Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BX8572

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
04-09-2012
Datum publicatie
28-09-2012
Zaaknummer
07.660089-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat onder meer het bijten in de wang en het duwen tegen het lichaam van het slachtoffer waardoor haar hoofd tegen de muur kwam, uitvoeringshandelingen zijn van een poging toebrengen zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank verwerpt het beroep op putatief noodweer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector strafrecht

Parketnummer: 07.660089-12 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 4 september 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum],

wonende [adres].

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het onderzoek heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 21 augustus 2012 te Lelystad, waarbij de verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.J.D. van Doleweerd, advocaat te Amersfoort.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R. de Kruijk en van de standpunten door de raadsman van verdachte naar voren gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 02 februari 2012 in de gemeente Almere opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 1]), (met kracht) (meermalen) op de grond heeft gegooid en/of (vervolgens) (terwijl deze [slachtoffer 1] op de grond lag) (met kracht) (meermalen) in/tegen de zij, althans op/tegen het lichaam heeft geschopt/getrapt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 11 maart 2012 (omstreeks 03.00 uur) in de gemeente Almere ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn echtgenote, althans een persoon genaamd [slachtoffer 2] (terwijl die [slachtoffer 2] zwanger was), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

- (met kracht) (met beide handen) bij de keel heeft vastgepakt en/of (vervolgens) de keel heeft dichtgeknepen (waardoor die [slachtoffer 2] weinig lucht kreeg) en/of

- (met kracht) (meermalen) met het wieltje van een aansteker over de wang(en) heeft geschuurd,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 11 maart 2012 (omstreeks 03.00 uur) in de gemeente Almere opzettelijk mishandelend zijn echtgenote, althans een persoon, te weten [slachtoffer 2] (terwijl die [slachtoffer 2] zwanger was),

- (met kracht) (met beide handen) bij de keel heeft vastgepakt en/of (vervolgens) de keel heeft dichtgeknepen (waardoor die [slachtoffer 2] weinig lucht kreeg) en/of

- (met kracht) (meermalen) met het wieltje van een aansteker over de wang(en) heeft geschuurd,

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

3.

hij op of omstreeks 11 maart 2012 (omstreeks 11.00 uur) in de gemeente Almere ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn echtgenote, althans een persoon genaamd [slachtoffer 2] (terwijl die [slachtoffer 2] zwanger was), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet,

- (met kracht) in/op/tegen het gezicht, althans op/tegen het hoofd heeft gestompt/geslagen en/of

- (met kracht) (met beide handen) op/tegen de borst, althans op/tegen het lichaam, heeft geduwd, waardoor deze [slachtoffer 2] ten val is gekomen en/of (daarbij) met het hoofd tegen de muur is gekomen en/of

- (terwijl deze [slachtoffer 2] op de grond lag) bovenop haar gaan zitten en/of (vervolgens) het hoofd heeft vastgehouden en/of (vervolgens) een vinger in de mond van de [slachtoffer 2] gestoken en/of (vervolgens) in de wang heeft gebeten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 11 maart 2012 (omstreeks 11.00 uur) in de gemeente Almere opzettelijk mishandelend zijn echtgenote, althans een persoon, te weten [slachtoffer 2] (terwijl die [slachtoffer 2] zwanger was),

- (met kracht) in/op/tegen het gezicht, althans op/tegen het hoofd heeft gestompt/geslagen en/of

- (met kracht) (met beide handen) op/tegen de borst, althans op/tegen het lichaam, heeft geduwd, waardoor deze [slachtoffer 2] ten val is gekomen en/of (daarbij) met het hoofd tegen de muur is gekomen en/of

- (terwijl deze [slachtoffer 2] op de grond lag) bovenop haar gaan zitten en/of (vervolgens) het hoofd heeft vastgehouden en/of (vervolgens) een vinger in de mond van de [slachtoffer 2] gestoken en/of (vervolgens) in de wang heeft gebeten,

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Voor zover zich in de tenlastelegging eventuele kennelijke schrijffouten bevinden verbetert de rechtbank deze. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Inleiding

Op 2 februari 2012 meldt [slachtoffer 1] (verder: aangever) aan de politie dat hij is mishandeld door verdachte. Aangever heeft vervolgens op 12 maart 2012 aangifte gedaan van de vermeende mishandeling op 2 februari 2012 door verdachte.

