Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BY0668

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
02-10-2012
Datum publicatie
19-10-2012
Zaaknummer
Awb 12/724
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft eiser met toepassing van de artt. 16:1:1 en 8:13 van CAR/LAR de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd wegens door hem gepleegd plichtsverzuim.

Rb.: Voor de Rb. staat vast dat eiser gedurende langere tijd kinderpornosites heeft bezocht en heeft bekeken. Naar het oordeel van de Rb. heeft eiser zich daarmee schuldig gemaakt aan zeer ernstig plichtsverzuim.

Van de kant van eiser is aangevoerd dat het strafrechtelijk onderzoek naar de vraag of eiser daadwerkelijk kinderporno heeft gedownload, nog niet is afgerond.

De Rb. stelt voorop dat in de onderhavige procedure niet de (zware) strafrechtelijke bewijsvoering geldt ten aanzien van de vraag of eiser zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit, maar of voldoende aannemelijk is dat sprake is van (ambtenaarrechtelijk) plichtsverzuim.

Hoewel eiser voor het enkel kijken naar kinderporno niet strafrechtelijk vervolgd kan worden, is de Rb., zoals gezegd, van oordeel dat hetgeen eiser wel heeft erkend als zeer ernstig plichtsverzuim is aan te merken. De Rb. is dan ook van oordeel dat verweerder de resultaten van genoemd strafrechtelijk onderzoek niet hoefde af te wachten.

De Rb. overweegt daarbij dat een goed ambtenaar zich niet alleen tijdens de dienstuitoefening, maar ook in zijn privéleven zodanig dient te gedragen dat hij als ambtenaar het vertrouwen van zijn werkgever niet beschaamt. Van een ambtenaar wordt aldus een hoog norm- en waardenbesef verwacht. De Rb. is van oordeel dat eiser met het gedurende langere tijd bezoeken en bekijken van kinderpornosites dit vertrouwen ernstig heeft beschaamd.

Nu niet is gebleken dat de gedragingen eiser niet dan wel niet geheel kunnen worden toegerekend, was verweerder bevoegd eiser een disciplinaire straf op te leggen. Verweerder heeft van deze bevoegdheid gebruik gemaakt door eiser strafontslag te verlenen met ingang van 3 oktober 2011.

De Rb. is van oordeel dat deze maatregel niet onevenredig is te achten met de aard en de ernst van de aan eiser verweten gedragingen. Daarbij heeft de Rb. overwogen dat de GGD zich voor een groot deel bezig houdt met jeugdgezondheidszorg en eiser met zijn gedragingen het werken bij deze instelling – ondanks dat eiser werkzaam was op een financiële afdeling – zelf onmogelijk heeft gemaakt. De GGD hoeft niet te tolereren dat een van de medewerkers zich met kinderporno inlaat, ook al heeft dat volledig in de privésfeer plaatsgevonden. Derhalve is er naar het oordeel van de Rb. geen sprake van een onevenredig zware sanctie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht

Registratienummer: Awb 12/724

uitspraak van de meervoudige kamer in het geding tussen

A te B

eiser,

gemachtigde: mr. A.P.E.M Pover, advocaat te Meppel,

en

het dagelijks bestuur van GGD IJssellland,

verweerder,

gemachtigde: mr. P.J. Schaap, werkzaam bij CAPRA te Zwolle,

Procesverloop

Bij besluit van 30 september 2011 heeft verweerder eiser met toepassing van artikel 16:1:1 en artikel 8:13 van de Zwolse Collectieve en Lokale Arbeidsvoorwaardenregeling (verder: CAR/LAR) met ingang van 3 oktober 2011 de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd wegens door hem gepleegd plichtsverzuim.

Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 5 maart 2012 in afwijking van het door de vaste commissie van advies voor de bezwaarschriften GGD IJsselland (verder: de commissie) gegeven advies, ongegrond verklaard. Namens eiser is tegen dit besluit beroep ingesteld.

Het beroep is ter zitting van 4 september 2012 behandeld. Eiser is verschenen bij zijn gemachtigde, voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, voornoemd, J. Homburg en E. Riemens.

Overwegingen

2.1. Eiser is sinds 1 februari 1991 bij (de rechtsvoorganger van) verweerder werkzaam als financieel administratief medewerker. Op 25 augustus 2009 heeft de politie eiser thuis bezocht en daarbij zijn personal computer in beslag genomen vanwege een onderzoek naar het gedownload hebben van kinderporno. Op 26 augustus 2009 heeft eiser zich ziek gemeld.

