Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BX9595

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
12-09-2012
Datum publicatie
31-10-2012
Zaaknummer
184407
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ruzieënde buren over erfdienstbaarheid van (uit)weg.

De omstandigheden waarop eiseressen een beroep doen zijn in een eerder oordeel van de rechtbank al meegenomen:

gezag van gewijsde. Een andere formulering van de vordering verandert daar niets aan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2013/83
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

Locatie Zwolle

zaaknummer / rolnummer: 184407 / HZ ZA 11-487

Vonnis van 12 september 2012

in de zaak van

1. [eiseres sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [eiseres sub 2],

wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat mr. J.J.M. Pinners te Zwolle,

tegen

1. [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat mr. M. Snel-de Kroon te Deventer.

Eiseressen zullen gezamenlijk [eiseressen] genoemd worden en afzonderlijk [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2]. Gedaagden zullen gezamenlijk [gedaagden] genoemd worden en afzonderlijk [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2].

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 7 april 2011

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek

- de d.d. 23 februari 2012 ingebrachte productie van de zijde van [gedaagden]

- de akte houdende overlegging producties aan de zijde van [eiseressen]

- de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde pleitnota's.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiseressen] en [gedaagden] zijn buren, aan de [adres] respectievelijk [nummer] te [woonplaats].

2.2. Bij notariële akte van 19 mei 1993 heeft [eiseres sub 2] de eigendom verkregen van het landhuisje [naam] met aanhorigheden, ondergrond, erf en tuin, bos en weg, gelegen aan de [adres] te [woonplaats]. Het aldus verkregen perceel betrof een gedeelte van het perceel dat destijds kadastraal bekend was als gemeente [gemeente], sectie L, nummer [nummer] en thans kadastraal bekend is als gemeente [gemeente], sectie L nummer [nummer]. Het andere gedeelte van het oorspronkelijke perceel [nummer], thans kadastraal bekend gemeente [gemeente], sectie L nummer [nummer], bleef in eigendom van [verkopers] (hierna: de verkopers).

2.3. [eiseres sub 1] was destijds geen partij bij de koopovereenkomst maar was als partner van [eiseres sub 2] bij de totstandkoming daarvan wel nauw betrokken. Inmiddels is [eiseres sub 1] in gemeenschap van goederen gehuwd met [eiseres sub 2].

2.4. In verband met de ligging van het in 1993 aan [eiseres sub 2] geleverde perceelgedeelte en het aan verkopers verblijvende gedeelte van het perceel, is bij dezelfde notariële akte van 19 mei 1993 een erfdienstbaarheid gevestigd ten laste van het perceel van [eiseres sub 2] en ten gunste van het aan verkopers verblijvende gedeelte van het perceel. In de akte is de erfdienstbaarheid als volgt omschreven:

"de verplichting voor de eigenaar van het dienende erf te dulden dat de bestaande (uit-)weg - deel uitmakende van het bij deze akte verkochte gedeelte van voormeld kadastraal perceel, zoals schetsmatig is aangegeven op de aan deze akte te hechten situatietekening - door de eigenaar van het heersende erf wordt gebruikt om vanaf de [straat] het heersend erf te kunnen bereiken, te voet, met kleine voertuigen, een auto, of vrachtwagen, overeenkomstig het huidige gebruik op de voor de eigenaar van het dienende erf minst bezwarende wijze - en omgekeerd om vanaf het heersend erf naar de [straat] te gaan; (...)"

2.5. Op het aan de verkopers verblijvende gedeelte van het perceel stonden ten tijde van de verkoop een zomer/vakantiehuisje en een drietal schuren. Het zomer/vakantiehuisje is later als noodwoning aangemerkt door de toenmalige gemeente [gemeente].

2.6. Bij notariële akte van 8 september 1993 hebben verkopers het perceel met kadastraal nummer L [nummer] in eigendom overgedragen aan [gedaagde sub 2].

2.7. [gedaagde sub 1] heeft op 14 september 1994 een aan voormeld perceel [nummer] grenzend stuk grasland in eigendom verkregen, kadastraal bekend gemeente [gemeente], sectie L nummer [nummer].

2.8. Eind 1994 is een nieuw bestemmingsplan in werking getreden, dat voorzag in een woonbestemming voor perceel [nummer].

