Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BY0181

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
19-06-2012
Datum publicatie
16-10-2012
Zaaknummer
605940 VV 12-35
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Civiel overig, Kort geding. Vordering van ex-echtgenote tot betaling van deel van ouderdomspensioen. Boon-Van Loon-problematiek. Vooralsnog onvoldoende aanleiding om niet uit te gaan van de laatste, onderbouwde opgaaf van het pensioenfonds. Geen reden om vooruit te lopen op een eventuele aanpassing van de berekening door het pensioenfonds, in reactie op de opinie / berekening van de door de man ingeschakelde pensioendeskundige. Volgt toewijzing conform de opgaaf van het pensioenfonds.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2013/8
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

sector kanton – locatie Zwolle

zaaknummer : 605940 VV 12-35

datum : 19 juni 2012

Vonnis in het kort geding van:

[EISENDE PARTIJ],

wonende te [woonplaats],

eisende partij, hierna te noemen: ‘[eisende partij]’,

gemachtigde mr. J.P. Snoek, advocaat te Utrecht,

tegen

[GEDAAGDE PARTIJ],

wonende te [woonplaats],

gedaagde partij, hierna te noemen: ‘[gedaagde partij]’,

gemachtigde mw. mr. H.L.J.M. Kersten, advocaat te Zwolle.

De procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:

- het exploot d.d. 26 april 2012 houdende een vordering tot het treffen van een voorziening bij voorraad met bijlagen,

- het op 21 mei 2012 ingekomen, namens [gedaagde partij] ingediende ‘verweerschrift’ van 16 mei 2012 met bijlagen,

- de op 1 juni 2012 ingekomen nadere producties van [gedaagde partij] en

- de ter zitting door [eisende partij] overgelegde nadere productie.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 5 juni 2012. Verschenen zijn:

- [eisende partij], bijgestaan door mr. Snoek voormeld, en

- [gedaagde partij], bijgestaan door mw. mr. Kersten voormeld.

[eisende partij] en [gedaagde partij] hebben op deze zitting hun standpunten doen toelichten (beiden aan de hand van pleitaantekeningen, die aan de kantonrechter zijn overgelegd) respectievelijk toegelicht en geantwoord op vragen van de kantonrechter.

Het geschil

De vordering van [eisende partij] tot het treffen van een voorlopige voorziening strekt er - na vermindering respectievelijk wijziging van eis ter zitting - toe dat [gedaagde partij] wordt veroordeeld tot betaling aan [eisende partij] van:

- het maandelijkse bruto pensioenbedrag dat blijkt uit de van het KPN Pensioenfonds verkregen specificatie zodanig dat iedere maandbetaling niet later zal geschieden dan de 28e dag van de maand waarin [gedaagde partij] het pensioen ontvangt, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de 28e dag van iedere maand indien [gedaagde partij] te laat betaalt tot de dag der voldoening;

- de over de maanden januari 2012 tot en met maart 2012 achterstallige bruto maandbedragen aan ouderdomspensioen ad € 78,35, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf januari 2012 over het te weinig betaalde bedrag aan ouderdomspensioen ad € 36,75, € 19,85, respectievelijk € 21,75;

- een bedrag van € 1.740,73 (inclusief BTW) aan vergoeding van buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente over € 750,00 vanaf 26 april 2012 tot de dag der algehele voldoening;

onder veroordeling van [gedaagde partij] in de kosten van de procedure.

[gedaagde partij] heeft de vordering bestreden en geconcludeerd dat de kantonrechter zich onbevoegd zal verklaren, althans dat [eisende partij] niet in haar vordering zal worden ontvangen althans dat zij vordering zal worden afgewezen, onder haar veroordeling in de proceskosten.

De vaststaande feiten

Tussen partijen staat als gesteld en erkend dan wel niet (voldoende) betwist, mede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden bescheiden, het volgende vast.

a. [eisende partij], geboren op [datum], is van [trouwdatum] tot [scheidingsdatum] in gemeenschap van goederen gehuwd geweest met [gedaagde partij], die geboren is op [datum].

b. [gedaagde partij] heeft - ook tijdens het huwelijk met [eisende partij] - ouderdoms- en nabestaanden-pensioen opgebouwd bij Stichting Pensioenfonds KPN, hierna te noemen: ‘het Fonds’.

