Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BY0143

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
17-09-2012
Datum publicatie
15-10-2012
Zaaknummer
623287 VV 12-66
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Arbeidszaak. Kort geding. Vordering tot nakoming van non-concurrentiebeding en geheimhoudingsbeding jegens uit dienst getreden werknemer, die zijnerzijds vernietiging, schorsing respectievelijk matiging vordert. Overtreding van het non-concurrentiebeding is voldoende aannemelijk evenals het belang bij werkgever bij handhaving daarvan. Volgt toewijzing van de vordering van werkgever, zij het dat het non-concurrentiebeding in tijd wordt gematigd tot 12 maanden na uitdiensttreding, onder afwijzing van de overige vorderingen van werknemer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2012-0938
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

sector kanton – locatie Zwolle

Zaaknr. : 623287 VV EXPL 12-66

Datum : 17 september 2012

Vonnis in het kort geding van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[EISENDE PARTIJ],

gevestigd te [vestigingsplaats],

eisende partij in conventie,

verwerende partij in (voorwaardelijke) reconventie,

verder te noemen [EISENDE PARTIJ],

gemachtigde mr. E.S. Reitsma,

tegen

[GEDAAGDE PARTIJ],

wonende te [woonplaats],

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in (voorwaardelijke) reconventie,

verder te noemen [gedaagde partij],

gemachtigde mr. T. Bouwman-Huisman.

De procedure in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie

De kantonrechter heeft kennisgenomen van de dagvaarding in kort geding van 24 augustus 2012 alsmede de akte houdende voorwaardelijke eis in reconventie van [gedaagde partij].

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 september 2012. Beide partijen zijn verschenen en hebben hun standpunten nader toegelicht. Beide partijen hebben producties in het geding gebracht.

2. Vaststaande feiten en omstandigheden

2.1.

[gedaagde partij], geboren [datum], is op [datum] bij [EISENDE PARTIJ] in dienst getreden. Aanvankelijk voor bepaalde tijd tot [datum]. De arbeidsovereenkomst is stilzwijgend voort-gezet. De functie van [gedaagde partij] is medewerker haal- en bezorgdienst. Zijn salaris bedraagt € 1.834,86 bruto per vier weken exclusief vakantietoeslag en emolumenten. Het bruto uursalaris is € 12,07.

2.2.

In de schriftelijke arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is in artikel 8 een geheimhou-dingsbeding opgenomen en in artikel 9 een (non-)concurrentiebeding. De tekst van die be-dingen luidt, voor zover thans van belang, als volgt:

Artikel 8

Geheimhoudingsbeding

a.Werknemer erkent, dat hem door de werkgever geheimhouding is opgelegd en is gehouden tot die geheimhou-ding van alle bijzonderheden werkgevers zaak of daarmee verband houdende.

b. Het is werknemer verboden, hetzij gedurende de dienstbetrekking, hetzij na beëindiging hiervan op enigerlei wijze aan derden direct of indirect, in welke vorm ook en in welker voege ook, enige mededeling te doen van of aangaande enige bijzonderheden werkgevers zaak betreffende of daarmee verband houdende, op straffe van verbeurte aan werkgever van een dadelijk en ineens zonder sommatie of ingebrekestelling opeisbare boete groot ƒ 1.000,00 onverminderd zijn gehoudenheid tot betaling aan werkgever van een volledige schadevergoeding (…).

Artikel 9

Concurrentiebeding

Het is de werknemer verboden om zonder toestemming van werkgever gedurende een tijdvak van twee jaar na het beëindigen van deze dienstbetrekking een bedrijf te beginnen of te drijven dat produkten ontwerpt en/of fabriceert en/of verhandelt welke gelijk of verwant zijn aan de produkten welke werkgever ontwerpt en/of produceert en/of verhandelt. Evenzeer is het werknemer verboden gedurende bovengenoemde periode in een dergelijk bedrijf werk-zaam te zijn (…).

