Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BX6611

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
13-08-2012
Datum publicatie
05-09-2012
Zaaknummer
183897 / HZ RK 11-60
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet inrichting landelijk gebied (Wilg). Buurweg blijft (vergelijkbaar met oude zakelijke rechten) gehandhaafd ondanks titelzuiverende werking van de ruilakte ex art. 82 lid 2 Wilg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

Locatie Zwolle

zaaknummer / rekestnummer: 183897 / HZ RK 11-60

Beschikking van 13 augustus 2012

in de zaak van

[verzoeker],

wonende te [plaats],

verzoeker,

verschenen in persoon,

tegen

UITVOERINGSCOMMISSIE INRICHTING LANDELIJK GEBIED

voor het deelgebied Saasveld-Gammelke,

zetelende te Zwolle,

verweerster,

vertegenwoordiger mr. H.J.W. Leenen, regiojurist DLG Regio Oost te Arnhem,

en

1. [belanghebbende 1],

wonende te [plaats],

verschenen in persoon,

3. [belanghebbende 2],

wonende te [plaats],

niet verschenen,

belanghebbenden.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoeker] en de uitvoeringscommissie. De belanghebbenden zullen worden aangeduid als [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2].

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het ontwerp-ruilplan

- de hiertegen door [belanghebbende 1] ingediende zienswijze

- het bij besluit van 12 januari 2011 vastgestelde ruilplan

- het verzoekschrift met bijlagen

- het verweerschrift van de uitvoeringscommissie (met als bijlagen de stukken als bedoeld in artikel 69, derde lid, van de Wet inrichting landelijk gebied (hierna: Wilg))

- de mondelinge behandeling op 25 oktober 2011.

1.2. Bij de mondelinge behandeling is de uitvoeringscommissie vertegenwoordigd door mr. C.M.J. Ribbers, regiojurist DLG Regio Oost te Arnhem.

De belanghebbende [belanghebbende 2] is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

1.3. De beschikking is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1. Van 13 oktober 2009 tot en met 23 november 2009 heeft het ontwerp-ruilplan voor het herverkavelingsblok Saasveld-Gammelke ter inzage gelegen.

2.2. De inbreng van [verzoeker] bestaat uit twee boskavels, te weten [A] (thans genummerd: [A]) en [B] (thans genummerd: [B]). Deze percelen worden ontsloten naar de openbare weg door middel van een buurweg over de percelen [C] (thans genummerd: [C]), [D] (thans genummerd: [D]), [E] (thans genummerd: [E]) en [F] (thans genummerd: [F]).

2.3. Aan [verzoeker] zijn toegedeeld de door hem ingebrachte kavels [A] en [B]. In het ontwerp-ruilplan is middels erfdienstbaarheden de ontsluiting van deze percelen naar de openbare weg geregeld.

2.4. [belanghebbende 1] heeft overeenkomstig het bepaalde in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tegen het ontwerp-ruilplan een zienswijze ingediend. [belanghebbende 1] heeft zich met die zienswijze verzet tegen de belasting van het aan haar toegedeelde perceel [G] met een erfdienstbaarheid ten behoeve van het aan [verzoeker] toegedeelde perceel [A].

Nadat [belanghebbende 1] en [verzoeker], als belanghebbende, zijn gehoord, is het plan van toedeling gewijzigd, waarbij het besluit als volgt is verwoord:

"2. Zienswijze gegrond. De bijzonder recht 145 en 146 laten vervallen en voor de kavels [A] en [B] twee nieuw bijzonder rechten opnemen in het ontwerp-ruilplan. Indiener gaat akkoord met dit voorstel.

ERFDIENSTBAARHEID VAN WEG OM TE KOMEN VAN EN TE GAAN NAAR DE OPENBARE WEG, OP DE MINST BEZWAARLIJKE WIJZE, TEN BEHOEVE VAN DE KAVEL [A] EN TEN LASTE VAN DE KAVELS [D], [E], [B] en [F].

ERFDIENSTBAARHEID VAN WEG OM TE KOMEN VAN EN TE GAAN NAAR DE OPENBARE WEG, OP DE MINST BEZWAARLIJKE WIJZE, TEN BEHOEVE VAN DE KAVEL [B] EN TEN LASTE VAN DE KAVEL [F].

Belanghebbende heeft de kavel [B] en [A] toegedeeld gekregen en gaat niet akkoord met de bovenstaande nieuwe erfdienstbaarheden.

