Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BX8561

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
04-09-2012
Datum publicatie
28-09-2012
Zaaknummer
07.690457-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en er geen sprake is van verjaring. De rechtbank sluit in deze aan bij de ratio van artikel 71 aanhef en onder 3 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank veroordeelt verdachte ter zake het in bezit hebben van kinderporno.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector strafrecht

Parketnummer: 07.690457-10 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 4 september 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum],

wonende [adres].

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het onderzoek ter zitting is ter openbare terechtzitting van 15 mei 2012 aangevangen. Het onderzoek ter terechtzitting is op voornoemde datum geschorst en op 21 augustus 2012 hervat en opnieuw aangevangen, waarbij de verdachte niet is verschenen. Ter terechtzitting is verschenen mr. V.M. Besters, advocaat te Amsterdam, die heeft verklaard door de verdachte uitdrukkelijk te zijn gemachtigd om deze ter terechtzitting te verdedigen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. B.E.M. van de Ven en van de standpunten door de raadsman van verdachte naar voren gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in de periode van 11 juli 2006 tot en met 13 mei 2008 in de gemeente Almere, in elk geval in Nederland, (telkens) één of meermalen (een) afbeelding(en) (ongeveer 114, waarvan ongeveer 81 digitale afbeeldingen en/of 24 afbeeldingen in boekjes en/of 9 afbeeldingen op losse papieren blaadjes) en/of een film en/of een gegevensdrager, te weten een desktop (merk Compaq Presario), (telkens) heeft verspreid en/of vervaardigd en/of ingevoerd en/of uitgevoerd en/of in bezit heeft gehad, terwijl (telkens) op die afbeeldingen en/of die film seksuele gedragingen zichtbaar zijn, waarbij (telkens) een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, was betrokken of schijnbaar was betrokken, welke voornoemde seksuele gedragingen (telkens) bestonden uit (onder meer)

- het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van (een) perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft/hebben bereikt, waarbij door het camerastandpunt en/of de onnatuurlijke pose en/of de wijze van kleden van die/de perso(o)n(en) nadrukkelijk de (ontblote) geslachtsdelen in beeld gebracht worden

(onder meer [bestandsnaam].jpg en [bestandsnaam].jpg en [bestandsnaam].jpg en [bestandsnaam] en [bestandsnaam].jpg en boekje "[..]" nummer [..] en boekje "[..]" [..], kaft) en/of

- het vaginaal penetreren met een dildo, in ieder geval een op een dildo gelijkend voorwerp, door zichzelf van het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt

([bestandsnaam].jpg).

Voor zover zich in de tenlastelegging eventuele kennelijke schrijffouten bevinden verbetert de rechtbank deze. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding geldig is.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De tenlastelegging houdt onder meer in het in het bezit hebben van 24 kinderpornografische afbeeldingen in boekjes en 9 kinderpornografische afbeeldingen op losse papieren blaadjes. De raadsman is van oordeel dat de officier van justitie wat dit onderdeel van de tenlastelegging betreft niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, aangezien het recht tot strafvervolging op grond van artikel 70, eerste lid, aanhef en onder 3, Wetboek van Strafrecht (verder: WvSr) juncto artikel 71, aanhef en onder 3, WvSr is verjaard.

De officier van justitie acht zichzelf ontvankelijk in haar vervolging van verdachte aangezien er sprake is van een voortdurend delict. Gelet op het aantreffen van de hier bedoelde kinderpornografische afbeeldingen in 2008 is geen sprake van verjaring.

De rechtbank overweegt als volgt.

Uit het beoordelingsproces-verbaal van 10 november 2010 kan worden opgemaakt dat de boekjes en blaadjes met daarin de ten laste gelegde afbeeldingen dateren uit de periode 1979 tot en met 1982. De afbeeldingen betroffen meisjes in de leeftijd van tussen de dertien en zeventien jaren. Een strikte toepassing van artikel 70, eerste lid, aanhef en onder 3, WvSr juncto artikel 71, aanhef en onder 3, WvSr betekent in het onderhavige geval dat het recht tot strafvordering is vervallen.