Bij overtreding van het bovengenoemde verbod verbeurt werknemer ten behoeve van werkgever een onmiddellijk opvorderbare boete van ƒ 1.000,00 voor elke dag dat de overtreding duurt, onverminderd het recht van werkgever vergoeding van de werkelijk geleden schade te vorderen.

2.3.

Door middel van een e-mail van 22 juni 2012 heeft [gedaagde partij] aan [EISENDE PAR-TIJ] onder meer meegedeeld zijn ontslag aan te bieden/te vragen vanwege het aanbod van [Derde] bij haar in dienst te treden.

Krachtens deze opzegging is de arbeidsovereenkomst met ingang van 13 augustus 2012 ge-eindigd. Per die datum is [gedaagde partij] in dienst getreden van [Derde]. Zijn functie daar is zelfstandig opererend rayonmanager. Hij dient klanten te bezoeken en adviezen en offertes te verstrekken. Het uursalaris dat [gedaagde partij] bij deze werkgever verdient bedraagt € 15,18 bruto. Zowel bij [EISENDE PARTIJ] als bij [Derde] was/is sprake van een fulltime dienstverband.

2.4.

[EISENDE PARTIJ] is een onderneming actief op, kort gezegd, het gebied van herslijpen en fabriceren van gereedschappen, onder meer voor fijnmechanische bedrijven, maar ook het slijpen van standaard gereedschappen zoals zaagbladen en frezen. Haar circa 5.000 klanten zijn met name in de noordelijke helft van Nederland gevestigd. Zij heeft vestigingen in [ge-meente] en [gemeente]. Naast [gedaagde partij] waren vijf collega’s met een identieke func-tie bij [EISENDE PARTIJ] werkzaam.

2.5.

Ook [Derde] vervaardigt, slijpt en modificeert gereedschappen. Zij is gevestigd te [Gemeen-te]. [gedaagde partij] heeft thans drie collega's die dezelfde functie uitoefenen.

2.6.

[gedaagde partij] heeft na 13 augustus 2012 bezoeken afgelegd bij klanten van [EISENDE PARTIJ]. Aan (in elk geval) één van die klanten is door [gedaagde partij] een offerte uitge-bracht.

3. Vordering [EISENDE PARTIJ]

[EISENDE PARTIJ] maakt blijkens de ter zitting desgevraagd gegeven toelichting op het woord ‘althans’ in het petitum van de dagvaarding, kort samengevat, primair aanspraak op nakoming van het geheimhoudingsbeding en het concurrentiebeding en subsidiair op beta-ling van voorschotten wegens verbeurde boetes, vermeerderd met rente en buitengerechtelij-ke incassokosten.

4. Verweer [gedaagde partij]

[gedaagde partij] heeft de vorderingen tegengesproken en zijnerzijds, mocht het concurren-tiebeding toch van kracht zijn, gevorderd primair de vernietiging dan wel schorsing van het concurrentiebeding en subsidiair matiging van het concurrentiebeding en de boete en, tot slot, betaling van de vergoeding als bedoeld in artikel 7:653 lid 4 BW.

5. Beoordeling in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie

5.1.

De kantonrechter oordeelt als volgt, waarbij zij opgemerkt dat het een kort geding betreft, zodat het oordeel voorlopig van aard is. Het spoedeisend belang is niet bestreden. Het spoed-eisende karakter ligt ook besloten in de aard van de vorderingen.

5.2.

De arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd waarin het concurrentiebeding is opgenomen is stilzwijgend verlengd. Anders dan [gedaagde partij] heeft gesteld, behoeft dit beding niet opnieuw te worden overeengekomen en schriftelijk te worden vastgelegd om van kracht te blijven (zie o.a. hof Leeuwarden 10 april 2012, LJN BW1709). Tussen partijen is dus ook het concurrentiebeding van kracht. Dit betekent dat aan de tegenvordering het voorwaarde-lijke karakter ontvalt.

