de ondeugdelijkheid van de gelegde beslagen binnen acht uren na betekening van dit vonnis op te heffen, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom groot EUR 10.000,- per dag;

en:

2. Lear te veroordelen tot teruggave aan Livadia van de originele bankgarantie ten bedrage van EUR 110.500,-, op straffe van verbeurte van een dwangsom groot EUR 10.000,- per dag;

althans:

3. Primair:

de conservatoire derdenbeslagen die Lear heeft doen leggen onder ING Bank en op de roerende goederen binnen de gemeente Steenwijkerland op de adressen [adres 2] en [adres 1] te Steenwijk en het conservatoir bewijsbeslag (niet-intellectuele eigendomszaak) op te heffen, zulks tegen zekerheidsstelling zijdens Livadia nu aan haar een bankgarantie is verstrekt ten bedrage van EUR 110.500,-;

Subsidiair:

Lear te veroordelen om de conservatoire derdenbeslagen die Lear heeft doen leggen onder ING Bank en op de roerende goederen binnen de gemeente Steenwijkerland op de adressen [adres 2] en [adres 1] te Steenwijk en het conservatoir bewijsbeslag (niet-intellectuele eigendomszaak) binnen acht uren na betekening van dit vonnis op te heffen, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom groot EUR 10.000,- per dag, zulks tegen zekerheidsstelling zijdens Livadia nu aan haar een bankgarantie is verstrekt ten bedragen van EUR 110.500,-;

en:

4. Lear te veroordelen om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis tegenzekerheid te stellen voor een bedrag van EUR 190.710,-, althans een ander in redelijkheid te bepalen bedrag en wanneer Lear dit nalaat op straffe van verval van de in punt 13 van de dagvaarding genoemde bankgarantie (voor zover de voorzieningenrechter al niet heeft geoordeeld dat er sprake is van ondeugdelijk gelegde beslagen) en met veroordeling van Lear om de originele bankgarantie ten bedrage van EUR 110.500 aan Livadia te retourneren op straffe van verbeurte van een dwangsom groot EUR 10.000,- per dag;

5. Lear te veroordelen in de proceskosten.

3.2. Lear voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. Het geschil in reconventie

4.1. Lear vordert na eiswijziging - uitvoerbaar bij voorraad:

a. Livadia te veroordelen tot betaling van een voorschot van EUR 65.000,- aan Lear, te vermeerderen met de wettelijke rente;

b. Livadia te veroordelen tot betaling van een voorschot van EUR 20.000,- aan Lear ter zake van gederfde winst, te vermeerderen met de wettelijke rente;

c. Livadia te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten, begroot op EUR 4.000,-;

d. Livadia te veroordelen tot betaling van de beslagkosten van EUR 6.903,-;

e. Livadia te veroordelen tot betaling van het griffierecht in de hoofdzaak van EUR 1.204,-;

f. Livadia te veroordelen in de proceskosten en de nakosten.

Voor het geval de reconventionele vorderingen - in ieder geval voor wat betreft de onderdelen a, d, e en f - niet worden toegewezen, vordert Lear om met betrekking tot de bewijsbeslagen waarvoor de voorzieningenrechter van deze rechtbank op 20 augustus 2012 en 4 september 2012 verlof heeft gegeven, te bevelen dat de deurwaarder alle tijdens het leggen van de bewijsbeslagen beschikbaar gekomen informatie ter kennis brengt van Lear.

4.2. Livadia voert verweer.

4.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. Bevoegdheid en toepasselijk recht

5.1. De zaak heeft een internationaalrechtelijk karakter vanwege het feit dat Lear is gevestigd in het Verenigd Koninkrijk en een rechtspersoon is naar Engels recht. De rechtsmacht van de Nederlandse rechter is evenwel door Lear - die in de procedure is verschenen - niet betwist. Partijen gaan klaarblijkelijk uit van de toepasselijkheid van het Nederlandse recht.