2.9. [gedaagden] heeft op 15 mei 1995 een bouwvergunning aangevraagd voor de bouw van een woning op perceel [nummer] en heeft deze vergunning op 4 juli 1995 gekregen. De woning is enige tijd later gerealiseerd en wordt sindsdien permanent door [gedaagden] bewoond.

2.10. Vanaf het moment waarop [gedaagden] de woning permanent bewoonden gebruikten zij vier ontsluitingsroutes om hun perceel te bereiken: (1) de weg over het perceel van [eiseressen], (2) een onverhard bospad over het perceel van [gedaagden] met een aansluiting op de [straat], (3) dezelfde weg als onder 2 maar dan met een aansluiting op de Oude Postweg en (4) een ontsluitingsweg aan de zuidzijde van het perceel van [gedaagden] die deels op het perceel van [gedaagden] en deels op een naastgelegen en vrij toegankelijk perceel van de [stichting] is gelegen.

2.11. Op 25 november 1999 heeft [gedaagden] bij de gemeente [gemeente] een aanlegvergunning aangevraagd voor een vier meter brede eigen ontsluitingsweg op de locatie van het bestaande bospad. Bij besluit van 21 januari 2000 is die vergunning met het oog op natuur- en landschapsbeheer geweigerd, voor zover [gedaagden] het bestaande bospad wilde verbreden of verharden ten behoeve van gemotoriseerd verkeer. De gemeente heeft wel een gedoogbesluit afgegeven, inhoudende dat het bestaande bospad door [gedaagden] en bezoekers mocht worden gebruikt als uitweg ten behoeve van gemotoriseerd verkeer, mits geen blijvende schade aan de natuurlijke omgeving zou worden toegebracht.

2.12. Bij brief van 16 februari 2000 heeft de gemeente [gedaagden] laten weten voornemens te zijn het gedoogbesluit in te trekken omdat is gebleken dat [gedaagde sub 1], in weerwil van zijn eerdere verklaring tegen de gemeente, illegaal houtopstand had geveld.

2.13. [eiseres sub 2] is bij dagvaarding van 23 augustus 2001 bij deze rechtbank een civiele procedure gestart tegen [gedaagde sub 2]. Daarbij heeft [eiseres sub 2] opheffing dan wel wijziging van de erfdienstbaarheid gevorderd op grond van de artikelen 5:78 onder a en 5:79 BW.

2.14. [eiseressen] heeft hangende voormelde procedure bij de gemeente een vergunning aangevraagd en gekregen voor de eventuele nieuw uitweg, ondanks bezwaar daartegen van [gedaagden]

2.15. Bij vonnis van 23 juni 2004 heeft de rechtbank geoordeeld dat, kort gezegd, algehele opheffing van de erfdienstbaarheid niet in de rede lag, maar dat [eiseres sub 2] de erfdienstbaarheid wel mocht verleggen naar de huidige ontsluitingsweg, waarvoor inmiddels een uitwegvergunning was verleend.

2.16. Op 7 juli 2004 is de nieuwe uitweg ingeschreven in het kadaster en is begonnen met de aanleg van deze weg. Op 10 juli 2004 is de oude uitweg gesloten.

2.17. [gedaagde sub 2] is sinds 18 december 2009 eigenaar van een perceeltje bosgrond gelegen nabij de woning [adres] te [woonplaats], kadastraal bekend gemeente [gemeente], sectie L nummer [nummer].

3. Het geschil

3.1. [eiseressen] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. voor recht verklaart dat onder de bepaling "overeenkomstig het huidige gebruik" als vermeld in de akte van levering d.d. 19 mei 1993 moet worden verstaan "het gebruik ten behoeve van kleinschalige agrarische activiteiten";

2. [gedaagden] de overgang verbiedt over de percelen kadastraal bekend gemeente [gemeente], sectie L, nummers [nummer] en [nummer], zowel voor hen als derden, anders dan het gebruik als omschreven in sub 1 van het petitum, op straffe van een dwangsom van EUR 1.000,00 voor iedere overtreding;

3. [gedaagden] veroordeelt in de kosten van de procedure.