5.3.

Inzet van deze procedure is vooral het concurrentiebeding, omdat toewijzing van de vorde-ring tot nakoming van dit beding betekent, dat [gedaagde partij] zijn arbeidsovereenkomst met [derde] zal moeten beëindigen. Mede vanwege de tegenvordering tot vernieti-ging/schorsing van dit beding zal de kantonrechter de wederzijdse belangen van partijen moeten afwegen. Zie artikel 7: 653 lid 2 BW.

5.4.

De functie van [gedaagde partij] is in de arbeidsovereenkomst omschreven als ‘medewerker haal- en bezorgdienst’. Hoewel die functieomschrijving doet vermoeden dat [gedaagde par-tij] niet veel meer deed dan het ophalen en bezorgen van gereedschappen, is aan de functie van [gedaagde partij] in de loop van de jaren, door zijn opgedane ervaring, een adviescom-ponent toegevoegd. [gedaagde partij] was voor de klanten meer dan een ‘boodschappenjon-gen’. [gedaagde partij] verstrekte, zo is ter zitting gebleken, namelijk ook adviezen aan klan-ten, zij het dat die adviezen beperkt bleven tot adviezen van eenvoudige(r) aard. Bij meer complexe vragen schakelde [gedaagde partij] de binnendienst van [EISENDE PARTIJ] in die vervolgens adviseerde en/of offreerde.

5.5.

[gedaagde partij] heeft gedurende ruim elf jaren klanten van [EISENDE PARTIJ] bezocht en was daardoor goed bekend met (een gedeelte van) het klantenbestand van [EISENDE PAR-TIJ] en de leveringen aan/opdrachten van de door hem bezochte klanten. [gedaagde partij] was weliswaar bekend met de standaardprijzen die [EISENDE PARTIJ] hanteert, maar die prijzen kunnen niet tot gevoelige bedrijfsinformatie worden gerekend, omdat die prijzen in brochures en prijslijsten zijn vermeld die [EISENDE PARTIJ] ten behoeve van de klanten heeft opgesteld. Die prijzen liggen, zo is ter zitting gebleken, min of meer ‘op straat’.

5.6.

De kennis van het klantenbestand (niet alleen de klant zelf maar ook wat door de klant wordt besteld) betreft gevoelige informatie die voor een concurrent van [EISENDE PARTIJ] onge-twijfeld van waarde is. [gedaagde partij] heeft van die kennis gebruik gemaakt door op/na 13 augustus 2012 een aantal klanten van [EISENDE PARTIJ] te bezoeken. Zijn stelling dat die bezoeken zijn afgelegd om afscheid van deze klanten te nemen is weinig aannemelijk, en overigens in strijd met de schriftelijke verklaringen van twee klanten die [EISENDE PAR-TIJ] ter zitting heeft overgelegd. Uit die verklaringen blijkt dat [gedaagde partij] bij een klant de folder van zijn huidige werkgever heeft achtergelaten en gezegd heeft dat van zijn dien-sten gebruik kan worden gemaakt. Bij een andere klant heeft [gedaagde partij] zelfs een of-ferte uitgebracht.

5.7.

[EISENDE PARTIJ] en [derde] zijn op dezelfde markt actief al lopen de schattingen uiteen in welke mate. Volgens [EISENDE PARTIJ] voor 95%, volgens [gedaagde partij] voor 50%. In elk geval staat vast dat partijen voor een belangrijk deel ‘in dezelfde vijver vissen’. Zij zijn in zoverre elkaars directe concurrenten. Dat volgt trouwens ook uit de hiervoor bespro-ken bezoeken aan twee klanten van [EISENDE PARTIJ].

5.8.

