Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BX7623

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
30-08-2012
Datum publicatie
18-09-2012
Zaaknummer
Awb 12/853
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Miskend dat zorgverzekeraar onbevoegd is om het PGB vast te stellen, nu die bevoegdheid krachtens artikel 2.6.3, eerste lid, van de Regeling aan het Zorgkantoor is voorbehouden. Van mandatering van de bevoegdheid om in naam van de zorgverzekeraar besluiten te nemen zoals bedoeld in artikel 10:1 van de Awb, is dan ook geen sprake. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht, Enkelvoudige Kamer

Registratienummer: Awb 12/853

Bestreden besluit: 21 maart 2012

Datum zitting: 30 augustus 2012

Proces-verbaal van de op de openbare zitting op de hierboven vermelde datum gedane mondelinge uitspraak

in het geding tussen:

[eiseres],

wonende te Harderwijk, eiseres,

gemachtigde: R. Dorst

en

Zilveren Kruis Achmea Zorgverzekeringen N.V.,

gevestigd te Leiden, verweerder.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting doet de rechtbank onmiddellijk mondeling uitspraak.

1. Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt het bestreden besluit.

2. Overwegingen

2.1 Bij besluit van 15 augustus 2011, aangevuld met een besluit van 16 augustus 2011, heeft het Zorgkantoor aan eiseres de uitkomst meegedeeld van de controle op de verantwoording van de besteding van het persoonsgebonden budget (hierna: PGB) over de periode van 9 maart 2011 tot en met 30 juni 2011 dat aan eiseres is toegekend op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ). Daarbij heeft het Zorgkantoor bepaald dat een bedrag van € 351,90 niet is gebruikt voor betaling van zorg, welk bedrag in mindering zal worden gebracht op de definitieve subsidievaststelling.

Op 13 september 2011 heeft eiseres tegen dit besluit bezwaar aangetekend.

Bij gewijzigd besluit van 13 oktober 2011 heeft het Zorgkantoor meegedeeld dat alsnog een bedrag van € 148,58 wordt aangemerkt als betaling voor zorg, zodat een bedrag van € 203,32 op de verantwoording in mindering op de definitieve subsidievaststelling zal worden gebracht. Het Zorgkantoor heeft dit nader toegelicht in een brief van 25 oktober 2011.

Eiseres heeft te kennen gegeven haar bezwaar te handhaven. Verweerder heeft het bezwaar bij besluit van 21 maart 2012 ongegrond verklaard.

2.2 Artikel 1:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat onder het maken van bezwaar wordt verstaan: het gebruik maken van de ingevolge een wettelijk voorschrift bestaande bevoegdheid, voorziening tegen een besluit te vragen bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen.

Artikel 4 van de AWBZ bepaalt dat in de uitvoering van de AWBZ-verzekering wordt voorzien door de zorgverzekeraars en het College zorgverzekeringen.

Artikel 1.1.1 van de Regeling subsidies AWBZ (hierna: de Regeling), aanhef en onder g, bepaalt dat onder een zorgkantoor moet worden verstaan een verbindingskantoor als bedoeld in artikel 1, onder c, van het Administratiebesluit Bijzondere Ziektekostenverzekering. Bedoeld artikel van het Administratiebesluit Bijzondere Ziektekostenverzekering bepaalt dat onder een zorgkantoor wordt verstaan een ingevolge artikel 3, tweede lid, aangewezen perifere instelling.

Artikel 2.6.3, eerste lid, van de Regeling bepaalt – kort gezegd en voor zover thans van belang – dat het Zorgkantoor een verzekerde een persoonsgebonden budget verleent indien de verzekerde beschikt over een indicatiebesluit.

2.3 De rechtbank overweegt dat het Zorgkantoor aan de hand van een indicatiebesluit een PGB verstrekt aan de verzekerde bij voor bezwaar en beroep vatbaar besluit. Gelet op artikel 1:5, eerste lid, van de Awb dient op een bezwaar tegen zodanig besluit beslist te worden door het bestuursorgaan dat het besluit in primo heeft genomen. Daaruit volgt dat verweerder niet bevoegd is op het bezwaar van eiseres te beslissen.

2.4 Verweerder heeft ter zitting aangevoerd dat krachtens de mandaat/volmacht-overeenkomst van november 2008 de bevoegdheid om te beslissen op het bezwaar is voorbehouden aan de zorgverzekeraar en in casu verweerder. Daarmee heeft verweerder miskend dat de zorgverzekeraar onbevoegd is om het PGB vast te stellen, nu die bevoegdheid krachtens artikel 2.6.3, eerste lid, van de Regeling aan het Zorgkantoor is voorbehouden. Van mandatering van de bevoegdheid om in naam van de zorgverzekeraar besluiten te nemen zoals bedoeld in artikel 10:1 van de Awb, is dan ook geen sprake. Reeds om die reden komt aan de mandaat/volmachtovereenkomst geen betekenis toe.

2.5 Gelet op voorgaande was verweerder onbevoegd om op het bezwaar van eiseres te beslissen en komt het besluit – voor zover bestreden – reeds om die reden voor vernietiging in aanmerking.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal dat door mr. P.H. Banda en mr. C.J.H. Terwal, als griffier, is ondertekend.

Uitgesproken in het openbaar op 30 augustus 2012.

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Een belanghebbende en het bestuursorgaan kunnen binnen zes weken na de datum van verzending van een afschrift van het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak hoger beroep instellen door toezending van een beroepschrift en een kopie van het afschrift proces-verbaal aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht