Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BX8571

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
25-06-2012
Datum publicatie
02-10-2012
Zaaknummer
198405 / KZ ZA 12-96
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering tot machtiging om met behulp van de sterke arm gedaagde uit gebied te verwijderen afgewezen. Een dergekijke machtiging is niet nodig omdat artikel 430 Rv al "een bevel aan de regterlijke ambtenaren, deurwaarders, en de openbare magt, om dezelve ten uitvoer te leggen" inhoudt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

Locatie Zwolle

zaaknummer / rolnummer: 198405 / KZ ZA 12-96

Vonnis in kort geding van 25 juni 2012

in de zaak van

[A],

wonende op een geheim adres,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. A.H. Stork te Bussum,

tegen

[B],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. C.F. Roza te Zwolle.

Partijen zullen hierna [A] en [B] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [B]

- de eis in reconventie.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Partijen zijn verwikkeld in een echtscheidingsprocedure.

2.2. [A] heeft vanaf oktober 2011 gedurende een half jaar in verschillende blijf-van-mijn-lijfhuizen verbleven in de buurt van Zwolle, Enschede en Utrecht.

2.3. [B] is bij vonnis van 25 november 2011 van de politierechter te Zwolle-Lelystad

veroordeeld wegens mishandeling van [A]. [B] heeft hoger beroep van dat vonnis ingesteld.

3. Het geschil in conventie

3.1. [A] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet dat toelaat:

a. [B] zal verbieden zich vanaf het moment van de uitspraak van dit vonnis te begeven in het gebied vallende onder het Gooi, te weten de gemeentes Bussum, Naarden, Laren, Blaricum, Huizen en Hilversum;

b. [B] zal verbieden telefonisch contact op te nemen of sms'jes te versturen met en naar [A];

c. een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van EUR 400,00 voor iedere overtreding van een van deze verboden en met machtiging van [A] om deze verboden waar mogelijk gelijk en voor zover nodig te doen naleven met behulp van de sterke arm van politie en justitie;

d. [B] zal veroordelen in de kosten van het geding.

3.2. [A] legt aan de vorderingen ten grondslag dat [B] zich jegens haar schuldig heeft gemaakt aan mishandeling, bedreiging en stalking. In oktober 2011 is [A] met haar dochter ondergedoken in een blijf-van-mijn-lijfhuis na zware mishandeling door [B]. Na zijn detentie wegens deze mishandeling heeft [B] er alles aan gedaan om erachter te komen waar [A] zich bevond. [A] is daardoor genoodzaakt geweest zich te verplaatsen van het ene blijf-van-mijn-lijfhuis naar het andere en heeft herhaaldelijk haar telefoonnummer moeten wijzigen. [A] heeft inmiddels ergens in het Gooi een woning toegewezen gekregen. [B] is met het adres daarvan onbekend. Om te voorkomen dat hij dit adres alsnog achterhaalt en/of naar [A] en haar dochter op zoek gaat, acht [A] een ruim gebiedsverbod aangewezen.

3.3. [B] voert verweer. Hij stelt zich primair op het standpunt dat de vorderingen van [A] dienen te worden afgewezen. [B] betwist dat hij [A] heeft mishandeld, bedreigd en gestalkt. De mishandeling van [A] door [B] staat in rechte ook niet vast, nu [B] hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de politierechter. Verder is [B] niet op zoek naar [A] maar - via zijn advocaat - naar zijn goederen. [B] betwist de noodzaak van het gevorderde gebiedsverbod en voert aan dat een dergelijk verbod hem ernstig in zijn bewegingsvrijheid zal beperken.

4. Het geschil in reconventie

4.1. [B] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis in kort geding:

a. [A] zal gebieden aan [B] binnen acht dagen na dit vonnis schriftelijk opgave te doen waar de boedel is opgeslagen, zulks op straffe van een dwangsom van EUR 500,00 voor iedere dag dat [A] in gebreke zal blijven daaraan te voldoen, en

b. [A] zal gebieden [B] binnen acht dagen na dit vonnis in het bezit te stellen van zijn persoonlijke goederen, te weten zijn paspoort en bankafschriften, PC en twee laptops en zijn gereedschap, zulks op straffe van een dwangsom van EUR 500,00 voor iedere dag dat [A] in gebreke zal blijven aan dit vonnis te voldoen.

4.2. [B] legt aan de vorderingen ten grondslag dat [A] de echtelijke woning heeft leeggehaald toen hij in detentie zat. [B] heeft maritaal beslagpogingen gedaan, hetgeen erin heeft geresulteerd dat een klein en weinig waardevol deel van de boedel weer bij hem is. [A] beschikt thans nog over het paspoort, bankafschriften, een PC, twee laptops en gereedschap van [B]. [A] weigert [B] te zeggen waar deze goederen opgeslagen liggen en in ieder geval de persoonlijke goederen terug te geven. [B] heeft spoedeisend belang om te weten waar de goederen zijn zodat hij maritaal beslag kan doen leggen en hij heeft er belang bij de hiervoor genoemde goederen reeds nu in zijn bezit te hebben.