Op 11 maart 2012 doet [slachtoffer 2] (verder: aangeefster) aangifte van mishandeling door haar echtgenoot [verdachte], te weten verdachte. Diezelfde dag is verdachte aangehouden.

Het standpunt van de officier van justitie

Feit 1.

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, gelet op de – met elkaar overeen komende – verklaringen van aangever en [getuige 1].

Feit 2.

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte van het primair ten laste gelegde vrij te spreken, vanwege het ontbreken van (voorwaardelijk) opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De officier van justitie acht het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, gelet op de verklaring van aangeefster en de foto’s van het letsel.

Feit 3.

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, gelet op de verklaring van aangeefster en de foto’s van het letsel.

Het standpunt van de verdediging

Feit 1.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 ten laste gelegde. De verklaringen van aangever en [getuige 1] zijn dusdanig verschillend dat deze niet betrouwbaar zijn, zodat deze verklaringen dienen te worden uitgesloten voor het bewijs.

Feit 2 en 3.

De raadsman heeft bepleit verdachte integraal vrij te spreken van het onder 2 en 3 ten laste gelegde. De raadsman heeft zich primair beroepen op een uitspraak van het Europese Hof. Volgens uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens d.d. 10 juli 2012, 29353.06 (gepubliceerd in de NBStraf 2012/254) kan de verklaring van aangeefster niet voor het bewijs worden gebezigd, aangezien een eventuele bewezenverklaring overwegend gebaseerd zal worden op haar verklaring, terwijl de verdediging onvoldoende in de gelegenheid is gesteld aangeefster te ondervragen. Aangeefster heeft zich bij de rechter-commissaris immers beroepen op haar verschoningsrecht. Uit de overige bewijsmiddelen kan niet worden afgeleid dat verdachte het letsel bij aangeefster heeft veroorzaakt.

Subsidiair heeft de raadsman bepleit de verklaring van aangeefster niet voor het bewijs te bezigen, aangezien deze onvoldoende betrouwbaar is.

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1.

Aangever heeft verklaard dat hij op 2 februari 2012 omstreeks 13.30 uur in Almere was. Voorts heeft aangever verklaard dat verdachte hem beet pakte en op de grond gooide. Vervolgens schopte verdachte aangever een aantal malen in zijn linkerzij, terwijl aangever op de grond lag, waardoor aangever pijn ondervond. Hierna gooide verdachte aangever wederom op de grond. Aangever heeft voorts verklaard dat hij verwondingen aan zijn linker elleboog en knie had opgelopen, doordat hij op de grond viel. Een botje in de elleboog is losgeraakt.

Tegenover de rechter-commissaris heeft aangever verklaard dat zijn aangifte juist is, behalve dat hij viel door toedoen van verdachte. Aangever heeft wederom verklaard dat hij twee à drie keer in zijn zij is geschopt door verdachte toen hij op de grond lag en – nadat hij opstond – wederom tegen de grond is gewerkt door verdachte.

[Getuige 1] heeft verklaard dat zij op 2 februari 2012 in Almere was. Zij zag dat verdachte aangever drie keer naar de grond werkte. Tevens schopte verdachte aangever toen aangever op de grond lag. Tegenover de rechter-commissaris heeft [getuige 1] verklaard dat aangever driemaal is gevloerd door verdachte. Voorts heeft verdachte aangever tegen zijn ribben getrapt.

De rechtbank stelt vast dat zowel aangever als [getuige 1] tot tweemaal toe hebben verklaard dat aangever door verdachte op de grond is gegooid en (meermalen) in zijn zij is geschopt toen aangever op de grond lag. De verklaringen van aangever en [getuige 1] zijn op belangrijke punten eensluidend en gedetailleerd, waardoor niet aannemelijk is geworden dat zij hun verklaringen in strijd met de waarheid hebben afgelegd. De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen omtrent de betrouwbaarheid van de door hen afgelegde verklaringen.

Daarbij komt dat het letsel van aangever, te weten letsel aan de elleboog en een schaafwond op de knie , past bij het door aangever en [getuige 1] geschetste mishandeling. De rechtbank acht dan ook de verklaringen, in onderlinge samenhang gelezen, betrouwbaar.

Ondanks de ontkennende verklaring van verdachte acht de rechtbank derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 2 februari 2012 te Almere meermalen aangever op de grond heeft gegooid en hem – terwijl hij op de grond lag – meermalen in zijn zij heeft geschopt.