De rechtbank stelt evenwel vast dat de ratio van artikel 71, aanhef en onder 3, van het WvSr – blijkens de Memorie van Toelichting - een verlenging van de geldende verjaringsregeling is, waardoor de kans op het doen van aangifte van slachtoffers van zedenfeiten wordt vergroot. Het ten laste gelegde feit houdt het in het bezit hebben van kinderpornografisch materiaal in. Dit feit is aan te merken als een voortdurend delict. Als uitgangspunt heeft te gelden dat een dergelijk delict pas is voltooid – en de termijn van verjaring pas aanvangt – op de dag dat de betrokken verdachte het kinderpornografische materiaal niet langer in zijn bezit heeft. Gelet op de ratio van artikel 71, aanhef en onder 3, van het WvSr vormt dit artikel een uitzondering op de hoofdregel en wel in die gevallen waarbij de verjaringstermijn dient te worden verlengd gelet op de minderjarigheid van het slachtoffer. Deze uitzondering doet zich hier niet voor.

De rechtbank komt gelet op het vorenstaande tot het oordeel dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging.

De rechtbank stelt voorts vast dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Inleiding

Het Interpol Wiesbaden en Wenen heeft melding gemaakt van fora waarop kinderpornografisch materiaal werd verspreid.

Het Korps Landelijke Politie Diensten, afdeling Team Bestrijding Kinderpornografie, heeft vastgesteld dat de gebruiker van het IP-adres [adres] op voornoemde fora kinderpornografisch materiaal heeft gedownload .

Uit nader onderzoek is gebleken dat voornoemd IP-adres op de data en tijdstippen waarop de bestanden werden gedownload, werd gebruikt door verdachte.

Op 13 mei 2008 vond in de woning van verdachte aan [adres] te Almere een doorzoeking plaats. Tijdens de doorzoeking is onder meer een computer van het merk Compaq Presario in beslaggenomen. De politie Flevoland en Gooi & Vechtstreek heeft de op de computer aangetroffen gegevens onderzocht op aanwezigheid van kinderpornografisch materiaal.

Verdachte is op 6 oktober 2010 gehoord.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan. Op de bij verdachte in beslag genomen computer zijn op een voor verdachte toegankelijke file 81 gedownloade kinderpornografische afbeeldingen gevonden.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gepleit overeenkomstig een ter terechtzitting overgelegde pleitnota. Hetgeen in de pleitnota is aangevoerd zal hieronder worden besproken.

Het oordeel van de rechtbank

De 81 digitale afbeeldingen

De digitale recherche van de politie Flevoland en Gooi & Vechtstreek heeft een vergelijking uitgevoerd tussen de veiliggestelde bestanden van de bij verdachte aangetroffen gegevensdragers en een geclassificeerde verzameling kinderpornografisch materiaal met als resultaat dat op de Desktop Compaq Presario 81 bestanden zijn aangetroffen die op basis van de zogenoemde hash waarde exact overeenkwamen met bestanden in de hiervoor vermelde geclassificeerde verzameling . Een gecertificeerd zedenrechercheur van de politie Flevoland heeft voorts deze 81 afbeeldingen aan de hand van de daarvoor geldende criteria beoordeeld op aanwezigheid van kinderpornografisch materiaal met als resultaat dat alle 81 bestanden als kinderpornografisch materiaal zijn aangemerkt . Het proces-verbaal bevat van de 81 afbeeldingen een omschrijving en van 6 afbeeldingen een beschrijving .