Op 10 november 2009 heeft er een gesprek tussen eiser en de algemeen directeur van de Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst (verder: GGD) plaatsgevonden. Op 28 april 2010 is eiser door de bedrijfsarts hersteld verklaard, waarna hij aan verweerder heeft gemeld dat hij zijn werkzaamheden wilde hervatten. Bij besluit van 10 juni 2010 heeft verweerder eiser in kennis gesteld van zijn besluit hem de toegang tot het kantoorgebouw van de GGD te ontzeggen en hem met onmiddellijke ingang te schorsen in het belang van de dienst. Het door eiser tegen dit besluit ingediende bezwaar is ongegrond verklaard. Dit besluit is onherroepelijk geworden.

2.2. Op 30 augustus 2011 heeft de rechtbank Assen de tegen eiser aanhangig gemaakte strafzaak behandeld. Zij heeft de behandeling vervolgens aangehouden in verband met het inwinnen van een deskundigenadvies. Een aantal medewerkers van verweerder tezamen met mr. Schaap heeft de zitting bijgewoond en van het verhandelde een verslag gemaakt.

Bij brief van 14 september 2011 heeft verweerder eiser in kennis gesteld van zijn voornemen hem de straf van ongevraagd ontslag te verlenen vanwege zeer ernstig plichtsverzuim bestaande uit het gedurende een langere periode opzettelijk bekijken van een grote hoeveelheid kinderporno op internet, waaronder expliciete seksuele handelingen met kinderen vanaf twee jaar. Bij dit voornemen is eiser het verslag van de zitting bij de rechtbank Assen toegestuurd.

2.3. Bij besluit van 30 september 2011 heeft verweerder eiser ongevraagd ontslag verleend. Verweerder heeft daarbij opgemerkt dat hij de straf baseert op de gedragingen waarover eiser zelf tijdens de zitting in de strafzaak heeft verklaard. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Op 9 februari 2012 heeft de commissie advies uitgebracht. Zij achtte het besluit prematuur, nu eiser wel bewust kinderporno had bekeken, maar niet was komen vast te staan dat hij ook kinderporno had gedownload. De commissie achtte het thuis bekijken van kinderporno voor een GGD-medewerker laakbaar maar niet voldoende ernstig voor een strafontslag. De commissie heeft verweerder geadviseerd aan de hand van de uitkomst van de strafzaak te bepalen of tot strafontslag moet worden besloten.

2.4. Verweerder heeft het advies van de commissie niet overgenomen. Verweerder heeft daarbij overwogen dat ook het gedurende enkele jaren met grote regelmaat thuis bewust bezoeken van sites als die welke eiser heeft bezocht, zeer ernstig plichtsverzuim oplevert. Verweerder heeft daarbij voorts overwogen dat dit plichtsverzuim zijn weerslag heeft op de functievervulling, aangezien de GGD zich voor het overgrote deel van zijn taken bezighoudt met jeugdgezondheidszorg en het bekend worden van eisers gedrag en zijn hoedanigheid van medewerker van de GGD de goede naam van de GGD ernstig zou kunnen schaden.

2.5. Namens eiser is aangevoerd dat met het aanhouden van de strafzaak niet alleen niet vast staat of er sprake is geweest van strafrechtelijk verwijtbaar handelen, maar evenmin is komen vast te staan of er bewust (verwijtbaar) is gehandeld door eiser. Bovendien is het zo dat als hier al sprake van is, één en ander heeft plaatsgevonden in de privésfeer. Gelet op alle relevante feiten en omstandigheden acht eiser het ontslag disproportioneel en niet op zijn plaats.

2.6. Aan eiser is ontslag verleend op grond van het bepaalde in artikel 8:13 van de CAR/LAR. Op grond van deze bepaling kan als disciplinaire straf aan de ambtenaar ongevraagd ontslag worden verleend.

Op grond van het bepaalde in artikel 16:1:1, eerste lid, van de CAR/LAR kan disciplinaire bestraffing plaatsvinden, indien sprake is van plichtsverzuim. Op grond van het bepaalde in artikel 16:1:1, tweede lid, van de CAR/LAR omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

Ingevolge vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (verder: de CRvB) dient de rechter zelfstandig te onderzoeken en te beoordelen of de ambtenaar zich schuldig heeft gemaakt aan het hem door het bevoegd gezag verweten plichtsverzuim.