Feit 2 en 3.

* Algemeen.

Aangeefster [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij op 11 maart 2012 omstreeks 03.00 uur in Almere was. Aangeefster heeft verklaard dat verdachte haar met kracht met beide handen bij haar keel pakte. Vervolgens kneep verdacht de keel van aangeefster dicht, waardoor zij weinig lucht kreeg. Vervolgens schuurde verdachte meermalen met het wieltje van een aansteker over beide wangen van aangeefster.

Aangeefster heeft tevens verklaard dat zij drie maanden zwanger was.

Diezelfde dag omstreeks 11.00 uur gaf verdachte aangeefster met de platte hand een klap op haar rechterwang. Vervolgens duwde verdachte aangeefster met beiden handen met kracht op aangeefsters borst, waardoor aangeefster met haar rug op de grond terecht kwam en met haar hoofd tegen de muur kwam. Verdachte is daarna op aangeefster gaan zitten. Verdachte hield aangeefsters hoofd vast en stak zijn vinger in aangeefsters mond. Daarna beet verdachte in aangeefsters wang.

Achter de aangifte – eveneens gedaan op 11 maart 2012 – bevinden zich foto’s van het letsel van aangeefster. Op de foto’s is het volgende letsel te zien: striemen in de nek en hals, rode plekken op een arm, een rood oor en krassen op beide wangen. De rechtbank is van oordeel dat het letsel van aangeefster past bij de door haar geschetste mishandelingen.

Voorts heeft [getuige 2] tegenover [verbalisant] verklaard dat verdachte haar vertelde dat hij aangeefster met een aansteker had mishandeld. De ter terechtzitting afgelegde verklaring van verdachte dat het letsel is veroorzaakt door een ander voor hem onbekende persoon is de rechtbank, gelet op het vorenstaande, niet aannemelijk geworden. De rechtbank acht in dit geval geen sprake van een geval als bepleit door de verdediging, waarbij de bewezenverklaring overwegend is gebaseerd op de verklaring van aangeefster. Naast de verklaring van aangeefster, bevinden zich in het dossier immers de foto’s van het letsel van aangeefster en de verklaring van [getuige 2], waaruit blijkt dat verdachte de onder 2 ten laste gelegde mishandeling bekend.

* Feit 2.

Gelet op voorgaande onder “algemeen” acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangeefster – terwijl zij zwanger was – op 11 maart 2012 omstreeks 03.00 uur in Almere met kracht met beide handen bij de keel heeft vastgepakt en vervolgens de keel heeft dichtgeknepen waardoor aangeefster weinig lucht kreeg en met kracht meermalen met het wieltje van een aansteker over de wangen van aangeefster heeft geschuurd.

De hiervoor omschreven handelingen – met name het met beide handen vastpakken en dichtknijpen van de keel – kunnen zwaar lichamelijk letsel tot gevolg hebben en zijn daarmee uitvoeringshandelingen van een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, aangezien het een feit van algemene bekendheid is dat het dichtknijpen van de keel leidt tot zuurstofgebrek hetgeen hersenbeschadiging tot gevolg kan hebben. Naar algemene ervaringsregels is deze kans aanmerkelijk te achten. Door de keel van aangeefster met kracht met beide handen dicht te knijpen heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangeefster hierdoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. De rechtbank acht het primair ten laste gelegde derhalve wettig en overtuigend bewezen.

* Feit 3.

Gelet op voorgaande onder “algemeen” acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangeefster – terwijl zij zwanger was – op 11 maart 2012 omstreeks 11.00 uur in Almere in het gezicht heeft geslagen, met beide handen op de borst heeft geduwd, met kracht met beide handen op de borst heeft geduwd, waardoor aangeefster ten val kwam en met haar hoofd tegen de muur is gekomen en vervolgens op aangeefster is gaan zitten, haar hoofd heeft vastgehouden, een vinger in aangeefsters mond heeft gestoken en in aangeefster wang heeft gebeten.

De hiervoor omschreven handelingen – met name het bijten in de wang en het duwen waardoor aangeefster met haar hoofd tegen de muur is gekomen – kunnen zwaar lichamelijk letsel tot gevolg hebben en zijn daarmee uitvoeringshandelingen van een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De handelingen van verdachte moeten dan ook, gezien de uiterlijke verschijningsvorm, geacht worden op dat letsel gericht te zijn geweest. In ieder geval heeft verdachte, door aldus te handelen, zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat aangeefster zwaar lichamelijk letsel op zou lopen.