c. Bij de verdeling van de per [datum] ontbonden huwelijksgoederengemeenschap van partijen is destijds de contante waarde van het ouderdoms- en nabestaandenpensioen niet betrokken.

d. Per brief van 28 oktober 2005 heeft het Fonds aan de toenmalig rechtshulpverlener van [eisende partij] medegedeeld - samengevat - dat [eisende partij], gelet op de opbouw van het pensioen tot 2 juni 1989, verdeling van de contante waarde en indexaties, per 1 januari 2012 recht heeft op € 171,92 bruto per maand aan ouderdomspensioen.

e. Per brief van 18 augustus 2011 heeft het Fonds aan [gedaagde partij] medegedeeld - samengevat - dat [eisende partij] per 1 januari 2012 recht heeft op € 1.880,00 bruto per jaar ofwel € 156,67 bruto per maand. Dit standpunt is door het Fonds herhaald met een in de brief van 7 september 2011 vervatte uitvoeriger berekening.

f. Per brief van 4 januari 2012 heeft het Fonds aan [gedaagde partij] medegedeeld - samengevat - dat [eisende partij] per 1 januari 2012 recht heeft op € 2.185 bruto per jaar ofwel € 182,08 bruto per maand. Dit standpunt is door het Fonds herhaald met een in de brief van 30 januari 2012 vervatte uitvoeriger berekening.

g. Per brief van 14 maart 2012 heeft het Fonds - in reactie op de daartoe strekkende vraag van de gemachtigde van [eisende partij] - aan [gedaagde partij] medegedeeld dat [eisende partij] per 1 januari 2012 recht heeft op € 156,75 bruto per maand aan ouderdomspensioen. Dit standpunt heeft het Fonds herhaald in een brief van 26 maart 2012. In deze brief heeft het Fonds tevens vermeld dat de opgaaf van 28 oktober 2005 onjuist is geweest vanwege de toepassing van een onjuiste systematiek.

h. De door [gedaagde partij] ingeschakelde pensioenadviseur, de heer [J] te [gemeente], heeft hem per brief van 8 februari 2012 medegedeeld dat [eisende partij], gelet op de per 15 maart 1990 verstrekte gegevens, zijns inziens recht heeft op een ouderdomspensioen ‘conform Boon Van Loon’ van € 1.056,72 bruto per jaar ofwel € 88,06 bruto per maand.

i. De door [gedaagde partij] ingeschakelde NMI Pensioenmediator mw. [L] te [gemeente], heeft hem per rapportbrief van 2 mei 2012 medegedeeld dat [eisende partij] haars inziens recht heeft op een ouderdomspensioen ‘conform Boon Van Loon’ van € 1.220,27 bruto per jaar ofwel € 101,67 bruto per maand.

j. [eisende partij] heeft vanaf augustus 2011 tegenover [gedaagde partij] aanspraak gemaakt op de betaling van een ouderdomspensioen van € 171,92 bruto per maand. [gedaagde partij] heeft daar telkens op gereageerd dat de opgaven van het Fonds zijns inziens niet correct zijn, dat [eisende partij] aanspraak heeft op een lager bedrag en dat hij in overleg is met het Fonds. [gedaagde partij] heeft dit lagere bedrag achtereenvolgens berekend op € 117,42 (2 december 2011), € 117,00 (16 januari 2012), € 152,00 (4 februari 2012) en € 128,45 (15 februari 2012).

k. [gedaagde partij] heeft aan ouderdomspensioen aan [eisende partij] betaald bedragen van € 120,00 (januari 2012), € 136,90 (februari 2012), € 135,00 (maart 2012) en € 128,45 (april 2012).

l. Per faxbericht van 4 mei 2012 heeft de gemachtigde van [gedaagde partij] aan de gemachtigde van [eisende partij] medegedeeld - samengevat - dat uit de rapportage van mw. [L] voormeld blijkt dat het aan [eisende partij] toekomende ouderdomspensioen op een bedrag van € 101,67 bruto per maand moet worden gesteld, dat [gedaagde partij] daardoor over de maanden januari tot en met april 2012 teveel heeft betaald, dat [gedaagde partij] om die reden over mei 2012 niets zal betalen, over juni 2012 een bedrag van € 89,67 bruto en vanaf 1 juli 2012 een bedrag van € 101,67 bruto per maand.

De standpunten van partijen

Op wat [eisende partij] aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd en [gedaagde partij] in reactie daarop heeft aangevoerd, zal, voor zover van belang, in het navolgende worden ingegaan.