2.7. De rechtbank overweegt dat uit het zijdens verweerder opgemaakte verslag van de strafzitting naar voren komt dat eiser tijdens die strafzitting heeft toegegeven dat hij over een langere periode (van 17 november 2006 tot 25 augustus 2009) herhaaldelijk naar kinderporno heeft gekeken. Het betrof, zo heeft één van de rechters en ook de officier van justitie uitgesproken, schokkende beelden van expliciete seksuele handelingen, soms met zeer jonge kinderen vanaf twee jaar. Blijkens het verhandelde op deze strafzitting waren de door eiser bezochte sites op het eerste gezicht als kinderpornosites herkenbaar, en heeft eiser met een creditcard betaald om toegang tot deze sites te verkrijgen.

De rechtbank heeft geen aanleiding gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het opgemaakte verslag. Desgevraagd ter zitting is namens eiser niet aangeven op welke relevante punten het verslag geen juiste weergave van de strafzitting geeft. De rechtbank stelt daarbij vast dat eiser er voor had kunnen kiezen om het door de griffier van de rechtbank opgemaakte proces-verbaal van de strafzitting in het geding te brengen, maar dat hij dat niet heeft gedaan.

De rechtbank constateert voorts dat de gemachtigde van eiser tijdens de zitting van

4 september 2012 heeft bevestigd dat eiser naar kinderporno heeft gekeken.

2.8. Voor de rechtbank staat daarmee vast dat eiser gedurende langere tijd kinderpornosites heeft bezocht en heeft bekeken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser zich daarrmee schuldig gemaakt aan zeer ernstig plichtsverzuim.

Van de kant van eiser is aangevoerd dat het strafrechtelijk onderzoek naar de vraag of eiser daadwerkelijk kinderporno heeft gedownload, nog niet is afgerond.

De rechtbank stelt voorop dat in de onderhavige procedure niet de (zware) strafrechtelijke bewijsvoering geldt ten aanzien van de vraag of eiser zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit, maar of voldoende aannemelijk is dat sprake is van (ambtenaarrechtelijk) plichtsverzuim.

Hoewel eiser voor het enkel kijken naar kinderporno niet strafrechtelijk vervolgd kan worden, is de rechtbank, zoals gezegd, van oordeel dat hetgeen eiser wel heeft erkend als zeer ernstig plichtsverzuim is aan te merken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder de resultaten van genoemd strafrechtelijk onderzoek niet hoefde af te wachten.

De rechtbank overweegt daarbij dat een goed ambtenaar zich niet alleen tijdens de dienstuitoefening, maar ook in zijn privéleven zodanig dient te gedragen dat hij als ambtenaar het vertrouwen van zijn werkgever niet beschaamt. Van een ambtenaar wordt aldus een hoog norm- en waardenbesef verwacht. De rechtbank is van oordeel dat eiser met het gedurende langere tijd bezoeken en bekijken van kinderpornosites dit vertrouwen ernstig heeft beschaamd.

2.9. Nu niet is gebleken dat de gedragingen eiser niet dan wel niet geheel kunnen worden toegerekend, was verweerder bevoegd eiser een disciplinaire straf op te leggen. Verweerder heeft van deze bevoegdheid gebruik gemaakt door eiser strafontslag te verlenen met ingang van 3 oktober 2011.

De rechtbank is van oordeel dat deze maatregel niet onevenredig is te achten met de aard en de ernst van de aan eiser verweten gedragingen. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de GGD zich voor een groot deel bezig houdt met jeugdgezondheidszorg en eiser met zijn gedragingen het werken bij deze instelling – ondanks dat eiser werkzaam was op een financiële afdeling – zelf onmogelijk heeft gemaakt. De GGD hoeft niet te tolereren dat een van de medewerkers zich met kinderporno inlaat, ook al heeft dat volledig in de privésfeer plaatsgevonden. Derhalve is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een onevenredig zware sanctie.

Het beroep is daarom ongegrond.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.F. Bijloo, voorzitter, mr. M. van Loenen en

mr. J.W.M. Bunt, rechters, en door de voorzitter en C. Kuiper als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.