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde derhalve wettig en overtuigend bewezen.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

hij op 02 februari 2012 in de gemeente Almere opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 1]), (meermalen) op de grond heeft gegooid en (vervolgens) (terwijl deze [slachtoffer 1] op de grond lag) (meermalen) in de zij heeft geschopt, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

2.

hij op 11 maart 2012 (omstreeks 03.00 uur) in de gemeente Almere ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn echtgenote [slachtoffer 2] (terwijl die [slachtoffer 2] zwanger was), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

- met kracht met beide handen bij de keel heeft vastgepakt en vervolgens de keel heeft dichtgeknepen waardoor die [slachtoffer 2] weinig lucht kreeg en

- met kracht meermalen met het wieltje van een aansteker over de wangen heeft geschuurd,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3.

hij op 11 maart 2012 (omstreeks 11.00 uur) in de gemeente Almere ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn echtgenote [slachtoffer 2] (terwijl die [slachtoffer 2] zwanger was), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet,

- in het gezicht heeft geslagen en

- (met kracht) (met beide handen) op de borst heeft geduwd, waardoor deze [slachtoffer 2] ten val is gekomen en (daarbij) met het hoofd tegen de muur is gekomen en

- (terwijl deze [slachtoffer 2] op de grond lag) bovenop haar gaan zitten en (vervolgens) het hoofd heeft vastgehouden en (vervolgens) een vinger in de mond van de [slachtoffer 2] gestoken en (vervolgens) in de wang heeft gebeten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Van het onder 1, 2 primair en 3 primair meer of anders ten laste gelegde zal verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6 KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

Feit 1:

Mishandeling.

Feit 2 (primair) en feit 3( primair), telkens:

Poging tot zware mishandeling begaan tegen zijn echtgenoot.

7 STRAFBAARHEID

Namens de verdediging is ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde een beroep gedaan op putatief noodweer, subsidiair putatief noodweerexces.

Aangever heeft immers verklaard dat hij struikelde en daardoor verdachte bij de keel greep, waardoor verdachte wellicht in de veronderstelling verkeerde dat aangever hem aanviel. Er is sprake van een logische reactie van verdachte, waar verdachte proportioneel op heeft gereageerd.

De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Voor het slagen van een beroep op putatief noodweer dan wel putatief noodweerexces is vereist dat de verdachte in de verschoonbare dwaling verkeerde dat hij zich tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding moest verdedigen door te handelen zoals is bewezen verklaard.

De rechtbank kan uit de door verdachte afgelegde verklaringen geen omstandigheden afleiden waaruit zou kunnen blijken dat verdachte in de verontschuldigbare indruk verkeerde dat hij zich diende te verdedigen tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, te meer nu verdachte het ten laste gelegde ontkent. De enkele verklaring van aangever – welke hij overigens nadien tegenover de rechter-commissaris heeft ingetrokken – dat hij verdachte bij de keel/schouder had gegrepen toen hij viel en hij kon begrijpen dat verdachte dacht dat hij werd aangevallen, doet aan voorgaande niet af. Temeer nu dit deel van de verklaring van aangever op dat punt geen ondersteuning vindt in de verklaring van [getuige 1].

De rechtbank verwerpt derhalve het door de verdediging gedane beroep op putatief noodweer(exces).

De feiten en verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

8 STRAFOPLEGGING

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan een gedeelte van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met als bijzondere voor¬waarden dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen hem te geven door of namens de reclassering, ook indien dit inhoudt het volgen van een behandeling bij De Waag en het volgen van de cognitieve vaardigheidstraining + en de arbeidsvaardigheden training.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit een aanmerkelijk lagere straf op te leggen, gelet op recente vergelijkbare jurisprudentie waar een verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 180 uren. Tevens dient rekening gehouden te worden met de motivatie van verdachte om mee te werken aan reclasseringstoezicht.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Verdachte heeft zich tweemaal schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van zijn vrouw. De rechtbank tilt zwaar aan geweld binnen de relationele sfeer. In huis en bij zijn partner behoort men zich veilig te kunnen voelen. Het handelen van verdachte vormt dan ook een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Dergelijke feiten hebben in het algemeen een grote impact op (het leven van) een slachtoffer, onder meer in de vorm van gevoelens van angst en onveiligheid.