De beoordeling

1.

Anders dan [gedaagde partij] aanvoert, is de kantonrechter als voorzieningenrechter bevoegd om van de vordering kennis te nemen. Er is onvoldoende reden om aan te nemen dat de vordering van [eisende partij] een bedrag van € 25.000,00 te boven gaat.

2.

Anders dan [gedaagde partij] aanvoert, is voldoende aannemelijk dat aan de vordering van [eisende partij] een spoedeisend belang moet worden toegekend. Een maandelijks uit te keren pensioenbedrag strekt naar zijn aard ter voldoening van maandelijks terugkerende kosten van huishouding en levensonderhoud, zodat [eisende partij] voldoende belang heeft om over een uitblijven daarvan een oordeel in kort geding te vragen en daarvoor niet een bodemprocedure af te wachten. [eisende partij] kan daardoor in haar vordering worden ontvangen.

3.

Het voorgaande laat onverlet dat voor de vraag of in kort geding plaats is voor toewijzing van de vordering tot betaling van een bedrag aan ouderdomspensioen, aldus zijnde een geldvordering, moet worden bezien of het bestaan van de vordering voldoende aannemelijk is en of sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl ook het restitutierisico in de afweging van de belangen van partijen moet worden betrokken.

4.

Die voldoende aannemelijkheid houdt in dat de stellingen die aan de vordering ten grondslag worden gelegd zonder nadere bewijslevering in voldoende mate zeker zijn en dat daardoor het voor een voorlopige voorziening noodzakelijke vooruitzicht bestaat op een voor de eisende partij positieve uitkomst van een bodemprocedure.

5.

Tussen partijen is onomstreden dat [eisende partij] jegens [gedaagde partij] aanspraak heeft op een deel van het door hem tot 2 juni 1989 opgebouwde ouderdomspensioen. Evenmin is tussen hen in geschil dat die aanspraak dient te worden vastgesteld aan de hand van de criteria zoals (onder meer) blijkende uit het arrest van de Hoge Raad van 27 november 1981, NJ 1982, 503 (Boon / Van Loon), waarbij beide partijen uitgaan van een 50-50%-verdeling van de tot 2 juni 1989 opgebouwde pensioenaanspraken.

6.

[eisende partij] heeft zich aanvankelijk op het standpunt gesteld dat zij conform de opgaaf van het Fonds van 28 oktober 2005 jegens [gedaagde partij] aanspraak heeft op betaling van € 171,92 bruto per maand. In het licht van de door [gedaagde partij] in deze procedure verschafte gegevens heeft zij dat standpunt bijgesteld en vordert zij onder verwijzing naar de opgaaf van het Fonds van 26 maart 2012 een bedrag van € 156,75 bruto per maand.

7.

Aan [gedaagde partij] kan worden toegegeven dat de berichtgeving vanuit het Fonds, zoals weergegeven in de vaststaande feiten, weinig standvastig is geweest en dat voorstelbaar is dat bij hem een zeker wantrouwen is ontstaan over de juistheid en volledigheid van de door het Fonds gegeven berekeningen. Die wisselende berichtgeving is echter op zichzelf onvoldoende om die berichtgeving als betekenisloos ter zijde te laten. In haar brief van 26 maart 2012 heeft het Fonds immers uiteengezet dat en waarom de opgaaf van 28 oktober 2005 onjuist is geweest. Een verklaring voor het verschil in uitkomst van de andere berekeningen (€ 156,67, € 182,08 respectievelijk € 156,75 bruto per maand) is kennelijk (nog) niet gegeven, maar uit die berekeningen blijkt vooralsnog wel dat de aanspraak van [eisende partij] volgens het Fonds op niet minder dan een bedrag van bijna € 157,00 dient te worden berekend.

8.

[gedaagde partij] stelt zelf dat hij geen bijzondere deskundigheid heeft als het gaat om de berekening van het aan [eisende partij] toekomende ouderdomspensioen, zodat er al om die reden onvoldoende aanleiding is om een door hem gemaakte berekening te stellen boven die van het Fonds. Dit geldt te minder daar waar hij, getuige wat is opgenomen in sub j. en k. van de vaststaande feiten, kennelijk zeven berekeningen heeft gemaakt, die telkens tot een ander bedrag hebben geleid.

9.