5.2. Voor zover nodig overweegt de voorzieningenrechter nog als volgt. Op grond van artikel 705 lid 1 Rv is de voorzieningenrechter die verlof tot het beslag heeft gegeven tevens bevoegd tot opheffing van dat beslag in een kort geding. Nu de voorzieningenrechter van deze rechtbank twee maal een verlof tot het leggen van bewijsbeslag heeft verleend, is daarmee zijn bevoegdheid gegeven.

5.3. Aangezien niet is gebleken dat partijen, nadat de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan, een rechtskeuze zijn overeengekomen ter zake van de niet-contractuele verbintenis waarop de vordering van Lear stoelt, zal de voorzieningenrechter voorts volledigheidshalve onderzoeken welk recht ter zake van deze verbintenis van toepassing is.

5.4. Ingevolge artikel 10 lid 1 van de Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II), wordt de niet-contractuele verbintenis die voortvloeit uit ongerechtvaardigde verrijking, waaronder begrepen onverschuldigde betaling, en die tevens verband houdt met een bestaande, nauw met die ongerechtvaardigde verrijking samenhangende betrekking tussen de partijen, zoals een overeenkomst of een onrechtmatige daad, beheerst door het recht dat op die betrekking van toepassing is.

5.5. Zowel naar regels van Nederlands internationaal privaatrecht als krachtens art. 4 van het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (EVO, Trb. 1980, 156) dient Nederland te gelden als het land waarmee de overeenkomst tussen partijen het nauwst verbonden is respectievelijk als het land waar de partij die de kenmerkende prestatie moest verrichten haar hoofdvestiging heeft. Uitzonderingen op die verdragsregel(s) als voorzien in dat zelfde artikel 4 EVO doen zich ten deze niet voor.

5.6. Aangezien op de betrekking tussen partijen derhalve Nederlands recht van toepassing is, wordt de vordering van Lear als betreffende een niet-contractuele verbintenis mitsdien beheerst door Nederlands recht.

6. De beoordeling in conventie

6.1. De opheffing van een conservatoir beslag kan onder meer worden bevolen, indien op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of, zo het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld.

6.2. Hoewel de opbouw van de vorderingen van Livadia, gelet op het gebruik van de woorden 'primair', 'subsidiair', 'en' en 'althans', de voorzieningenrechter aanstonds niet helder voorkomt, wordt Livadia zodanig begrepen dat zij primair een beroep doet op de ondeugdelijkheid van het door Lear ingeroepen recht, waarbij zij teruggave van de bankgarantie vordert, en dat zij subsidiair opheffing van de gelegde beslagen vordert tegen door haar reeds gestelde zekerheid, te weten de door haar aan Lear verstrekte bankgarantie, alsmede een 'tegenzekerheid' vordert vanwege een door Livadia jegens Lear gepretendeerde vordering.

6.3. Volgens art. 705 lid 2 Rv dient het beslag te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt. Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert om met inachtneming van de beperkingen van de voorzieningenprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of onnodig is (HR 14 juni 1996, NJ 1997/481). Er zal evenwel beslist moeten worden aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen, waarbij dient te worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder dient te wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag. De Hoge Raad heeft hier aan toegevoegd dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering zal kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade.

6.4. Lear heeft conservatoir beslag tot verhaal onder een derde alsmede onder de schuldenaar op roerende goederen doen leggen ter verzekering van verhaal van de door Lear gepretendeerde vordering tot betaling van EUR 65.000,- uit hoofde van onverschuldigde betaling alsmede van EUR 20.000,- zijnde gederfde winst. Lear heeft zich op het standpunt gesteld dat zij ter zake de aankoop van auto-onderdelen van Livadia weliswaar EUR 65.000,- heeft betaald maar dat deze zaken niet aan haar zijn geleverd.