4.3. [A] voert verweer. Daartoe stelt [A] dat [B] alle spullen die hem toebehoren al heeft gekregen en dat hij daarvoor ook een verklaring heeft ondertekend. Voor het overige zal de verdeling van de boedel in de onderliggende echtscheidingsprocedure aan de orde moeten komen.

5. De beoordeling in conventie

5.1. De voorzieningenrechter stelt voorop dat een gebieds- en contactverbod een inbreuk vormt op het aan een ieder toekomend recht om zich vrijelijk te verplaatsen en te gedragen. Voor het toewijzen van dergelijke verboden moet sprake zijn van in hoge mate aannemelijke feiten en omstandigheden die zo'n inbreuk kunnen rechtvaardigen.

5.2. Vaststaat dat [B] voor de door [A] gestelde mishandeling terecht heeft gestaan, dat de politierechter bewezen heeft geacht dat [B] zich aan mishandeling van [A] schuldig heeft gemaakt en dat [B] hiervoor bij vonnis van 25 november 2011 veroordeeld is. [B] heeft tegen dat vonnis weliswaar hoger beroep ingesteld maar hij heeft in het kader van de onderhavige kort geding procedure niet aannemelijk gemaakt dat hij in hoger beroep alsnog zal worden vrijgesproken. Bij deze stand van zaken acht de voorzieningenrechter de door [A] gestelde mishandeling voldoende aannemelijk geworden.

De voorzieningenrechter acht voorts aannemelijk dat [B] na zijn detentie op zoek is gegaan naar [A]. [A] heeft immers, naar zij onweersproken heeft gesteld, in drie verschillende blijf-van-mijn-lijfhuizen verbleven en is diverse malen van telefoonnummer gewijzigd.

Tot slot staat vast dat [B] [A] de afgelopen drie maanden, sinds zij een woning in het Gooi toegewezen heeft gekregen waarvan het adres voor [B] geheim is, niet heeft lastiggevallen. [A] heeft ter zitting echter wel aangegeven dat zij door - naar zij vermoedt - bekenden van [B] telefonisch wordt lastiggevallen, dat zij bang is dat [B] haar alsnog vindt en dat zij, op grond van wat hij eerder tegen haar heeft gezegd, ontvoering van haar dochter door [B] vreest. [B] is ter zitting niet verschenen en heeft niet kunnen garanderen dat hij zich van onrechtmatige gedragingen jegens [A] zal onthouden.

Bij gebreke van een dergelijke garantie en gezien het gedrag van [B] in het verleden is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter aannemelijk geworden, dat er een reële of aannemelijke dreiging is van onrechtmatige gedragingen door [B] jegens [A].

Dit rechtvaardigt in beginsel het gevorderde gebieds- en contactverbod.

5.3. [B] heeft aangevoerd dat [A] geen spoedeisend belang heeft bij een gebieds- en contactverbod, omdat hij [A] de afgelopen drie maanden niet heeft lastiggevallen.

Nu [A] zich echter bij voormelde stand van zaken ernstig bedreigd voelt en in voortdurende angst leeft [B] te zullen ontmoeten, heeft [A] er voldoende belang bij om van verdere ongewenste bezoeken en/of contact van [B] gevrijwaard te blijven en is aan het vereiste van spoedeisend belang bij een onverwijlde voorziening voldaan.

5.4. [B] heeft voorts verweer gevoerd tegen de ruime omvang van het gevraagde gebiedsverbod. [B] stelt daartoe dat hij vrienden heeft in "onder andere Hilversum, Bussum en Huizen en eigenlijk overal in de door [A] genoemde steden" en dat hij regelmatig met vrienden de moskee bezoekt. De voorzieningenrechter ziet echter geen aanleiding het gevraagde gebiedsverbod te beperken tot een kleiner gebied dan is gevorderd, met uitzondering van de door het Gooi lopende autosnelwegen. De voorzieningenrechter acht de beperking van [B] in zijn bewegingsvrijheid redelijk, nu [B] niet heeft gesteld dat hij enige economische band heeft met de onderhavige regio of anderszins dat hij persoonlijke redenen heeft waarom hij daar regelmatig dient te zijn. Weliswaar stelt [B] dat hij vrienden in de onderhavige regio heeft wonen en daar de moskee bezoekt, maar dit wordt door [A] betwist, terwijl niet gesteld of gebleken is dat [B] in verband met contact met vrienden of moskeebezoek genoodzaakt is in de onderhavige regio te komen.

