Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BX7153

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
11-09-2012
Datum publicatie
12-09-2012
Zaaknummer
Awb 12/381
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak: aanvraag om zorg voor betrokkene die bij een ernstige aanval behandeld dient te worden door middel van een intraveneuze toediening van het medicijn Cator; vraag of eiseres zelf kan alarmeren voor de vraag naar haar zorgbehoefte; op dit punt besluit onvoldoende voorbereid; verweerder kan gebrek herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht

Registratienummer: Awb 12/381

tussenuitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres],

wonende te Almere,

en

het bestuur van de stichting Centrum Indicatiestelling Zorg,

gevestigd te Driebergen, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 6 oktober 2011 heeft verweerder de aanvraag om zorg van eiseres laten vervallen.

Het daartegen gemaakte bezwaar is bij het besluit van 10 januari 2012 ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Het beroep is ter zitting van 4 juni 2012 behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door

[…].

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.C.J.G. van Maris-Kindt.

Overwegingen

1. Aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting ontleent de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Eiseres is een thans 38-jarige vrouw, sinds 2009 bekend met een hereditair angio-oedeem type III. Bij een ernstige aanval op een bedreigende plaats dient eiseres behandeld te worden door middel van intraveneuze toediening van het medicijn Cetor. Aanvankelijk werd bij een opkomende aanval het alarmnummer 112 gebeld en kreeg eiseres in het ziekenhuis medicatie toegediend. Vanaf het moment dat de echtgenoot van eiseres geleerd heeft om de medicijnen intraveneus toe te dienen en de specialist toestemming verleende de medicijnen thuis te bewaren, heeft de echtgenoot van eiseres de noodzakelijke zorg verleend.

1.2. Eiseres heeft in september 2011 een aanvraag om AWBZ-zorg ingediend. Eiseres heeft in haar aanvraag onder meer aangegeven, dat deze ziet op het vervangen van de zorg die haar man biedt. Haar man is 24 uur per dag 7 dagen per week in haar nabijheid om levensreddend op te treden. Eiseres heeft beschreven graag twee dagen in de week iemand thuis hebben zodat haar man tijd heeft om buiten de deur zaken te regelen en op adem te komen. Haar man lijdt aan COPD, reuma/jicht en versleten schouders en enkels. Er zijn drie kinderen in het gezin waarvan twee met een psychiatrische diagnose. Als vorm van zorg die gewenst is heeft eiseres Verpleging aangekruist.

1.3. Bij besluit van 6 oktober 2011 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat besloten is haar aanvraag te laten vervallen, omdat de gevraagde zorg intraveneus injecteren betreft en dit onder de Zorgverzekeringswet valt.

1.4 Naar aanleiding van het ingediende bezwaar heeft er een telefonische hoorzitting plaatsgevonden op 15 november 2011 en is op 7 december 2011 medisch advies uitgebracht. Daarbij is de verklaring van de medisch specialist van eiseres van 18 maart 2011 betrokken. De arts heeft vervolgens geconcludeerd dat eiseres een indicatie heeft gevraagd voor continu toezicht en het intraveneus toedienen van een geneesmiddel. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag van eiseres afgewezen.

2.1. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat in het onderhavig geval sprake is van verpleging die noodzakelijk is in verband met medisch specialistische zorg die tot het domein van de Zorgverzekeringswet behoort. Volgens verweerder betreft de aanvraag immers verpleging, die in het geval van eiseres verleend wordt onder verantwoordelijkheid van een specialist. Daarnaast heeft verweerder gesteld dat de zorg die eiseres wenst, niet doelmatig is, omdat aanwezigheid van een verpleegkundige wordt gevraagd, zonder dat duidelijk is of er ook verpleegkundige handelingen moeten worden verricht.

2.2. Eiseres heeft betoogd dat het gaat om langdurig vereiste verpleegkundige zorg ter vervanging van de mantelzorg. Daarbij heeft zij erop gewezen dat ook haar zorgverzekeraar (FBTO) van mening is dat de zorg valt onder de AWBZ.

3. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

3.1. Ingevolge artikel 9a, eerste lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) voorzien burgemeester en wethouders erin dat in hun gemeente ten behoeve van de inwoners een onafhankelijk indicatieorgaan werkzaam is, dat kosteloos besluit of een inwoner is aangewezen op een van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen vormen van zorg.

3.2. Artikel 9b, eerste lid, van de AWBZ bepaalt dat aanspraak op zorg, aangewezen ingevolge artikel 9a, eerste lid, slechts bestaat indien en gedurende de periode waarvoor het bevoegde indicatieorgaan op een door de verzekerde ingediende aanvraag heeft besloten dat deze naar aard, inhoud en omvang op die zorg is aangewezen.

3.3. Ingevolge artikel 2, eerste en derde lid van het Besluit Zorgaanspraken AWBZ (Bza) bestaat slechts aanspraak op AWBZ-zorg, als deze zorg niet kan worden bekostigd op grond van een andere wettelijke regeling (…) en voor zover de verzekerde, gelet op zijn behoefte en uit een oogpunt van doelmatige zorgverlening, redelijkerwijs daarop is aangewezen.

