Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BX9610

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
05-09-2012
Datum publicatie
31-10-2012
Zaaknummer
187569
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Advocatendeclaratie wordt betaald door gefailleerde vennootschap terwijl volgens de curator de (niet gefailleerde) moedervennootschap de opdrachtgeefster van het advocatenkantoor is. De curator wordt in de gelegenheid gesteld zich nader uit te laten m.b.t. het verweer van het advocatenkantoor dat de curator geen belang heeft bij de vordering, nu hij zelf heeft medegedeeld dat de vordering van de Rabobank (waarover het de betaling aan het advocatenkantoor betreft) niet verifieerbaar is. De betaling zou dus geen effect hebben gehad op de omvang van de boedel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

Locatie Zwolle

zaaknummer / rolnummer: 187569 / HZ ZA 11-820

Vonnis van 5 september 2012

in de zaak van

MR. PAUL ADRIAAN MARIA MANNING in hoedanigheid van curator in het faillissement van de naamloze vennootschap [eiser],

wonende en kantoorhoudende te Zwolle,

eiser,

advocaat mr. D. Meulenberg te Zwolle,

tegen

de naamloze vennootschap [gedaagde],

statutair gevestigd te [plaats], mede kantoorhoudende te [plaats],

gedaagde,

advocaat mr. H.P. Plas te Zwolle.

Partijen zullen hierna de curator en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het vonnis in het incident van 19 oktober 2011

- de conclusie van antwoord met producties

- de conclusie van repliek tevens akte met producties

- de conclusie van dupliek.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] is op 7 december 2005 opgericht. [belanghebbende sub 1] (verder te noemen: [belanghebbende sub 1]) hield 51% van de aandelen in [eiser] De overige 49% van de aandelen werd gehouden door de [belanghebbende sub 2]. Bij de oprichting op 7 december 2005 is [belanghebbende sub 3] tot bestuurder benoemd. [belanghebbende sub 1] is 100% aandeelhoudster en statutair bestuurder van [belanghebbende sub 3] [bestuurder sub 1] (verder te noemen: [bestuurder sub 1]) en [bestuurder sub 2] zijn de bestuurders van [belanghebbende sub 1] en daarmee indirect bestuurders van [eiser]

2.2. Bij e-mail d.d. 30 maart 2010 is mr. Quint van [gedaagde] benaderd door [bestuurder sub 1]. De e-mail luidt, voor zover van belang, als volgt:

"(...)

[belanghebbende sub 1] heeft een borgstelling lopen van nu nog EUR 656 k. Hoe meer er van de bankfaciliteiten kan worden afgelost hoe minder er van de borgstelling wordt ingeroepen ? [belanghebbende sub 1] heeft dus belang zoveel mogelijk aanvullende inkomsten buiten de koopovereenkomst te genereren. Aangezien de NV geen financiële middelen heeft om jou te kunnen betalen zullen we jou waarschijnlijk ook vanuit [belanghebbende sub 1] moeten inhuren. Is ook in het belang trouwens van de [belanghebbende sub 1]-bestuurders i.v.m. persoonlijke aansprakelijkheid ? [belanghebbende sub 1] is via [belanghebbende sub 3] statutair bestuurder van [eiser].

(...)"

2.3. Mr. Quint heeft hierop geantwoord bij e-mail d.d. 31 maart 2010, voor zover van belang, als volgt:

"(...)

Wij laten ons graag inhuren door [belanghebbende sub 1]. De bevestigingsbrief daartoe gaat heden de deur uit.

(...)"

2.4. De bevestigingsbrief vermeldt bij "inzake" de navolgende aanduiding: "[belanghebbende sub 1]/advies" en is gericht aan [belanghebbende sub 1] ter attentie van [bestuurder sub 1].

2.5. Bij e-mail d.d. 15 april 2010 is door [gedaagde] een urenoverzicht en conceptdeclaratie verzonden aan [bestuurder sub 1]. Op het bijgevoegde urenoverzicht staat: "urenoverzicht inzake: [belanghebbende sub 1]/advies" en de cliëntnaam: "[belanghebbende sub 1]".

2.6. Bij e-mail d.d. 7 mei 2010 heeft de Rabobank, voor zover van belang, het navolgende aan [gedaagde] geschreven:

"Rabobank is bereid de kosten die [belanghebbende sub 1]/dhr [bestuurder sub 1] maakt c.q. heeft gemaakt bij uw kantoor te garanderen tot een bedrag van maximaal EUR 25.000,--. (...)"