3.2. [eiseressen] legt aan de vorderingen ten grondslag dat [gedaagden] intensief gebruik maakt van de weg waarop de erfdienstbaarheid thans is gevestigd. Dit gebruik houdt een verzwaring van de erfdienstbaarheid in, die in strijd is met de doelen waarvoor de erfdienstbaarheid destijds is gevestigd. Voor de uitleg van de erfdienstbaarheid dient gekeken te worden naar de in de akte van 19 mei 1993 tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling, die moet worden afgeleid uit de in de akte gebezigde bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte (vgl. HR 13 juni 2003, NJ 2004, 251). De bewoordingen van die akte maken volgens [eiseressen] geen andere uitleg mogelijk dan dat er een erfdienstbaarheid is gevestigd, conform het gebruik van dat perceel ten tijde van de vestiging van de erfdienstbaarheid. Dat gebruik betrof het gebruik voor kleinschalige agrarische doeleinden. Het huidige gebruik, dat het gevolg is van de permanente bewoning op perceel [nummer], verschillende werkzaamheden die [gedaagden] op perceel [nummer] ontplooit en de aankoop van twee nabijgelegen percelen [nummer] en [nummer] door [gedaagden], die op dezelfde wijze worden ontsloten als perceel [nummer], is hiermee niet in overeenstemming. [gedaagden] maakt derhalve inbreuk op het eigendomsrecht van [eiseressen] en [eiseressen] heeft belang bij de ingestelde vorderingen.

3.3. [gedaagden] voert de navolgende verweren.

Primair beroept [gedaagden] zich op het gezag van gewijsde van het vonnis van 23 juni 2004, volgens welk vonnis het huidige gebruik van de erfdienstbaarheid is toegestaan.

Subsidiair betwist [gedaagden] de door [eiseressen] voorgestane uitleg van de erfdienstbaarheid naar de in de akte van 19 mei 1993 tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling.

Meer subsidiair voert [gedaagden] aan dat toewijzing van de vordering naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. [gedaagden] betwist dat alternatieve ontsluitingswegen mogelijk zijn.

[gedaagden] concludeert tot afwijzing van de vordering en veroordeling van

[eiseressen] in de werkelijke proceskosten op grond van onrechtmatig procederen of misbruik van recht.

4. De beoordeling

4.1. De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 236 Rv gezag van gewijsde toekomt aan beslissingen aangaande de rechtsbetrekking in geschil die zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, waarbij onder "rechtsbetrekking in geschil" dient te worden verstaan het geschilpunt of de rechtsvraag die partijen verdeeld houdt. Gezag van gewijsde komt derhalve toe aan die beslissingen in een vonnis, waarin de rechter aan bepaalde feiten rechtsgevolgen heeft verbonden, ongeacht of deze beslissingen zijn neergelegd in het dictum, dan wel slechts deel uitmaken van de overwegingen. In essentie strekt het leerstuk ertoe een einde te maken aan geschillen omtrent dezelfde rechtsbetrekking. Het antwoord op de vraag of aan een beslissing in een eerder vonnis gezag van gewijsde toekomt, hangt af (1) van de inhoud en strekking van die eerdere beslissing en (2) van de beoordeling van de ingestelde vordering in de volgende procedure. Het betreft derhalve een kwestie van uitleg van de desbetreffende beslissing en de vordering.

4.2. Volgens [gedaagden] stuiten de vorderingen af op het gezag van gewijsde van het vonnis van 23 juni 2004. Daartoe voert [gedaagden] aan dat de door [eiseressen] aangevoerde omstandigheden ter onderbouwing van geïntensiveerd gebruik al door de rechtbank zijn gewogen in voormeld vonnis met als uitkomst de verlegging van de erfdienstbaarheid. Dit betekent dat niet het in 1993 bedoelde gebruik maar het gebruik dat in 2004 heeft geleid tot verlegging van de erfdienstbaarheid als norm heeft te gelden. Daarvan uitgaande is van intensiever gebruik geen sprake.

