Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BX7298

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
13-09-2012
Datum publicatie
13-09-2012
Zaaknummer
Awb 12/1838
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Weigering ruiling bewijs van toelating voor studie geneeskunde. Beroep ongegrond; afwijzing verzoek om een voorlopige voorzineing. Artikel 7.57d Wet hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Uit het bepaalde in het eerste lid van artikel 7.57d van de Whw volgt dat dit artikel enkel betrekking heeft op gegadigden die door middel van de gezamenlijke selectieprocedure door verweerder zijn geselecteerd. Dit artikel heeft dus geen betrekking op gegadigden die, zoals verzoekster, met toepassing van artikel 7.57e van de Whw, decentraal geselecteerd zijn door een onderwijsinstelling. Dat het ruilen dan wel wijzigen van de toelating niet mogelijk is voor studenten die decentraal zijn geselecteerd is een bewuste keuze geweest van de wetgever, die de rechter dient te respecteren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht

Registratienummer: Awb 12/1838

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

A,

wonende te B, verzoekster,

gemachtigde: mr. J.G.J. van den Bergh, advocaat te Heerenveen,

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 6 augustus 2012 heeft verweerder geweigerd om mee te werken aan ruiling dan wel wijziging van het bewijs van toelating van verzoekster tot de studie geneeskunde aan de Radboud Universiteit te Nijmegen voor een bewijs van toelating voor de studie geneeskunde aan de Rijksuniversiteit Groningen. Bij brief van 6 augustus 2012 heeft verzoekster daartegen bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 24 augustus 2012 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Verzoekster heeft daartegen bij brief van 30 augustus 2012 beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer Awb 12/1839.

Op 30 augustus 2012 heeft verzoekster verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat aan haar alsnog een plaats bij de studie geneeskunde aan de Rijksuniversiteit Groningen wordt toegekend, dan wel, subsidiair, om te bepalen dat verzoekster alsnog in aanmerking komt voor het ruilen van instelling en dat verweerder zich dient in te spannen om een dergelijke ruil tot stand te brengen, dan wel nog meer subsidiair om enige andere voorlopige voorziening te treffen die er toe kan bijdragen dat verzoekster met ingang van het studiejaar 2012-2013 wordt toegelaten tot de studie geneeskunde in Groningen.

Het verzoek is ter zitting van 11 september 2012 behandeld. Verzoekster is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Van den Bergh. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. Hummel.

Overwegingen

Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Bij de vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoekster dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat voldaan is aan het in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb neergelegde vereiste dat sprake dient te zijn van onverwijlde spoed, gelet op het begin van het academisch jaar op 3 september 2012, zowel aan de Radboud Universiteit Nijmegen als aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Op grond van artikel 8:86 van de Awb is de voorzieningenrechter bevoegd onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting bedoeld in artikel 8:83, eerste lid van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de feiten en omstandigheden in de hoofdzaak geen nader onderzoek vergen. De voorzieningenrechter zal dan ook onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

Verzoekster heeft zich in januari 2012 bij de Dienst Uitvoering Onderwijs (hierna: DUO) voor het studiejaar 2012-2013 aangemeld voor het volgen van de voltijds opleiding geneeskunde aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Verzoekster heeft zich in januari 2012 aangemeld om mee te doen aan de toets decentrale selectie voor de opleiding geneeskunde aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Verzoekster is op basis van het resultaat van deze toets decentraal geselecteerd om de studie geneeskunde aan deze universiteit te kunnen volgen. Verzoekster is inmiddels daadwerkelijk begonnen met haar studie aan deze universiteit.

Verzoekster beoefent de handbalsport op hoog niveau. Bij brief van 3 september 2012 is aan verzoekster meegedeeld dat haar sportbond aan haar een IT-status (= internationaal talent) heeft toegekend. In het seizoen 2011-2012 speelde verzoekster bij de handbalclub X. Doordat tevens verscheidene andere speelsters van hoog niveau door deze club waren aangetrokken, kon verzoekster slechts in beperkte mate wedstrijden in de handbaleredivisie spelen. Verzoekster heeft daarom besloten om in het seizoen 2012-2013 niet langer bij deze club te spelen.Y, een andere club uit de handbaleredivisie, is bereid om verzoekster voor dit seizoen een plaats in de selectie voor de eredivisie aan te bieden, mits het voor verzoekster mogelijk is om de sport te combineren met het volgen van een opleiding op reisafstand van C.

Verzoekster heeft verzocht om ruiling van haar bewijs van toelating voor het volgen van de studie geneeskunde aan de Radboud Universiteit Nijmegen voor een bewijs van toelating voor het volgen van deze studie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Verzoekster kan, wanneer zij in Groningen studeert, haar studie geneeskunde combineren met een intensieve beoefening van de handbalsport bij Y.

Artikel 7.57a, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: Whw) bepaalt, voor zover hier van belang, dat de eerste inschrijving van een student voor de propedeutische fase van een opleiding, verbonden aan een universiteit of een hogeschool, waarvoor een toelatingsbeperking van kracht is, slechts geschiedt met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens paragraaf 4a van hoofdstuk 7 van deze wet.

Artikel 7.57a, tweede lid, van de Whw bepaalt dat de inschrijving niet geschiedt dan na overlegging van een door Onze Minister afgegeven bewijs van toelating, tenzij bij of krachtens deze paragraaf anders is bepaald.

Vast staat dat voor de studie geneeskunde een toelatingsbeperking als bedoeld in artikel 7.57a van de Whw van kracht is.