2.7. [gedaagde] heeft daarop bij e-mail d.d. 7 mei 2010, voor zover van belang, het navolgende geschreven:

"Mijn kantoor treedt op als advocaat van [eiser] Omdat [eiser] de kosten voor juridische advies dient te maken om de Rabobank ter wille te zijn om zo buiten faillissement een zo hoog mogelijke opbrengst voor de biovergistingsinstallatie te genereren, ziet de heer [bestuurder sub 1] graag dat de Rabobank een bedrag van maximaal EUR 25.000 voor juridische kosten van [eiser] voor haar rekening neemt. (...)"

2.8. Bij e-mail d.d. 21 mei 2010 schrijft [gedaagde] aan [bestuurder sub 1], voor zover van belang, als volgt:

"(...) Bij de totstandkoming van de opdracht met mijn kantoor is afgesproken dat [belanghebbende sub 1] de declaraties betaalt voor de voor [eiser] verrichte werkzaamheden. (...) Ter voorkoming van misverstanden hecht ik waarde eraan op te merken dat de vordering van mijn kantoor op [belanghebbende sub 1] blijft bestaan totdat betaling van de onderhavige declaratie heeft plaatsgevonden.

Omdat bij de totstandkoming van de opdracht is afgesproken dat [belanghebbende sub 1] de declaraties zal betalen, is door onze administratie de naam "[belanghebbende sub 1]/advies" aan het dossier gegeven. Strikt genomen is dit niet een juiste benaming omdat niet [belanghebbende sub 1] N.V., maar [eiser] als onze cliënte dient te worden aangemerkt. Teneinde misverstanden te voorkomen heb ik onze administratie verzocht de naam van het dossier te wijzigen in "[eiser]/overname advies".

2.9. In verband met de sinds het boekjaar 2006 geleden verliezen heeft het bestuur van [eiser] eind 2009 besloten tot verkoop van de aandelen dan wel de activa over te gaan. In april/mei 2010 zijn alle activa van [eiser] verkocht en overgedragen aan de op 7 mei 2010 opgerichte vennootschap [belanghebbende sub 4]

2.10. Bij vonnis d.d. 8 juni 2010 van de rechtbank Zwolle-Lelystad is [eiser], hierna kortweg te noemen: de gefailleerde, failliet verklaard.

2.11. Vlak voor 8 juni 2010 heeft de gefailleerde aan de Rabobank opdracht gegeven een bedrag van EUR 25.544,89 aan [gedaagde] te betalen. Daarop is een ten name van de gefailleerde staande rekening bij de Rabobank gedebiteerd.

3. De vordering

3.1. De curator vordert - na aanvulling / wijziging van eis - bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde] tot betaling aan de curator van primair EUR 25.544,89 en subsidiair een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf primair 11 oktober 2010, subsidiair 10 maart 2011 en meer subsidiair vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van EUR 1.158,00 en in de kosten van deze procedure.

3.2. [gedaagde] voert verweer en vordert bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, niet-ontvankelijk verklaring van de curator althans afwijzing van diens vordering met veroordeling van de curator in de kosten van de procedure.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De curator vordert primair betaling van [gedaagde] (EUR 25.544,89) uit hoofde van onverschuldigde betaling. Aan deze vordering legt de curator ten grondslag dat niet tussen de gefailleerde en [gedaagde] maar tussen [belanghebbende sub 1] en [gedaagde] een overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen, zulks onder verwijzing naar de e-mailcorrespondentie tussen met name [bestuurder sub 1], [gedaagde] en de Rabobank en de wijze waarop een en ander bij [gedaagde] is geadministreerd. De door [gedaagde] verrichte werkzaamheden zijn ook ten behoeve van [belanghebbende sub 1] verricht. Er bestond dan ook geen grondslag voor de betaling door de gefailleerde aan [gedaagde], zodat het bedrag aan de boedel terugbetaald dient te worden.

4.2. De curator voert daarenboven aan dat de betaling door de gefailleerde aan [gedaagde] in strijd met het fixatiebeginsel, als bedoeld in artikel 23 Fw, heeft plaatsgevonden. Het is de rechtbank niet duidelijk in hoeverre deze stelling bijdraagt aan het standpunt dat er onverschuldigd is betaald. De rechtbank beschouwt deze stelling daarom als een subsidiaire grondslag, aangezien een betaling in strijd met het fixatiebeginsel door de curator kan worden teruggevorderd en deze stelling dus past binnen de vordering van de curator.

4.3. Van onverschuldigde betaling is geen sprake, aldus het verweer van [gedaagde]. Er is tussen [gedaagde] en de gefailleerde een overeenkomst van opdracht tot stand gekomen. De bedoeling van partijen ([gedaagde] en de gefailleerde) was dat [gedaagde] zou optreden ten behoeve van de gefailleerde en dat [belanghebbende sub 1] garant zou staan voor de betaling van de facturen van [gedaagde]. De door [gedaagde] verrichte werkzaamheden zijn ook ten behoeve van de gefailleerde verricht. Het is weliswaar juist dat in eerste instantie [belanghebbende sub 1] als opdrachtgever / cliënt in de administratie van [gedaagde] stond vermeld, maar dit was een omissie die later is hersteld. Voorts is er geen sprake van strijd met het fixatiebeginsel, omdat - kort gezegd - de gelden (de betaling) niet afkomstig waren (was) uit het beschikbare vermogen van de gefailleerde. Er is immers niet beschikt over activa die te gelde gemaakt konden worden. Ten slotte heeft [gedaagde] aangevoerd dat de curator geen belang heeft bij de onderhavige vordering omdat geen nadeel voor de boedel is ontstaan door de betaling; de betaling is niet ten laste van de boedel gekomen.

4.4. [gedaagde] heeft geen bezwaar gemaakt tegen de aanvulling / wijziging van eis, zodat de rechtbank bij de beoordeling uit zal gaan van de aangevulde / gewijzigde eis van de curator, nu deze ook overigens niet in strijd is met de goede procesorde. De rechtbank begrijpt de gewijzigde eis daarbij aldus dat indien moet worden vastgesteld dat er - anders dan de curator stelt - wel een overeenkomst van opdracht tussen de gefailleerde en [gedaagde] tot stand is gekomen, dat deel van de betaling aan [gedaagde] dat ziet op ten behoeve van [belanghebbende sub 1] verrichte werkzaamheden door [gedaagde] als onverschuldigd terugbetaald dient te worden.

4.5. Het meest verstrekkende verweer van [gedaagde] is dat de boedel niet is geschaad door de betaling aan [gedaagde], zodat de curator ex artikel 3:303 BW geen belang heeft bij de onderhavige vordering en de vordering reeds om die reden dient te stranden. Ter nadere onderbouwing daartoe heeft [gedaagde] het navolgende aangevoerd. De betaling aan [gedaagde] heeft plaatsgevonden uit de kredietfaciliteit bij de Rabobank. De vordering van de Rabobank op de gefailleerde (voorzover het de betaling aan [gedaagde] betreft) is volgens mededeling van de curator bij brief van 11 oktober 2010 niet-verifieerbaar. Dit brengt met zich dat de betaling aan [gedaagde] geen effect heeft gehad op de omvang van de boedel en derhalve de boedel niet heeft benadeeld, aldus [gedaagde]. In het verlengde daarvan heeft [gedaagde] gesteld dat nu de betaling door de gefailleerde aan [gedaagde] niet ten laste van boedel is gekomen, van een betaling in de zin van artikel 6:203 BW geen sprake is.

4.6. De curator heeft niet betwist dat hij zich op het standpunt heeft gesteld dat de vordering van de Rabobank (voorzover het de betaling aan [gedaagde] betreft) niet-verifieerbaar is. De curator heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat hij als curator de boedel dient te beheren en te vereffenen en daarom een belang heeft.

4.7. Het tussen partijen gevoerde debat geeft onvoldoende informatie om tot een beoordeling van het door [gedaagde] opgeworpen verweer, dat de curator geen belang heeft bij de onderhavige vordering, te komen. De rechtbank wenst met name geïnformeerd te worden over de status van de vordering van de Rabobank (voorzover het de betaling aan [gedaagde] betreft) in het faillissement, de consequenties daarvan voor de boedel en in het verlengde daarvan de juistheid van het door [gedaagde] ingenomen standpunt dat de curator geen belang heeft bij de onderhavige vordering. Alvorens eventueel toegekomen wordt aan de beoordeling van de vraag tussen welke partijen een overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen en de vraag of de betaling aan [gedaagde] in strijd met het fixatiebeginsel is, wil de rechtbank dan ook op dit punt nader geïnformeerd worden. De rechtbank stelt partijen in de gelegenheid zich bij akte nader uit te laten over de door [gedaagde] opgeworpen stelling dat de curator geen belang heeft, waarbij de kwintessens van de stelling van [gedaagde] is dat er geen betaling ten laste van de boedel heeft plaatsgevonden omdat de vordering van de Rabobank voor wat betreft de betaling aan [gedaagde] niet-verifieerbaar zou zijn. De curator zal eerst in de gelegenheid worden gesteld zich bij akte uit te laten, waarna [gedaagde] zich bij antwoordakte kan uitlaten. De rechtbank zal de zaak daartoe naar de rol verwijzen.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 3 oktober 2012 voor het nemen van een akte door de curator over hetgeen is vermeld onder 4.7, waarna de wederpartij op de rol van 4 weken daarna een antwoordakte kan nemen,

5.2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.S. Lebens-de Mug, mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard en mr. I.F. Clement en in het openbaar uitgesproken door mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard op 5 september 2012.