Daarnaast heeft Lear conservatoir bewijsbeslag (niet-intellectuele eigendomszaak) doen leggen op de door Livadia aan haar verkochte roerende zaken, die zich beweerdelijk bevinden in de opslagruimten van Livadia aan de [adres 2] en [adres 3] te Steenwijk, alsmede op de voorraad- en financiële administraties van Livadia voor wat betreft de mutaties in de periode 26 juni 2012-5 juli 2012, voor zover het de onderdelen daaruit betreft die zien op de aankoop van Lear. Lear beoogt met deze bewijsbeslagen in de bodemprocedure tussen partijen, gezien het verweer van Livadia, aan te kunnen tonen dat de door haar gekochte zaken niet aan haar zijn geleverd en nog steeds bij Livadia aanwezig zijn, terwijl Lear een bedrag van EUR 65.000,- voor deze zaken aan Livadia heeft betaald.

6.5. Livadia heeft aangevoerd dat de litigieuze auto-onderdelen op 26 juni 2012 zijn ingeladen in de witte vrachtwagen met een Engels (zoals in de dagvaarding staat vermeld) dan wel buitenlands (zoals Livadia, in de persoon van De Boer, ter zitting heeft verklaard) kenteken. Ter onderbouwing van haar stelling dat de verkochte zaken aan Lear zijn geleverd, heeft Livadia een viertal schriftelijke verklaringen in het geding gebracht.

6.6. Tussen partijen is niet in geschil dat Lear een bedrag van EUR 65.000,- aan Livadia heeft betaald in verband met de onderhavige aankoop van auto-onderdelen.

6.7. Ter beoordeling ligt voor of summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door Lear ingeroepen recht blijkt. De stelling van Livadia dat de auto-onderdelen direct bij de aankoop op 26 juni 2012 aan Lear zijn geleverd doordat die zaken in de witte vrachtauto zijn ingeladen staat lijnrecht tegenover de bewering van Lear dat J. Lear op 26 juni 2012 de gekochte auto-onderdelen niet meteen heeft meegenomen, maar slechts een aantal samples in zijn eigen auto heeft geladen. Daarbij heeft Lear aangevoerd dat zij geen eigen, laat staan witte, vrachtauto's heeft met een Engels kenteken en dat zij haar transporten Nederland-Engeland altijd door Huisman Group B.V. te Nijmegen (die blauwe trucks heeft) laat verzorgen. Huisman Group heeft in juni-juli 2012 geen transporten vanaf Livadia naar Lear verzorgd, aldus Lear.

De door Livadia overgelegde verklaringen zijn door Lear uitdrukkelijk weersproken. Kern van dit verweer is dat geen van de (partij)getuigen verklaart dat de witte vrachtwagen van Lear was dan wel dat de in de witte vrachtwagen geladen zaken de door Lear op 26 juni 2012 gekochte zaken waren.

Verder heeft Lear, getuige haar verzoekschriften tot het leggen van beslag, betoogd dat op de foto's die de deurwaarder heeft genomen bij het leggen van het beslag op de voorraden van Livadia zichtbaar is dat de door Lear aangekochte zaken nog in de opslagruimte aan de [adres 2] en [adres 3] te Steenwijk zijn. Livadia heeft ontkend dat de aangekochte zaken op de foto's zichtbaar zijn. Lear is vervolgens ter zitting niet in staat geweest de onderhavige zaken aan te wijzen op (één van) de foto's.

6.8. Bij deze stand van zaken is ten aanzien van de vraag of de onderhavige auto-onderdelen al dan niet geleverd zijn (welke vraag voorafgaat aan de vraag of het door Lear ingeroepen recht al dan niet ondeugdelijk is) nadere bewijsvoering nodig, waarvoor in kort geding geen plaats is. Dit leidt ertoe dat Livadia de ondeugdelijkheid van de door Lear gepretendeerde vordering niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt, zodat in beginsel geen aanleiding bestaat de onderhavige beslagen, die zijn gelegd ter verzekering van het verhaal van die vordering in afwachting van de uitkomst van de bodemprocedure, op de aangevoerde grond op te heffen.

6.9. In het kader van de in rechtsoverweging 6.3 genoemde belangenafweging overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Conservatoir beslag op de handelsvoorraad heeft verstrekkende gevolgen. Immers, deze handelsvoorraad is naar zijn aard bestemd om te worden verkocht aan derden (waarna in het algemeen de voorraad opnieuw wordt aangevuld), zodat een conservatoir beslag op deze voorraad tot gevolg kan hebben dat de bedrijfsvoering feitelijk wordt stilgelegd.