Van belang is verder, dat [EISENDE PARTIJ] onweersproken heeft aangevoerd dat het aan [gedaagde partij] betaalde salaris, dat € 3,05 beneden het huidige salaris van [gedaagde par-tij] ligt, conform de toepasselijke cao is. Weliswaar is door de indiensttreding bij [Derde] afgaande op het bruto uurloon sprake van een beduidende salarisverbetering, maar die verbetering komt in het licht van de omstandigheid dat het bij [EISENDE PARTIJ] verdiende salaris conform de toepasselijke cao was, minder gewicht toe. [gedaagde partij] verdiende bij [EISENDE PARTIJ] een behoorlijk, in de zin van cao-conform, salaris.

5.9.

De stelling dat [EISENDE PARTIJ] in [gedaagde partij] heeft geïnvesteerd door hem cursus-sen te laten volgen legt geen gewicht in de schaal, omdat ter zitting is gebleken dat het geen cursussen betreft waarbij een (substantieel) bedrag aan opleidingskosten of aan loonkosten is geïnvesteerd.

5.10.

Dat [gedaagde partij] mogelijk het concurrentiebeding zou schenden indien hij bij [Derde] in dienst zou treden, is [gedaagde partij] zich bewust geweest, nu ‘bekenden’ van hem hadden gezegd dat het concurrentiebeding niet (meer) van kracht was. Blijkbaar waren die bekenden niet goed bekend met de geldende rechtsregels, maar dat komt voor rekening en risico van [gedaagde partij].

5.11.

[gedaagde partij] heeft nagelaten, nadat hij een aanbod van [derde] had gekregen om bij haar in dienst te treden, het gesprek met [EISENDE PARTIJ] aan te gaan om te bezien of [EI-SENDE PARTIJ] daartegen wellicht bezwaar had. Daarna had [gedaagde partij], eenmaal het standpunt van [EISENDE PARTIJ] kennende, alsnog kunnen besluiten het aanbod al dan niet te accepteren. In plaats daarvan heeft [gedaagde partij] de arbeidsovereenkomst zonder overleg per email opgezegd en zijn schepen achter zich verbrand. De beëindiging van het dienstverband is niet door [EISENDE PARTIJ] geïnitieerd maar is door [gedaagde partij] gewild.

5.12.

Het belang van [gedaagde partij] bij het behoud van zijn huidige werkkring is buiten kijf, maar gelet op alle omstandigheden van het geval is de kantonrechter van oordeel dat het belang van [EISENDE PARTIJ] zwaarder moet wegen, ook al leidt dit oordeel ertoe dat [gedaagde partij] zijn huidige werkkring verliest. Vooral de bij [gedaagde partij] bestaande, tijdens een periode van 11 jaren opgebouwde kennis van het klantenbestand, met behulp waarvan [derde] gemakkelijk toegang kan krijgen tot een voor haar nieuwe klantenkring, verdient meer bescherming dan het belang van [gedaagde partij], die zonder enige vorm van overleg zijn arbeidsovereenkomst heeft opgezegd, alhoewel hij bekend was met het concur-rentiebeding en zijn uurloon conform de toepasselijke cao was.

6.

De vordering tot nakoming van het concurrentiebeding is dus toewijsbaar, met dien verstan-de dat de periode gedurende welke het concurrentiebeding van kracht is dient te worden be-perkt. Een periode van één jaar, gerekend tot 13 augustus 2013, wordt afdoende geacht om de rechtmatige belangen van [EISENDE PARTIJ] te beschermen.

7.

De vordering tot nakoming van het geheimhoudingsbeding is niet bestreden en eveneens toewijsbaar.

8.