De rechtbank oordeelt dat op deze wijze is vast komen te staan dat 81 afbeeldingen, welke zijn aangetroffen op de bij de verdachte in beslag genomen computer, voldoen aan de criteria voor overtreding van artikel 240b Wetboek van Strafrecht. De rechtbank begrijpt de omschrijving en beschrijving van de afbeeldingen aldus dat deze zijn bedoeld als voorbeelden die representatief zijn voor alle afbeeldingen, ook voor die welke niet zijn uitgewerkt omdat zij een doorsnee daarvan vormen.

Het verweer van de raadsman dat van 75 niet beschreven afbeeldingen onvoldoende is komen vast te staan dat sprake is van kinderpornografisch materiaal, kan gelet op het vorenstaande niet slagen.

De rechtbank stelt voorts vast dat de bestanden op de computer van verdachte zijn terugvonden op de D-schijf onder [..]. Op één afbeelding na maakt het woord [..] onderdeel uit van de bestandsnaam . Op 11 februari 2007 is het besturingssysteem op de computer (opnieuw) geïnstalleerd .

Verdachte heeft tegenover de politie verklaard dat hij op het internet surft naar sexsites . Daarbij zoekt hij niets speciaals, wel vrouwen en over de frequentie verklaart verdachte dat hij soms weken niet surft en soms een paar keer in de week . Verdachte is een keer via een zogenoemde pop-up op kinderpornografisch materiaal gestuit . Hij heeft dit bekeken, maar hij weet niet meer of hij dit materiaal heeft opgeslagen . Verdachte kan zich herinneren dat hij kinderporno heeft gedownload, maar dat heeft hij daarna direct weer verwijderd. Verdachte heeft hierover verklaard dat hij op downloaden klikt en het systeem geeft aan waar dit bestand wordt opgeslagen. Verdachte vindt het bestand meestal terug in ‘mijn documenten’ . Nadat hij het een keer had bekeken, heeft hij dit direct dan wel vrij snel weer verwijderd .

De rechtbank stelt aan de hand van de verklaring van verdachte vast dat hij doelbewust en met een zekere frequentie op het internet heeft gezocht naar pornografische afbeeldingen. Hij heeft naar eigen zeggen afbeeldingen gedownload van pornografisch websites, waarbij hij gebruik heeft gemaakt van het programma bitlords, waarmee hij ongericht, dat wil zeggen zonder onderscheid te maken naar de precieze inhoud, één of meer afbeeldingen tegelijk kon downloaden. Hierbij zou ongewild ook kinderporno zijn gedownload. Dat verdachte wist dat hij op deze manier kinderporno binnenhaalde, kan worden afgeleid uit zijn verklaring dat hij kinderpornografische afbeelding is tegengekomen, die hij vervolgens van zijn computer zou hebben verwijderd. Niet aannemelijk is geworden dat verdachte maatregelen heeft genomen om deze bijvangst te voorkomen dan wel om de gedownloade bestanden te controleren op aanwezigheid van kinderporno. Daarbij is nog in aanmerking genomen dat het gelet op de naam van de bestanden voor verdachte kenbaar is geweest dat het hier om kinderpornografisch materiaal zou kunnen gaan. De geschetste omstandigheden brengen naar het oordeel van de rechtbank mee dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard op het binnenhalen en het in bezit krijgen van kinderporno. Het opzet, in de zin van voorwaardelijk opzet, op het bezit van kinderporno kan dan ook bewezen worden geacht.

De rechtbank stelt voorts vast dat de 81 kinderpornografische afbeeldingen zijn gevonden op een op verdachte op zijn computer toegankelijke locatie, waarin geen verwijderde bestanden dan wel tijdelijk bestanden werden opgeslagen. Vorenstaande brengt mee dat verdachte de afbeeldingen in zijn bezit heeft gehad.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat het ten laste gelegde bezit van kinderporno wettig en overtuigend bewezen kan worden. Nu het besturingsprogramma op de computer op 11 februari 2007 (opnieuw) is geïnstalleerd, dient de ten laste gelegde periode daarmee in overeenstemming te worden gebracht.