Onderzoek ter plaatse heeft echter aangetoond dat de beschreven erfdienstbaarheden de minst bezwarende wijze is om de kavels [B] en [A] te ontsluiten aan de openbare weg middels de aanwezigheid van een bospad in de kavels [D], [E], [B] en [F].

De commissie is van mening dat de feitelijke situatie vastgelegd dient te worden."

2.5. Bij besluit van 12 januari 2011 heeft de uitvoeringscommissie, met inachtneming van de ingediende zienswijze, het ruilplan voor het herverkavelingsblok

"Saasveld-Gammelke" vastgesteld. Het ruilplan heeft van 22 februari 2011 tot en met 4 april 2011 ter inzage gelegen.

3. Het geding in beroep

3.1. Tegen het besluit tot vaststelling van het ruilplan heeft [verzoeker] bij verzoekschrift van 26 maart 2011, ter griffie ingekomen op 1 april 2011, beroep ingesteld op grond van artikel 69 Wilg. Het verzoekschrift is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. [verzoeker] komt op tegen het besluit tot vaststelling van het ruilplan waaruit volgt dat [verzoeker] zijn recht op een buurweg wordt ontnomen en waarvoor in de plaats erfdienstbaarheden worden gevestigd. Hierdoor voelt [verzoeker] zich ernstig in zijn belangen geschaad. In de akte van levering van 22 februari 2007, waarbij [verzoeker] koper was van de percelen [A] en [B], is de buurweg opgenomen. Met de buurweg zijn alle belangen van de betreffende partijen op alle punten meer dan voldoende gewaarborgd. Alles dient te blijven zoals het al honderden jaren was. De buurweg is een uitstekend voorbeeld van een heel oud gebruiksrecht dat in de praktijk is ontstaan.

In het huidige ruilplan is [verzoeker] het recht van overpad ontnomen over het perceel van [belanghebbende 2] ([C]) en is er een doodlopende weg ontstaan.

3.2. De uitvoeringscommissie heeft in haar verweerschrift naar voren gebracht dat op grond van het bepaalde in artikel 82 lid 2 Wilg de ruilakte titelzuiverende werking heeft. Dit betekent dat de ruilakte geldt als titel voor de in die akte omschreven rechten en dat de betrokken eigenaren niets meer hebben te maken met rechten welke hebben bestaan vóórdat deze akte werd gepasseerd. Naar het oordeel van de uitvoeringscommissie heeft de titelzuiverende werking van de ruilakte tot gevolg dat de aanspraken op het bestaan van een buurweg komen te vervallen. Omdat een buurweg onder het huidige recht niet opnieuw gevestigd kan worden, heeft de uitvoeringscommissie ervoor gekozen om de bestaande feitelijke situatie te bestendigen door het vestigen van erfdienstbaarheden. Daarmee wordt tevens voldaan aan het wettelijk vereiste dat iedere kavel moet ontsluiten aan de openbare weg.

De uitvoeringscommissie erkent dat zij een misslag heeft gemaakt door niet de ontsluiting in westelijke richting over kavel [C] naar de openbare weg ([H]straat) middels een erfdienstbaarheid te beleggen. Voorzover het bezwaar van [verzoeker] hierop ziet dient dat gegrond te worden verklaard. De nog te vestigen erfdienstbaarheden dienen volgens de uitvoeringscommissie als volgt te luiden:

- Erfdienstbaarheid van weg om te komen van en te gaan naar de openbare weg op de minst bezwaarlijke wijze, ten behoeve van kavel [A] en ten laste van kavel [C];

- Erfdienstbaarheid van weg om te komen van en te gaan naar de openbare weg op de minst bezwaarlijke wijze, ten behoeve van kavel [B] en ten laste van kavels [E], [D], [A] en [C].