5.5. In verband met de eisen van proportionaliteit ziet de voorzieningenrechter aanleiding het gebieds- en contactverbod te beperken voor de hierna te noemen duur.

5.6. Daarnaast zal de gevorderde dwangsom worden beperkt als volgt.

5.7. De gevorderde machtiging om [B] bij overtreding van het gebieds- en contactverbod te doen verwijderen met behulp van de sterke arm dient naar het oordeel van de voorzieningenrechter te worden afgewezen. Immers bevat een in executoriale vorm gegeven rechterlijke uitspraak (na betekening daarvan aan de wederpartij) blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van art. 430 Rv, ''een bevel aan de regterlijke ambtenaren, deurwaarders, en de openbare magt, om dezelve ten uitvoer te leggen'', zodat in de vermelding ''in naam der Koningin'' op de grosse van een rechterlijke uitspraak ligt besloten de opdracht aan de openbare macht om desgevraagd de uitspraak ten uitvoer te leggen of bijstand te verlenen bij de tenuitvoerlegging. In zoverre is dan ook de machtiging door de rechter van eiser om de uitspraak zo nodig met de ''sterke arm'' ten uitvoer te leggen, strikt genomen overbodig, ofschoon veelal wel gewenst om (ongefundeerde) aarzeling aan de zijde van de politie om in actie te komen, te overwinnen. Deze bijstand ziet dan slechts op de naleving van het straatverbod.

5.8. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6. De beoordeling in reconventie

6.1. [A] heeft niet betwist dat zij in het bezit is van het paspoort en van bankafschriften van [B]. De voorzieningenrechter ziet hierin aanleiding de vordering - voor zover deze ziet op het paspoort van [B] en bankafschriften die uitsluitend op zijn naam zijn gesteld - toe te wijzen.

6.2. Dat de overige goederen waarvan [B] afgifte vordert, vooruitlopend op de definitieve verdeling, met uitsluiting van [A] aan [B] moeten toekomen is - mede gezien het verweer van [A] - niet, althans onvoldoende, aannemelijk geworden, laat staan dat is gebleken dat [B] een spoedeisend belang heeft bij afgifte daarvan. De voorzieningenrechter zal de vordering van [B] in zoverre afwijzen.

6.3. Wat betreft de vordering tot het doen van schriftelijke opgave van de plaats waar de boedel is opgeslagen, overweegt de voorzieningenrechter het volgende. [A] heeft niet bestreden dat zij de echtelijke woning heeft leeggehaald. Voorts is voldaan aan het vereiste spoedeisend belang omdat [B] maritaal beslag wil (laten) leggen. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kent het recht van [B] tot het (laten) leggen van maritaal beslag in de omstandigheden van dit geval wel grenzen, in die zin dat uitoefening van dit recht er niet toe mag leiden dat [A] alsnog haar adres aan [B] dient prijs te geven. Indien en voor zover de boedel is opgeslagen op het adres waar [A] thans verblijft, is zij derhalve niet gehouden bij de opgave haar adresgegevens te vermelden. Een en ander brengt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat dit gedeelte van de vordering zal worden toegewezen.

6.4. De gevorderde dwangsom zal worden beperkt als volgt.

7. De beslissing

De voorzieningenrechter:

in conventie

7.1. verbiedt [B] gedurende een jaar na betekening van dit vonnis zich te begeven naar en/of zich te bevinden in het gebied vallende onder het Gooi, te weten de gemeentes Bussum, Naarden, Laren, Blaricum, Huizen en Hilversum, met uitzondering van de door het Gooi lopende autosnelwegen,

7.2. verbiedt [B] gedurende een jaar na betekening van dit vonnis - anders dan via zijn advocaat - persoonlijk, schriftelijk, telefonisch, via sms of anderszins contact op te nemen met [A],

7.3. veroordeelt [B] om aan [A] een dwangsom te betalen van EUR 400,00 voor iedere keer dat hij niet aan de in 7.1 en 7.2 uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van EUR 10.000,00 is bereikt,

7.4. verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

7.5. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

7.6. wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

7.7. gebiedt [A] om binnen acht dagen na betekening van dit vonnis de navolgende goederen ten kantore van de advocaat van [B] af te geven:

- het paspoort van [B];

- de bankafschriften die op naam van [B] zijn gesteld.

7.8. gebiedt [A] om binnen acht dagen na betekening van dit vonnis aan de advocaat van [B] schriftelijk opgave te doen van de plaats waar de boedel is opgeslagen,

7.9. veroordeelt [A] om aan [B] een dwangsom te betalen van EUR 400,00 voor iedere dag dat zij niet aan de in 7.7 en 7.8 uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van EUR 10.000,00 is bereikt,

7.10. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Willemse, voorzieningenrechter, bijgestaan door

A. van der Weide, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2012.