Aan de berekening van de door [gedaagde partij] ingeschakelde pensioendeskundige [J] kan evenmin het gewicht worden toegekend zoals hij dat voorstaat, nu [gedaagde partij] ter zitting heeft verklaard dat de door [J] gegeven berekening is gebaseerd op door hem verstrekte gegevens die onvolledig, althans achterhaald bleken.

10.

De door [gedaagde partij] ingeschakelde pensioendeskundige [L] heeft een berekening gemaakt volgens welke [eisende partij] aanspraak zou hebben op een bedrag van € 101,67 bruto per maand. Het staat vast dat haar berekening inmiddels aan het Fonds is voorgelegd. Een reactie daarop van het Fonds is thans (nog) niet gegeven. In het briefrapport van [L] worden weliswaar de uitgangspunten geschetst waarop dat rapport is gebaseerd, maar vooralsnog blijkt daaruit onvoldoende duidelijk waarom [gedaagde partij] niet kan worden aangemerkt als alleenstaande in de zin van het bij het Fonds geldende pensioenreglement. Voorts gaat [L] er - kennelijk - vanuit dat het Fonds van een onjuiste rekenfactor is uitgegaan doch dat is zonder nadere toelichting, die vooralsnog ontbreekt, voorlopig in onvoldoende mate inzichtelijk geworden.

11.

Er is daardoor naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter dan ook onvoldoende aanleiding om thans de laatste opgaaf van het Fonds ter zijde te stellen en van een ander berekend bedrag aan pensioen voor [eisende partij] uit te gaan. In de mogelijkheid dat het Fonds wellicht haar berekening aanpast in reactie op de bevindingen van pensioendeskundige [L] schuilt op dit moment onvoldoende reden, zoals [gedaagde partij] bepleit, om de op de laatste opgaaf van het Fonds gebaseerde vordering van [eisende partij] af te wijzen of een beslissing dienaangaande aan te houden.

12.

Het is daardoor naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter thans in voldoende mate zeker dat de vordering in een bodemprocedure stand zal houden, terwijl er geen reden is om aan te nemen dat er een restitutierisico bestaat.

13.

Gelet op het voorgaande is de door [eisende partij] gevorderde betaling van een bedrag aan ouderdomspensioen ad € 156,75 bruto per maand dan ook toewijsbaar als nader te melden. Hieruit volgt dat tevens toewijsbaar is wat [eisende partij] aan achterstallige bedragen heeft gevorderd.

14.

Uit de stukken en ter terechtzitting zijn onvoldoende feiten of omstandigheden gebleken op grond waarvan aanleiding bestaat af te wijken van het gebruikelijke oordeel betreffende de proceskosten in zaken tussen (gewezen) echtelieden, te weten dat die kosten worden gecompenseerd. De proceskosten zullen dan ook tussen partijen worden gecompenseerd op de wijze als hierna vermeld. De kantonrechter ziet thans geen aanleiding om aangaande de gestelde buitengerechtelijke kosten anders te oordelen, zodat de door [eisende partij] gevorderde vergoeding ter zake niet toewijsbaar is.

De beslissing in kort geding

De kantonrechter:

- veroordeelt [gedaagde partij] aan [eisende partij] te betalen:

a. het maandelijkse bruto pensioenbedrag ad € 156,75, zoals blijkende uit de berekening van het KPN Pensioenfonds d.d. 26 maart 2012 zo lang het KPN Pensioenfonds die berekening niet heeft aangepast en zodanig dat iedere maandbetaling niet later zal geschieden dan de 28e dag van de maand waarin [gedaagde partij] het pensioen ontvangt, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de 28e dag van iedere maand indien [gedaagde partij] te laat betaalt tot de dag der voldoening;

b. de over de maanden januari 2012 tot en met maart 2012 achterstallige bruto maandbedragen aan ouderdomspensioen ad € 78,35, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf januari 2012 over het te weinig betaalde bedrag aan ouderdomspensioen ad € 36,75, € 19,85, respectievelijk € 21,75 vanaf 1e van de maand volgend op die maand waarop het bedrag aan ouderdomspensioen betrekking heeft, een en ander tot de dag der algehele voldoening;

- compenseert de kosten aldus dat iedere partij belast blijft met de aan zijn of haar zijde gevallen kosten;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af wat meer of anders is gevorderd.

Aldus gewezen door mr. W.F. Boele, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 19 juni 2012, in tegenwoordigheid van de griffier.