4. Overgangsrecht

4.1. Met de inwerkingtreding van de Wilg op 1 januari 2007 is de Landinrichtingswet ingetrokken. Ingevolge artikel 95, tweede lid, blijft de Landinrichtingswet van toepassing op inrichtingsprojecten die deels in voorbereiding of in uitvoering zijn. In afwijking van het tweede lid worden landinrichtingsprojecten ten aanzien waarvan nog geen toepassing is gegeven aan artikel 198 van de Landinrichtingswet alsmede herverkavelingen op basis van de Reconstructiewet concentratiegebieden, vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel uitgevoerd met inachtneming van het bij of krachtens deze wet bepaalde. Het vierde lid van artikel 95 bepaalt dat bij regeling van de minister van landbouw, natuur en voedselkwaliteit ten aanzien van de in het derde lid bedoelde landschapsprojecten en herverkavelingen wordt bepaald op welke wijze procedure-onderdelen en -besluiten op basis van de Landinrichtingswet of de Reconstructiewet concentratiegebieden worden gelijkgesteld met procedure-onderdelen en -besluiten op grond van de Wilg. Aan artikel 95, vierde lid, is uitvoering gegeven bij de regeling inrichting landelijk gebied (Regeling van 14 december 2006, houdende regels inzake de inrichting van het landelijk gebied, Stcrt. 2006, 249, zoals laatstelijk gewijzigd bij regeling van 16 september 2006, Stcrt. 2008, 187).

4.2. Ingevolge artikel 23 van de regeling worden procedure-onderdelen en -momenten uit de Landinrichtingswet gelijkgesteld aan corresponderende procedure-onderdelen en

-momenten uit de Wilg. Het landinrichtingproject herinrichting Saasveld-Gammelke, dat plaats vindt onder de Reconstructiewet, wordt daarmee onder de werking van de Wilg gebracht.

5. De beoordeling

5.1. [verzoeker] heeft gesteld dat er thans een buurweg is die loopt vanaf de [H]straat over aansluitend de percelen [C] ([C]), [A] ([A]), [D] ([D]), [E] ([E]), [B] ([B]), [F] ([F]) naar de [H]straat en vice versa.

De uitvoeringscommissie heeft de stelling van [verzoeker] dat er sprake is van een buurweg niet weersproken zodat de rechtbank het bestaan van deze buurweg als uitgangspunt neemt.

Verder heeft de rechtbank vastgesteld dat ieder bij de buurweg betrokken perceel weer wordt toegedeeld aan de inbrengende eigenaar.

5.2. De bepaling van de buurweg, zoals opgenomen in artikel 719 (oud) BW, is in het Nieuw BW (ingevoerd in 1992) niet teruggekeerd. Ten aanzien van de buurweg is echter in artikel 160 van de Overgangswet NBW bepaald dat het in werking treden van de wet geen wijziging brengt in de rechten, bevoegdheden en verplichtingen met betrekking tot een buurweg welke voordien is ontstaan. Een buurweg kan weliswaar onder het huidige recht niet meer ontstaan maar een reeds voor 1 januari 1992 bestaande buurweg blijft voortbestaan. Op zo'n "oude" buurweg blijft artikel 719 (oud) BW van toepassing, zodat deze alleen "met gemeene toestemming" kan worden opgeheven (zie HR 13 februari 2004, NJ 2004, 319/LJN: AN8284).

5.3. De voorliggende vraag is of de uitvoeringscommissie in haar standpunt dat de onderhavige buurweg door de titelzuiverende werking van de ruilakte ex artikel 82 lid 2 Wilg komt te vervallen, gevolgd dient te worden dan wel dat de buurweg bij de onderhavige ruilverkaveling in stand blijft, zoals door [verzoeker] is gesteld.

5.4. Het gevolg van de titelzuiverende werking van artikel 82 lid 2 Wilg voor de buurweg is niet expliciet in de Wilg opgenomen. De Hoge Raad heeft echter uitdrukkelijk overwogen dat de uit de buurweg voortvloeiende rechten van de gebruiker van de weg en de lasten van het gebruik voor hen of anderen vallen onder (met name artikel 160) Landinrichtingswet (zie HR 31 oktober 1990, NJ 1991, 73/LJN: AD1278). Het bepaalde in artikel 160 Landinrichtingswet is vergelijkbaar met het huidige artikel 60 Wilg, waarin in het eerste lid is bepaald: voor zover de onroerende zaken in het plan van toedeling zijn opgenomen, worden de niet onder artikel 52 begrepen beperkte rechten, het recht van huur en de lasten die met betrekking tot die onroerende zaken bestaan, geregeld of opgeheven onder de regeling van de geldelijke gevolgen daarvan. Uit de in artikel 60 lid 1 gebruikte formulering "geregeld of opgeheven" maakt de rechtbank op dat de wetgever niet heeft beoogd de in het artikel genoemde rechten en lasten per definitie te laten eindigen maar ruimte heeft gelaten tot aanpassing daarvan.