Tevens heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan de mishandeling van de buurman van zijn vrouw. Uit de verklaring van aangever blijkt dat hij wilde ingrijpen toen verdachte zijn vrouw mishandelde. Vervolgens heeft verdachte zich tegen aangever gekeerd, waardoor aangever zelf slachtoffer werd van een mishandeling. Dergelijk geweld leidt tot grote gevoelens van onveiligheid en onrust in de samenleving. Het is juist dit soort volstrekt irrationeel geweld waardoor mensen angstig zijn om in te grijpen bij (misdadig) gedrag.

De rechtbank houdt, als aanknopingspunt voor de op te leggen straf voor dit feit, rekening met de richtlijnen van het Landelijk Overleg van Voorzitters Strafsectoren (verder te noemen: LOVS). Het LOVS heeft als oriëntatiepunt voor straftoemeting ten aanzien van een strafzaak zoals thans aan de orde 3 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf vastgesteld. Daarbij gaat het om zware mishandeling. De rechtbank houdt rekening met het gegeven dat thans een poging tot zware mishandeling bewezen is verklaard, waardoor volgens de rechtbank een strafkorting van een derde geïndiceerd is. Ten nadele van verdachte houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte zich tweemaal op dezelfde dag schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van zijn vrouw, terwijl zijn vrouw zwanger was. Daarbij komt dat verdachte zich een aantal weken daarvoor ook schuldig had gemaakt aan de mishandeling van aangever. Blijkens een op zijn naam gesteld uittreksel justitiële documentatie d.d. 23 juli 2012 blijkt tevens dat verdachte eerder is veroordeeld wegens een geweldsdelict. Dit heeft verdachte er niet van weerhouden opnieuw geweldsdelicten te plegen.

Uit een de verdachte betreffend reclasseringsadvies d.d. 24 juli 2012, opgesteld door M. Pleffers, reclasseringwerker van Reclassering Nederland, blijkt het navolgende. Bij verdachte is in 2003 een verstandelijke beperking, ADD en ernstige gedragsproblemen gediagnosticeerd. Vrijwel alle interventies zijn mislukt. Verdachte heeft schulden en geen zinvolle dagbesteding. Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog gemiddeld. Indien verdachte met zijn vrouw zal gaan samenwonen is het recidiverisico hoog. Het risico dat verdachte zich zal onttrekken aan voorwaarden is hoog, aangezien hij zich in het verleden eveneens onttrok aan begeleiding. Geadviseerd is een (gedeeltelijke) voorwaardelijke gevangenisstraf, met een meldingsgebod, een behandelverplichting bij De Waag of soortgelijke instelling en deelname aan de CoVa+ en ARVA training.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig. De rechtbank ziet evenwel grond om de vrijheidstraf deels voorwaardelijk op te leggen om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst wederom strafbare feiten te begaan en de oplegging van de bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd door de Reclassering Nederland, mogelijk te maken. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de maximale duur van de proeftijd zoals deze thans geldt, te weten drie jaar. Tevens ziet de rechtbank aanleiding om de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren, aangezien de rechterbank er ernstig rekening mee houdt dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Verdachte heeft zich immers binnen korte tijd meermalen schuldig gemaakt aan geweldsmisdrijven, waarvan tweemaal zijn vrouw slachtoffer was en de reclassering het recidiverisico hoog gemiddeld schat.

9 TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 45, 57, 300, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1, 2 primair en 3 primair ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat onder 1, 2 primair en 3 primair meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart de bewezen verklaarde feiten strafbaar;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte, groot 4 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarden dat de verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd van 3 jaar niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:

* zich zal melden bij de Reclassering Nederland, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

* zich zal laten behandelen bij De Waag of een vergelijkbare instelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

* zal deelnemen aan een gedragsinterventie bestaande uit de cognitieve vaardigheidstraining+ (CoVa+) en de arbeidsvaardigheden training (ARVA), aangeboden door de Reclassering Nederland, of soortgelijke instelling, waarbij de verdachte zich dient te houden aan de aanwijzingen zoals die gedurende deze gedragsinterventie door of namens voornoemde instelling aan de verdachte zullen worden gegeven;

- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Schroten, voorzitter, mr. M. Iedema en mr. B. Fijnheer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.G. Dees, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 september 2012.