De selectieprocedure voor opleidingen met een toelatingsbeperking is neergelegd in de artikelen 7.57b tot en met 7.57e van de Whw.

Ingevolge het bepaalde in artikel 7.57e, eerste lid, van de Whw, voor zover hier van belang, kan een instellingsbestuur een door hem te bepalen percentage van de opleidingsplaatsen van een opleiding toewijzen aan door hemzelf geselecteerde gegadigden die naar zijn oordeel beschikken over bijzondere kwalificaties.

Op grond van het bepaalde in artikel 7.57e, tweede lid, van de Whw bepaalt een instellingsbestuur dat toepassing geeft aan het eerste lid zelf welke bijzondere kwalificaties het in aanmerking wil nemen en eventuele nadere selectiecriteria. De kwalificaties en selectiecriteria verschillen dan ook per instelling.

Uit het bepaalde in artikel 7.57e, vierde lid, van de Whw volgt dat een gegadigde die in aanmerking wenst te komen voor selectie door een instelling tevens aan de lotingsprocedure dient deel te blijven nemen.

Artikel 7.57c van de Whw bepaalt hoe de afgifte van bewijzen van toelating middels loting in zijn werk gaat.

Aan verzoekster is een bewijs van toelating verleend vanwege decentrale selectie door de Radboud Universiteit Nijmegen en niet op basis van de uitkomsten van de centrale loting.

Verzoekster stelt zich op het standpunt dat verweerder bevoegd is om aan haar, als houdster van een bewijs van toelating voor de opleiding geneeskunde aan de Radboud Universiteit Nijmegen, met toepassing van artikel 7.57d, derde lid, van de Whw een bewijs van toelating voor dezelfde opleiding aan de Rijksuniversiteit Groningen toe te wijzen. Het niet kunnen volgen van deze opleiding in Groningen leidt, vanwege verzoeksters wens om haar studie geneeskunde te combineren met de beoefening van de handbalsport op hoog niveau, tot een onbillijkheid van overwegende aard. Verweerder was onder de gegeven omstandigheden gehouden om hieraan medewerking te verlenen. Verweerder kan, met toepassing van artikel 4:84 van de Awb, afwijken van zijn beleidsregel.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat ruiling van het aan verzoekster afgegeven bewijs van toelating niet mogelijk is, omdat zij decentraal geselecteerd is voor het volgen van een opleiding in Nijmegen. De bevoegdheid van artikel 7.57d, derde lid, van de Whw is niet bedoeld voor studenten die decentraal geselecteerd zijn. Voorts is in de beleidsregel uitdrukkelijk bepaald dat geen medewerking wordt verleend aan ruiling van bewijzen van toelating die verkregen zijn via decentrale selectie.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat artikel 7.57d, derde lid, van de Whw als volgt luidt:

Onze Minister kan ten hoogste vijf procent van het aantal plaatsen per opleiding toewijzen aan gegadigden die na toepassing van het tweede lid in het bezit zijn van een bewijs van toelating voor dezelfde opleiding aan een andere universiteit dan die van de eerste voorkeur, indien dit een onbillijkheid van overwegende aard zou opleveren.

Verweerder hanteert bij de toepassing van artikel 7.57d, derde lid, van de Whw de Beleidsregel ‘ruilen van bewijzen van toelating 2010’ (hierna: de beleidsregel).

De voorzieningenrechter overweegt dat het derde lid van artikel 7.57d van de Whw niet los kan worden gezien van de eerste twee leden van dit artikel. Uit het bepaalde in het eerste lid van artikel 7.57d van de Whw volgt dat dit artikel enkel betrekking heeft op gegadigden die door middel van de gezamenlijke selectieprocedure door verweerder zijn geselecteerd. Dit artikel heeft dus geen betrekking op gegadigden die, zoals verzoekster, met toepassing van artikel 7.57e van de Whw, decentraal geselecteerd zijn door een onderwijsinstelling. Bovendien is verzoekster niet geplaatst bij een andere universiteit dan die van haar eerste voorkeur. Verzoekster heeft er immers zelf voor gekozen om mee te doen aan de decentrale selectie voor de opleiding geneeskunde aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Dat de voorkeur van verzoekster inmiddels is gewijzigd kan aan deze keuze niet afdoen.

Dat het ruilen dan wel wijzigen van de toelating niet mogelijk is voor studenten die decentraal zijn geselecteerd is een bewuste keuze geweest van de wetgever, die de rechter dient te respecteren.

Afwijking van de beleidsregel met toepassing van artikel 4:84 van de Awb was in dit geval niet mogelijk, omdat uit het systeem van de wet – en niet enkel uit de tekst van de beleidsregel - volgt dat artikel 7.57d, derde lid, van de Whw geen betrekking heeft op decentraal geselecteerden, zoals verzoekster.

Verweerder was, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, dan ook niet bevoegd om mee te werken aan ruiling dan wel wijziging van het aan verzoekster afgegeven bewijs van toelating voor de opleiding geneeskunde aan de Radboud Universiteit Nijmegen voor dezelfde opleiding aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Verweerder heeft de weigering om mee te werken aan een dergelijke ruiling dan wel wijziging van de toelating dan ook op goede gronden gehandhaafd.

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit de rechterlijke toets doorstaat.

Het beroep is daarom ongegrond.

Het verzoek om een voorlopige voorziening dient te worden afgewezen.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, voorzieningenrechter, en door hem en mr. A. van der Weij als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open voor zover is beslist op het beroep. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

U kunt ook digitaal hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Kijk op www.raadvanstate.nl voor meer informatie over het indienen van digitaal beroep