De 24 kinderpornografische afbeeldingen in boekjes en 9 kinderpornografische afbeeldingen op losse papieren blaadjes

De inbeslaggenomen boekjes en blaadjes zijn in een krat in de woning van verdachte aangetroffen. In die krat bevond zich een fotokoffer met de betreffende boekjes en blaadjes

Met betrekking tot de bij verdachte aangetroffen boekjes en losse papieren blaadjes verklaart verdachte dat hij deze vroeger wel heeft gehad, maar dat je dan over 30 of 40 jaar geleden praat. Hij weet nu niet meer om wat voor boekjes en blaadjes het gaat. 40 jaar geleden was verdachte achttien. De boekjes die zijn gevonden dateren van de tijd van Amsterdam. Verdachte verklaart dat hij in de veronderstelling was dat hij deze niet heeft meegenomen toen hij is verhuisd . Verdachte wist niet dat hij de fotokoffer, waarin de boekjes en blaadjes zijn aangetroffen, nog in zijn bezit had . Het zegt hem nu niets meer. Hij verklaart voorts dat hij de boekjes 30 of 40 jaar geleden heus wel gelezen zal hebben. Samenvattend verklaart verdachte verklaart dat het veertig jaar geleden is en dat hij dacht dat het allemaal weg was.

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de gebezigde bewijsmiddelen niet worden afgeleid dat het opzet van de verdachte - al dan niet in voorwaardelijke vorm - was gericht op het in het bezit hebben van de in de tenlastelegging beschreven afbeeldingen. Zij komt tot dit oordeel op grond van het volgende.

Gelet op de plek waar het kinderpornografisch materiaal is aangetroffen, de ouderdom van dit materiaal in samenhang met de verklaring van verdachte is aannemelijk geworden dat verdachte zich ten tijde van de periode waarop de tenlastelegging betrekking heeft niet bewust was van de aanwezigheid van de hier bedoelde boekjes en blaadjes in zijn woning. Dit impliceert dat bij verdachte het vereiste (voorwaardelijke) opzet tot het in bezit hebben van de boekjes en blaadjes ontbreekt. Verdachte zal daarom van het in bezit hebben van de 24 kinderpornografische afbeeldingen in boekjes en 9 kinderpornografische afbeeldingen op losse papieren blaadjes worden vrijgesproken.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

hij in de periode van 11 februari 2007 tot en met 13 mei 2008 in de gemeente Almere, afbeeldingen (81 digitale afbeeldingen), in bezit heeft gehad, terwijl (telkens) op die afbeeldingen seksuele gedragingen zichtbaar zijn, waarbij (telkens) een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, was betrokken, welke voornoemde seksuele gedragingen (telkens) bestonden uit (onder meer)

- het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van (een) perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft/hebben bereikt, waarbij door het camerastandpunt en/of de onnatuurlijke pose en/of de wijze van kleden van die/de perso(o)n(en) nadrukkelijk de (ontblote) geslachtsdelen in beeld gebracht worden

(onder meer [bestandsnaam].jpg en [bestandsnaam].jpg en [bestandsnaam].jpg en [bestandsnaam] en [bestandsnaam].jpg) en

- het zichzelf vaginaal penetreren met een op een dildo gelijkend voorwerp door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt

([bestandsnaam].jpg).

Van het meer of anders ten laste gelegde zal verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6 KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

een afbeelding van een seksuele gedraging , waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken, in bezit hebben, meermalen gepleegd.

7 STRAFBAARHEID

Het feit en verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

8 STRAFOPLEGGING

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen hem te geven door of namens de reclassering, ook indien dit inhoudt het volgen van een behandeling bij De Waag. Bij haar vordering heeft de officier van justitie acht geslagen op de lange duur van de procedure.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat bij de bepaling van de strafmaat rekening gehouden dient te worden met de schending van de redelijke termijn.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het in bezit hebben van kinderporno. Kinderporno is bijzonder ongewenst, met name omdat bij de vervaardiging ervan kinderen seksueel worden misbruikt en geëxploiteerd. Verdachte moet mede verantwoordelijk worden gehouden voor genoemd seksueel misbruik van kinderen, omdat hij, door kinderporno te bezitten, heeft bijgedragen aan de instandhouding van de vraag ernaar. Voor een effectieve bestrijding van kinderporno is het noodzakelijk om niet alleen degenen aan te pakken die kinderporno vervaardigen, maar zeker ook degenen die kinderporno bezitten.

Blijkens een op zijn naam gesteld uittreksel justitiële documentatie d.d. 23 juli 2012, is verdachte niet eerder veroordeeld wegens een soortgelijk feit.

De rechtbank houdt als aanknopingspunt voor de op te leggen straf voor dit feit eveneens rekening met de richtlijnen van het Landelijk Overleg van Voorzitters Strafsectoren (verder te noemen: LOVS). Het LOVS heeft als oriëntatiepunt voor straftoemeting ten aanzien van kinderporno 6 maanden gevangenisstraf voorwaardelijk en een taakstraf voor de duur van 240 uur vastgesteld. Daarbij gaat het om het in bezit hebben en/of verwerven van kinderporno waarbij de toegang tot kinderporno is verschaft door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een communicatiedienst.

De rechtbank ziet in deze zaak aanleiding om een lagere straf op te leggen dan de richtlijnen van het LOVS voorschrijven.

Bij de bepaling van de strafmaat heeft de rechtbank acht geslagen op de duur van de periode waarin verdachte het strafbare feit pleegde en het tijdsverloop tussen de inbeslagname van de gegevensdragers en het dagvaarden van verdachte op zitting, het aantal plaatjes (81) die verdachte in bezit had, de aard van de handelingen waartoe de kinderen zijn gedwongen, de persoon van verdachte en de behandeling van de zaak ter terechtzitting.

De rechtbank heeft geconstateerd dat de onderhavige bewezen verklaarde feiten vrij oud zijn en overweegt daaromtrent het volgende. De aanvang van de redelijke termijn is te rekenen vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. In het onderhavige geval moet de termijn worden gerekend vanaf de datum van de doorzoeking van de woning van verdachte op 13 mei 2008. De rechtbank acht het derhalve aannemelijk dat verdachte sedert die datum de verwachting had kunnen hebben dat vervolging tegen hem zou gaan plaatsvinden.

Voor wat betreft de berechting van de zaak in eerste aanleg – hetgeen in casu het geval is – heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting in beginsel dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar – te weten 24 maanden – nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen. De datum van de afronding van deze zaak met een eindvonnis is 4 september 2012. De periode tussen de aanvang en het einde van de redelijke termijn is dan 51 maanden en 22 dagen. De rechtbank constateert derhalve dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn ex artikel 6 van het EVRM van 27 maanden en 22 dagen. Gelet hierop wordt geen gevangenisstraf opgelegd, maar een werkstraf.

Alles overwegend acht de rechtbank overeenkomstige de eis van de officier van justitie een geheel voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 180 uur passend en geboden. Met deze voorwaardelijke straf wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

9 TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 57 en 240b van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde feit strafbaar;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- legt aan verdachte op een werkstraf voor de duur van 180 uren;

- beveelt dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet of niet naar behoren verricht de werkstraf wordt vervangen door 90 dagen hechtenis, althans een aantal dagen hechtenis dat evenredig is aan het niet verrichte aantal uren werkstraf;

- bepaalt dat de werkstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarden dat de verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd van 2 jaar niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:

* zich zal melden bij de Reclassering Nederland, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

* zich zal laten behandelen bij De Waag of een vergelijkbare instelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Dit vonnis is gewezen door mr. B. Fijnheer, voorzitter, mr. A.C. Schroten en mr. M. Iedema, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.G. Dees, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 september 2012.