Aan de beoordeling van de vorderingen tot betaling van voorschotten op verbeurde boetes komt de kantonrechter niet toe, omdat de primaire vorderingen tot nakoming van het ge-heimhoudingsbeding en het concurrentiebeding, met enige aanpassingen als hierna in het dictum vermeld, toewijsbaar zijn. De gevorderde dwangsommen van € 10.000,00 per dag zullen aanzienlijk worden beperkt. In de arbeidsovereenkomst is zowel bij het geheimhou-dingsbeding als bij het concurrentiebeding een boete opgenomen van ƒ 1.000,00 (per dag bij het concurrentiebeding). De kantonrechter acht mede daarom een dwangsom van € 450,00 per dag afdoende, tot een maximum van € 75.000,00.

9.

De vordering tot betaling van incassokosten ad € 800,00 is niet weersproken en toewijsbaar.

10.

Van de tegenvorderingen van [gedaagde partij] is de subsidiaire vordering tot beperking van het concurrentiebeding in tijd, toewijsbaar. De primaire vordering tot vernietiging of schorsing van het beding zal worden afgewezen. De gevorderde matiging van de boete behoeft geen bespre-king, omdat aan de subsidiaire vordering van [EISENDE PARTIJ] tot betaling van een voor-schot op de boetes niet wordt toegekomen.

De tegenvordering van [gedaagde partij] ex artikel 7:653 lid 4 BW zal worden afgewezen. Er bestaat, in het licht van alle omstandigheden van het geval, geen goede grond [EISENDE PAR-TIJ] te veroordelen tot betaling van een billijkheidsvergoeding aan [gedaagde partij].

11.

[gedaagde partij] dient als verliezende partij in conventie de proceskosten van [EISENDE PARTIJ] te vergoeden. Die kosten worden als volgt begroot:

€ 400,00 wegens salaris gemachtigde (2 punten à € 200,00)

€ 79,27 wegens explootkosten

€ 109,00 wegens griffierecht,

totaal € 588,27 vermeerderd met de wettelijke rente als onweersproken gevorderd.

12.

Aangezien de tegenvordering geheel voortvloeit uit het verweer in conventie en geen processue-le inspanningen van enige aard en omvang van [EISENDE PARTIJ] heeft gevergd, zal in re-conventie een compensatie van kosten worden uitgesproken.

De beslissingen in conventie en in reconventie

De kantonrechter:

in conventie

1.

veroordeelt [gedaagde partij], onverminderd hetgeen in reconventie omtrent de duur van het concurrentiebeding is beslist, binnen 24 uren na de dag van de betekening van dit vonnis, tot nakoming van het tussen partijen overeengekomen concurrentiebeding als beschreven in artikel 9 van de arbeidsovereenkomst, zulks op straffe van een dwangsom van € 450,00 per dag of gedeelte van een dag dat [gedaagde partij] hiermee in gebreke blijft, tot een maximum van € 75.000,00;

2.

veroordeelt [gedaagde partij], binnen 24 uren na de dag van de betekening van dit vonnis, tot nakoming van het tussen partijen overeengekomen geheimhoudingsbeding als beschreven in artikel 8 van de arbeidsovereenkomst, zulks op straffe van een dwangsom van € 450,00 per dag of gedeelte van een dag dat [gedaagde partij] hiermee in gebreke blijft, tot een maximum van € 75.000,00;

3.

veroordeelt [gedaagde partij] aan [EISENDE PARTIJ] te betalen € 800,00 wegens incas-sokosten;

4.

veroordeelt [gedaagde partij] in de kosten van het geding, tot op heden begroot op € 588,29 vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag of het onbetaalde gedeelte ervan indien betaling niet binnen veertien dagen na de dag van de betekening van dit vonnis heeft plaats-gevonden;

5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

6.

wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie

7.

beperkt de periode gedurende welke het concurrentiebeding tussen partijen van kracht is tot twaalf maanden, welke periode eindigt op 13 augustus 2013;

8.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

9.

compenseert de proceskosten in die zin dat beide partijen hun eigen kosten dragen;

10.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Gewezen door mr. C.H. de Haan, kantonrechter, en in het bijzijn van de griffier uitgesproken in de openbare terechtzitting van 17 september 2012.