3.4. Uit artikel 3:2 van de Awb vloeit naar het oordeel van de rechtbank voort dat het CIZ ervoor zorg draagt dat een zorgvuldig onderzoek wordt ingesteld naar de voor de uitvoering van haar taak relevante feiten en omstandigheden. Dit betekent dat bij de beoordeling van een aanvraag in kaart moet worden gebracht wat precies de mogelijkheden en beperkingen zijn en wat de behoefte van de aanvrager is. Eerst dan kan immers bepaald worden of de gevraagde zorg vanuit de AWBZ kan worden verleend of dat het zorg op grond van de ZVW betreft. Verweerder behoeft zich daarbij niet enkel te laten leiden door de omschrijving die de aanvrager zelf van de gewenste zorg geeft.

3.5. Bij eiseres dient in geval van een aanval intraveneus een medicijn te worden toegediend. Dit wordt door de echtgenoot van eiseres gedaan, die hiervoor een speciale opleiding heeft gevolgd. Verweerder is er bij zijn beoordeling vanuit gegaan, dat de hulpvraag ziet op het intraveneus toedienen van medicijnen door een verpleegkundige, die daartoe twee dagdelen continu aanwezig zou moeten zijn. De rechtbank begrijpt de aanvraag van eiseres echter aldus, dat zij verzoekt om zorg vanuit de AWBZ ter vervanging van de zorg die haar echtgenoot biedt. Eiseres heeft daarbij zelf een oplossing gezien in de aanwezigheid van een verpleegkundige. De rechtbank is echter met verweerder van oordeel dat continu toezicht door een verpleegkundige, zonder dat vaststaat dat er ook verpleegkundige handelingen moeten worden verricht, geen doelmatige verstrekking betreft. Daarmee staat echter niet vast, dat er geen sprake is van te indiceren zorg, om de volgende redenen.

3.6. Uit de stukken blijkt, en dit is ook ter zitting namens verweerder bevestigd, dat verweerder heeft aangenomen dat eiseres bij afwezigheid van haar echtgenoot zelf kan alarmeren, zodat zij bij een aanval via 112 noodzakelijke hulp kan inroepen. Ook op die grond heeft verweerder geen noodzaak tot zorg vanuit de AWBZ gezien. Door eiseres is dit bestreden. Ter zitting heeft eiseres toegelicht niet adequaat te kunnen alarmeren omdat een aanval haar regelmatig het spreken verhindert.

3.7. Naar het oordeel van de rechtbank is de vraag of eiseres zelf kan alarmeren van beslissend belang voor de vraag naar de zorgbehoefte van eiseres. Als zij bij afwezigheid van haar echtgenoot of derden niet in staat is 112 te bellen als zij een aanval krijgt, kan immers bezwaarlijk worden volgehouden dat in die situatie de hulpvraag ziet op het toedienen van de medicijnen en de oplossing voor het probleem van eiseres mitsdien in de ZVW ligt. Hoe eiseres geholpen kan worden als er geen toezicht is en zij zelf niet in staat is te alarmeren is niet onderzocht.

3.8. De rechtbank stelt ter zake vast, dat eiseres in haar aanvraag het volgende heeft gesteld “voorheen moest ik vaak 112 bellen om per ambulance afgevoerd te worden”. In haar bezwaarschrift heeft zij beschreven dat haar echtgenoot (en niet eiseres zelf) een aantal keren per week via 112 hulp inriep. Niettemin is in het medisch advies van 7 december 2011 geconcludeerd dat eiseres een aanval voelt opkomen en zelf kan alarmeren, zonder dat eiseres is gezien, en zonder dat het onderzoek van de arts kenbaar op de mogelijkheid tot alarmeren gericht is geweest. Voor de rechtbank is dit niet navolgbaar.

3.9. Gelet op hetgeen is overwogen in 3.7. is de rechtbank van oordeel dat verweerder het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid. Dit betekent dat dit besluit in strijd met artikel 3:2 van de Awb tot stand is gekomen en voor vernietiging in aanmerking komt. De rechtbank draagt verweerder met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet op om het bedoelde gebrek te herstellen. Met het oog daarop overweegt de rechtbank dat eerst na nader (medisch) onderzoek kan worden beoordeeld welke mogelijkheden eiser ten tijd in geding had, wat haar hulpvraag was en wat in haar situatie als oplossing kon worden aangemerkt. Daarbij merkt de rechtbank op dat in dit geschil de situatie ten tijde van het bestreden besluit relevant is. De termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen bepaalt de rechtbank op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.

3.10. Indien verweerder overgaat tot herstel van het gebrek, deelt hij de rechtbank zo spoedig mogelijk schriftelijk mee op welke wijze het gebrek is hersteld. Eiseres kan binnen vier weken na verzending van deze mededeling haar zienswijze over de wijze waarop het gebrek is hersteld naar voren brengen.

3.11. De rechtbank verzoekt verweerder, gelet op het bepaalde in artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb, zo spoedig mogelijk kenbaar te maken of gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid het gebrek te herstellen. Indien verweerder geen gebruik maakt van de gelegenheid om het gebrek in het bestreden besluit te herstellen, of de termijn die daarvoor is bepaald ongebruikt is verstreken, zal de behandeling van het beroep op de gewone wijze worden voortgezet.

4. De rechtbank neemt thans nog geen beslissing over de vergoeding van het betaalde griffierecht en de gemaakte proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.F. Bijloo, voorzitter, mr P.H. Banda en mr. G.P. Loman, rechters, en door de voorzitter en mr. F. Ernens als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.