4.3. [eiseressen] stelt daartegenover dat met het vonnis van 23 juni 2004 de in 1993 gevestigde erfdienstbaarheid is verlegd maar dat daarmee alleen de ligging en niet de inhoud van de erfdienstbaarheid is veranderd. De rechtbank heeft zich in voormeld vonnis niet uitgelaten over de vraag wat moet worden verstaan onder "overeenkomstig het huidige gebruik" in de akte van 19 mei 1993, zodat het gezag van gewijsde van het vonnis niet in de weg staat aan beoordeling van de onderhavige vorderingen door de rechtbank.

4.4. De rechtbank stelt vast dat [eiseres sub 2] in de procedure die tot het vonnis van 23 juni 2004 heeft geleid opheffing dan wel wijziging van de in 1993 gevestigde erfdienstbaarheid heeft gevorderd op grond van de artikelen 5:78 onder a en 5:79 BW. Daartoe heeft [eiseres sub 2] destijds aangevoerd dat sprake was van gebruik door [gedaagden] van de erfdienstbaarheid in strijd met de omschrijving in de akte van 19 mei 1993, althans van gebruik dat ten opzichte van die omschrijving een verzwaring inhield. Meer in het bijzonder heeft [eiseres sub 2] zich beroepen op de intensievere bedrijvigheid die de permanente bewoning van perceel [nummer] met zich bracht en op de veroorzaakte overlast door diverse werkzaamheden en activiteiten van [gedaagden] op de percelen [nummer] en [nummer]. Die overlast heeft bestaan uit sloop- en bouwwerkzaamheden, het houden van dieren en de (bijna dagelijkse) aan- en afvoer van groenafval en hout in grote tractoren, aanhangers, kiepkarren en giertanken. Daarnaast was sprake van gasten die in de schuur of in tentenkampen of caravans op het terrein verblijven.

4.5. Naar aanleiding van de door [eiseres sub 2] aangevoerde omstandigheden heeft de rechtbank in het vonnis overwogen dat die omstandigheden ten tijde van de vestiging van de erfdienstbaarheid mogelijk tenminste voor een deel onvoorziene omstandigheden opleveren, maar dat deze niet van dien aard zijn te achten dat algehele (door [eiseres sub 2] primair gevorderde) opheffing van de erfdienstbaarheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid in de rede ligt. [gedaagden] zou daarmee te zeer worden benadeeld nu vaststaat dat er geen reële laat staan gelijkwaardige alternatieven aanwezig zijn. Bovendien is de rechtbank er niet van overtuigd geraakt dat de door [eiseres sub 2] aangevoerde verzwarende omstandigheden een direct gevolg zijn van de verwerving door [gedaagde sub 1] van perceel [nummer]. Verder rustte op perceel [nummer] krachtens het toen geldende bestemmingsplan blijkbaar al een woonbestemming toen [eiseres sub 2] perceel [nummer] in 1993 in eigendom verwierf, aldus de rechtbank in meergenoemd vonnis. Ook de subsidiair gevorderde wijziging oordeelde de rechtbank niet toewijsbaar op dezelfde gronden. De rechtbank heeft wel toewijsbaar geacht de meer subsidiair gevorderde wijziging omdat de daarvoor aan te wijzen weg de meest aangewezen keuze is en [eiseressen] voor die weg een aanlegvergunning van de gemeente heeft bekomen.

4.6. In de onderhavige procedure vordert [eiseressen] een verklaring voor recht dat onder het huidige gebruik in de akte van 19 mei 1993 moet worden verstaan het gebruik ten behoeve van kleinschalige agrarische activiteiten en, kort gezegd, een verbod voor [gedaagden] op overgang anders dan hiervoor omschreven.