5.5. In de jurisprudentie en literatuur is ten aanzien van oude zakelijke rechten, die voor de invoering van het Burgerlijk Wetboek zijn ontstaan en die na die invoering niet meer kunnen worden gevestigd, diverse malen aangenomen dat deze bij ruil- en herverkaveling kunnen worden gehandhaafd. Met de inschrijving van de ruilakte (voorheen: akte van toedeling) waarin zo'n oud zakelijk recht is opgenomen, ontstaat dan ook niet een nieuw zakelijk recht maar wordt een reeds bestaand zakelijk recht vernieuwd (zie Rb. Rotterdam, 19 oktober 1989, Ruilverkavelingsbode nr. 76, maart 1991, 49-52; Hof Amsterdam, 11 juli 2002, NJ 2005, 289/LJN: AT8676; F.C.J. Ketelaar, Oude zakelijke rechten, diss. Leiden 1978, p. 144-148; Prof. mr. P. de Haan, Toedeling van beklemrechten bij ruil- en herverkaveling, WPNR 2004/6571, 233-235).

5.6. Weliswaar is een buurweg geen oud zakelijk recht, maar beide rechtsfiguren zijn zodanig vergelijkbaar (doordat ze onder het huidige privaatrecht niet meer kunnen ontstaan) dat naar het oordeel van de rechtbank hetgeen van toepassing is op oude zakelijke rechten van overeenkomstige toepassing kan worden verklaard op de buurweg. Hieruit volgt dat de buurweg niet per definitie met de inschrijving van de ruilakte komt te vervallen, maar dat de buurweg door vermelding hiervan in de ruilakte gehandhaafd kan blijven. Dit is ook lijn met het hiervoor onder 5.2 overwogene dat de buurweg slechts op één wijze kan worden opgeheven, namelijk "met gemeene toestemming".

5.7. Bij het hiervoor onder 5.6 overwogene heeft de rechtbank ook nog van belang geacht dat met het vestigen van erfdienstbaarheden ter vervanging van de buurweg, zoals de uitvoeringscommissie heeft voorgesteld, [verzoeker] geen recht van dezelfde aard verkrijgt, hetgeen in strijd is met het bepaalde in artikel 52 Wilg.

5.8. Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank het beroep van [verzoeker] gegrond verklaren, hetgeen tot gevolg heeft dat het ruilplan moet worden gewijzigd. Bij deze wijziging zal de rechtbank aansluiten bij hetgeen de uitvoeringscommissie ten aanzien van te vestigen erfdienstbaarheden naar voren heeft gebracht. Bepaald zal worden dat het ruilplan moet worden gewijzigd in die zin dat daarin de buurweg ten behoeve van de aan [verzoeker] toegedeelde bospercelen [B] en [A] over perceel [C] wordt opgenomen, als zijnde vernieuwing van een reeds bestaande buurweg.

Deze wijziging betreft echter maar een deel van de buurweg. De rechtbank geeft de uitvoeringscommissie in overweging, in plaats van de over en weer te vestigen erfdienstbaarheden, de gehele buurweg (lopende vanaf de [H]straat over aansluitend de percelen [C], [A], [D], [E], [B], [F] naar de [H]straat en vice versa) in de ruilakte op te nemen.

5.9. De uitvoeringscommissie zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld, tot op heden aan de zijde van [verzoeker] begroot op € 258,- aan griffierecht.

6. De beslissing

De rechtbank

6.1. verklaart het beroep van [verzoeker] tegen het ruilplan gegrond, voor zover het betreft het vervallen van de buurweg over perceel [C],

6.2. bepaalt dat het ruilplan moet worden gewijzigd in die zin dat daarin de buurweg ten behoeve van de aan [verzoeker] toegedeelde bospercelen [B] en [A] over perceel [C] wordt opgenomen, als zijnde vernieuwing van een reeds bestaande buurweg,

6.3. verklaart het beroep voor het overige ongegrond,

6.4. veroordeelt de uitvoeringscommissie in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [verzoeker] tot op heden begroot op € 258,-.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.J.B. Cornelissen en in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2012.

Rechtsmiddelverwijzing

Tegen deze beschikking staat voor de belanghebbenden, waaronder verzoeker, die voor de rechtbank zijn verschenen en voor de uitvoeringscommissie beroep in cassatie open bij de Hoge Raad te 's-Gravenhage overeenkomstig de artikelen 426 tot en met 429 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Het beroep in cassatie moet worden ingesteld binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak. Het beroep wordt aangebracht bij een door een advocaat bij de Hoge Raad getekend verzoekschrift en ingediend bij de griffie van de Hoge Raad.