Livadia heeft ter zitting aangevoerd dat zij ernstig wordt belemmerd in haar bedrijfsvoering omdat zij vanwege het beslag geen zaken aan potentiële klanten kan laten zien en ook niet kan verkopen. Lear heeft dit niet betwist. De voorzieningenrechter ziet dan ook aanleiding het conservatoir beslag op de handelsvoorraad op te heffen, te meer daar Livadia onbetwist heeft gesteld dat de waarde van de in beslag genomen roerende zaken ongeveer EUR 600.000,- bedraagt terwijl de vordering van Lear is begroot op een bedrag van EUR 110.500,-.

6.10. Ten aanzien van de gevraagde opheffing van het gelegde bewijsbeslag heeft Livadia slechts aangevoerd dat zij het 'niet prettig' vindt dat de concurrent, Lear, over bedrijfsgegevens komt te beschikken en dat Lear reeds beschikt over de stukken die de deurwaarder bij het bewijsbeslag heeft beslagen.

6.11. De vordering tot opheffing van het bewijsbeslag zal worden afgewezen. Lear heeft voldoende aannemelijk gemaakt belang te hebben bij het bewijsbeslag, aangezien zij hiermee beoogt in de bodemprocedure te kunnen aantonen dat de door haar gekochte auto-onderdelen niet aan haar zijn geleverd maar dat deze nog immer bij Livadia aanwezig zijn.

Daarbij komt dat het verlof tot bewijsbeslag is gegeven met de beperking dat het slechts een korte periode betreft (van 26 juni-5 juli 2012) en dat het slechts de onderdelen uit de financiële- en voorraadadministratie betreft die zien op de aankoop van Lear. Hiermee is de kans dat Lear bedrijfsgegevens onder ogen komt van andere klanten van Livadia zeer gering. De niet nader onderbouwde stelling van Livadia dat Lear reeds beschikt over de stukken omdat de deurwaarder deze reeds aan Lear ter beschikking heeft gesteld komt vooralsnog niet geloofwaardig over.

6.12. Subsidiair heeft Livadia zich op het standpunt gesteld dat de onderhavige derdenbeslagen dienen te worden opgeheven aangezien zij voldoende zekerheid heeft aangeboden en gesteld.

Lear acht de bankgarantie van onvoldoende vervangende zekerheid omdat de acceptatie van een dergelijke bankgarantie haar in een nadeliger verhaalspositie brengt ten opzichte van de door haar gelegde verhaalsbeslagen.

6.13. Uit artikel 705 lid 2 Rv volgt dat een beslag, zo het is gelegd voor een geldvordering, wordt opgeheven indien voor deze vordering voldoende zekerheid wordt gesteld. In artikel 6:51 lid 2 BW is bepaald dat de aangeboden zekerheid zodanig moet zijn dat de vordering en, zo daartoe gronden zijn, de daarop vallende rente en kosten behoorlijk gedekt zijn en dat de schuldeiser daarop zonder moeite verhaal zal kunnen nemen. Met Lear is de voorzieningenrechter van oordeel dat de bankgarantie van Livadia hieraan niet voldoet. Immers, met het verhaalsbeslag kan Lear, zodra zij over een toewijzend, bij voorraad uitvoerbaar verklaard vonnis komt te beschikken, tot tenuitvoerlegging van dat vonnis komen, zonder dat zij behoeft te wachten totdat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. In de bankgarantie is daarentegen opgenomen dat de bank pas tot uitkering overgaat als een toewijzend vonnis onherroepelijk is geworden. De bankgarantie kan in de verhouding tussen partijen derhalve niet als voldoende zekerheid worden aangemerkt en kan dan ook niet leiden tot opheffing van de derdenbeslagen. De vorderingen sub 3, zowel primair als subsidiair, zullen derhalve worden afgewezen.