De rechtbank constateert dat [eiseressen] haar vordering thans anders heeft geformuleerd dan de vordering die tot het vonnis van 23 juni 2004 heeft geleid. [eiseressen] beroept zich ter onderbouwing van deze vordering echter wederom op overschrijding van het in de akte van 19 mei 1993 neergelegde gebruik en voert daartoe vrijwel dezelfde omstandigheden aan als de omstandigheden die in de eerdere procedure aan de rechtbank zijn voorgelegd. Aan [eiseressen] kan worden toegegeven dat in het vonnis niet met zoveel worden is vastgesteld wat onder het huidige gebruik als vermeld in de akte moet worden verstaan. De rechtbank is evenwel van oordeel dat het vonnis zo uitgelegd moet worden dat op grond van de destijds door [eiseres sub 2] aangevoerde omstandigheden, waaronder de wijziging van bestemming van perceel [nummer] naar een woonbestemming, de vordering tot verlegging van de erfdienstbaarheid is toegewezen en dat het toenmalige gebruik past binnen de grenzen als in de akte is vermeld. Het is dan met het gezag van gewijsde onverenigbaar dat [eiseressen], met andermaal een beroep op overschrijding van het gebruik, alsnog de door [eiseressen] voorgestane uitleg van het gebruik vastgesteld wil doen zien, ook al tracht [eiseressen] dat in de onderhavige procedure te bereiken door een andere formulering van de vordering. Zulks klemt te meer, daar toewijzing van het gevorderde feitelijk tot gevolg zal hebben dat [eiseressen] ontkomt aan de bij het vonnis van 23 juni 2004 (impliciet) vastgestelde erfdienstbaarheid.

4.7. Het vorenstaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat de gevorderde verklaring voor recht en het gevorderde verbod afstuiten op het gezag van gewijsde van het vonnis van 23 juni 2004 en de bij dat vonnis vastgestelde erfdienstbaarheid.

4.8. Nu de onderbouwing van de vorderingen is gelegen in het geïntensiveerde gebruik van de erfdienstbaarheid ten opzichte van het in 1993 bedoelde gebruik en de vorderingen ook op het in 1993 bedoelde gebruik van de erfdienstbaarheid zijn toegesneden, is beoordeling van de vraag of thans sprake is van gebruik dat strijdig is met de bij het vonnis van 23 juni 2004 vastgestelde erfdienstbaarheid niet aan de orde. De rechtbank is overigens van oordeel dat vorenbedoelde strijdigheid niet is komen vast te staan. Daartoe acht de rechtbank van belang dat [gedaagden] gemotiveerd heeft aangevoerd dat vanaf de datum van het vonnis van 23 juni 2004 geen sprake is van geïntensiveerd gebruik van de erfdienstbaarheid en dat de enige sindsdien gewijzigde omstandigheid (de aankoop van het perceel bosgrond met nummer [nummer]) volgens [gedaagden] in redelijkheid niet geacht kan worden een intensivering van het gebruik mee te brengen. [eiseressen] heeft hier naar het oordeel van de rechtbank niets, althans onvoldoende, tegen ingebracht.

Proceskosten

4.9. [gedaagden] vordert dat [eiseressen] in de werkelijke proceskosten van [gedaagden] wordt veroordeeld omdat sprake is geweest van onrechtmatig procederen of misbruik van procesrecht door [eiseressen].

4.10. De rechtbank overweegt dat plaats kan zijn voor integrale vergoeding van proceskosten indien sprake is van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen.

Daarvan is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM (vgl. HR 6 april 2012, NJ 2012, 233).

4.11. Uitgaande van de hiervoor vermelde maatstaven is de rechtbank van oordeel dat in dit geval niet gezegd kan worden dat de vorderingen op voorhand geheel kansloos waren. Aan [eiseressen] kwam het recht toe om het oordeel van de rechter te vragen over de gegrondheid van de vordering, meer in het bijzonder over de reikwijdte van de erfdienstbaarheid, mede gezien het vonnis van 23 juni 2004. De omstandigheid dat de rechtbank heeft geoordeeld dat de vorderingen afstuiten op het gezag van gewijsde van dat vonnis en niet is gebleken van geïntensiveerd gebruik van de erfdienstbaarheid sindsdien, brengt niet zonder meer mee dat sprake is van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door [eiseressen], mede gezien de hiervoor bedoelde terughoudendheid die in dat kader in acht dient te worden genomen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om [eiseressen] te veroordelen in de werkelijke proceskosten van [gedaagden].

4.12. [eiseressen] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld conform het liquidatietarief. De kosten aan de zijde van [gedaagden] worden begroot op:

- griffierecht EUR 258,00

- salaris advocaat 1.808,00 (4,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 2.066,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiseressen] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden] tot op heden begroot op EUR 2.066,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.S. Lebens-de Mug, mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard en mr. M. Willemse en in het openbaar uitgesproken door mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard

op 12 september 2012.