6.14. Daarbij komt dat de vorderingen sub 2 en 3 niet begrijpelijk zijn in het licht van het betoog van Lear dat zij de bankgarantie reeds aan de ING Bank heeft geretourneerd, waarvan genoegzaam blijkt uit de als productie 14 overgelegde e-mail van Falk Koerier die de bankgarantie aan de ING Bank heeft aangeboden. Nu Lear voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij de bankgarantie heeft geretourneerd, ligt de vordering sub 2 tevens voor afwijzing gereed.

6.15. Tot slot heeft Livadia gevorderd Lear te veroordelen tot het stellen van 'tegenzekerheid' voor een bedrag van EUR 190.710,-. Deze vordering is door Livadia niet nader toegelicht terwijl ook overigens niet valt in te zien welke juridische grondslag Livadia bij deze vordering voor ogen staat. De vordering sub 4 zal dan ook worden afgewezen.

6.16. Livadia zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Lear worden begroot op:

- griffierecht EUR 575,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 904,00

Totaal EUR 1.479,00

7. De beoordeling in reconventie

7.1. Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op haar plaats. De rechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de rechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.

7.2. De reconventionele vorderingen sub a tot en met e zullen in dat licht worden afgewezen. Reeds in rechtsoverweging 6.7 is overwogen dat voor de beantwoording van de vraag of de onderhavige auto-onderdelen al dan niet geleverd zijn, welk antwoord van belang is voor de beoordeling van de vorderingen uit hoofde van onverschuldigde betaling, nadere bewijsvoering nodig is, waarvoor in kort geding evenwel geen plaats is.

7.3. Ten aanzien van de voorwaardelijke vordering in reconventie heeft Lear aangevoerd belang te hebben bij inzage in alle tijdens het leggen van de bewijsbeslagen beschikbaar gekomen informatie, aangezien Lear met deze informatie in de bodemprocedure tegenbewijs kan leveren tegen de verklaringen van (partij)getuigen aan de zijde van Livadia, inhoudende dat de onderhavige gekochte zaken door Lear zouden zijn meegenomen op 26 juni 2012.

7.4. Lear doelt met deze voorwaardelijke vordering kennelijk op de (bijzondere) exhibitieplicht van artikel 843a Rv, ertoe strekkende inzage in of afschrift van bepaalde bescheiden te verlenen die in bezit zijn van een andere partij. De partij die inzage of afschrift vordert dient daarbij rechtmatig belang te hebben en de bescheiden moeten betrekking hebben op een rechtsverhouding waarbij verzoeker of één van haar rechtsvoorgangers partij was.

7.5. Livadia heeft zich tegen de voorwaardelijke vordering in reconventie slechts verweerd met de stelling dat Lear al de beschikking heeft over de door de deurwaarder op grond van het bewijsbeslag verkregen bescheiden. Deze stelling is door Livadia niet nader geconcretiseerd. Nu Livadia de vordering voor het overige niet heeft weersproken terwijl de door Lear aangevoerde gronden het gevorderde kunnen dragen, zal dit als na te melden worden toegewezen. De voorzieningenrechter zal daarbij de term 'bevelen' vervangen door de term 'bepalen'; de deurwaarder is immers geen partij in dezen zodat een dergelijk bevel niet aan de orde is.

7.6. Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten in reconventie worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

8. De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

8.1. heft op het conservatoire beslag onder en ten laste van Livadia op roerende goederen op de adressen [adres 2] en [adres 1] te Steenwijk, zoals gelegd op 25 juli 2012, voor zover dit beslag ziet op de handelsvoorraad van Livadia,

8.2. veroordeelt Livadia in de proceskosten, aan de zijde van Lear tot op heden begroot op EUR 1.479,00,

8.3. verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

8.4. wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

8.5. bepaalt dat Lear inzage krijgt in dan wel afschrift of uittreksel krijgt van de door de deurwaarder krachtens de verloven van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 20 augustus 2012 en 4 september 2012 in bewijsbeslag genomen bescheiden,

8.6. verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

8.7. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

8.8. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.R. Hidma en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2012.