Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BX4702

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
07-08-2012
Datum publicatie
15-08-2012
Zaaknummer
07.651064-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; medeplegen afpersing; overval in woning

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer: 07.651064-12 (P)

Uitspraak: 7 augustus 2012

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het openbaar ministerie

tegen

[Verdachte],

geboren op [geboortejaar],

zonder vaste woon- en/of verblijfplaats hier te lande,

thans verblijvende in de [adres].

ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 26 juli 2012.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. K. Kok, advocaat te Zwolle.

Als officier van justitie was aanwezig mr. R. Verheul.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

Hij op of omstreeks 19 maart 2012 in de gemeente Zwolle tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een portemonnee met daarin ongeveer 6435,- euro en/of een mobiele telefoon en/of één of meer gripzakjes met goud/gouden sieraden en/of een gouden armband, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)

- voorzien van één of meer messen, althans steekvoorwerpen en/of een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, zich naar de woning van voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft/hebben begeven, en/of (vervolgens)

- bij het (deels) openen van de voordeur door die [slachtoffer 1], krachtig tegen voornoemde voordeur heeft/hebben geduwd en/of gedrukt en/of (daarbij) voornoemde [slachtoffer 1] achterwaarts heeft/hebben geduwd en/of gedrukt, en/of (vervolgens)

- opzettelijk dreigend die [slachtoffer 1] (met kracht) tegen/op het hoofd heeft/hebben geslagen/gestompt, en/of (vervolgens)

- gekomen in de woning, opzettelijk dreigend (met kracht) een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft/hebben gezet/geduwd en/of hierbij het vuurwapen heeft/hebben doorgeladen, en/of (vervolgens)

- opzettelijk dreigend tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft/hebben geschreeuwd/gezegd: “geld, geld, en goud wil ik hebben” en/of “geef hier die telefoon” en/of “pak die telefoon” en/of “geeft me geld, geef me geld”, en/of

- opzettelijk dreigend een mes, althans een steekvoorwerp, heeft/hebben vastgepakt en/of getoond/gericht aan/op die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2].

Ten gevolge van een kennelijke vergissing staat in de tenlastelegging, in regel 1 en 2 van het primair ten laste gelegde “met een ander” in plaats van “met (een) ander(en)”. De rechtbank herstelt deze vergissing door het laatste te lezen voor het eerste. Blijkens het onderzoek ter terechtzitting wordt de verdachte daardoor in de verdediging niet geschaad.

VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

BEWIJSMOTIVERING

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting betoogd dat hetgeen ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen kan worden en heeft ter terechtzitting de veroordeling van verdachte gevorderd ten aanzien van hetgeen onder voornoemd feit ten laste is gelegd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich voor wat betreft de bewezenverklaring van het ten laste gelegde, te weten afpersing in vereniging gepleegd, gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De raadsman heeft met betrekking tot het gebruikte geweld vrijspraak bepleit voor het gebruik van een pistool en een mes. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat voor een bewezenverklaring van het gebruik van beide wapens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is nu alleen de aangever over het pistool en mes heeft verklaard.

Met betrekking tot hetgeen ten laste is gelegd inzake de gouden armband heeft de raadsman vrijspraak bepleit nu naar de mening van de raadsman ook daar het wettig en overtuigend bewijs voor ontbreekt.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt, op grond van de hierna in voetnoten vermelde bewijsmiddelen , het navolgende.

Op 19 maart 2012, in de avonduren, zijn [slachtoffer 1] en zijn vrouw, [slachtoffer 2], in hun woning aan de [adres] te Zwolle overvallen.

De overvallers hebben een portemonnee met een geschat geldbedrag van ongeveer € 6.435,-, een gripzakje met goud en een mobiele telefoon buitgemaakt.

Verdachte heeft (ondermeer) bij de politie op 24 april 2012 en ter terechtzitting op 26 juli 2012 een verklaring gegeven omtrent zijn rol bij de overval. Verdachte heeft verklaard dat hij met drie medeverdachten, te weten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] het huis van de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is binnengedrongen. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij als eerste heeft aangebeld, waarna hij de deur verder heeft opengeduwd en aangever [slachtoffer 1] een klap tegen/op zijn hoofd heeft gegeven. Hierna zijn de overvallers de woning binnengedrongen en hebben zij geschreeuwd om geld en goud. [slachtoffer 1] heeft daarop zijn portemonnee en gripzakjes met goud afgegeven.

Verdachte heeft verklaard dat hij direct is doorgelopen naar de woonkamer alwaar hij de echtgenote van [slachtoffer 1] aantrof, te weten mevrouw [slachtoffer 2]. Nadat verdachte en zijn medeverdachten de woning hadden verlaten hebben de verdachten het geld verdeeld in de kelderbox bij de flatwoning van medeverdachte [medeverdachte 1].

Verdachte ontkent dat er een pistool en een mes is gebruikt tijdens de overval. Verdachte heeft ter terechtzitting wel verklaard dat hij een mes op zak had tijdens de overval.

Aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard, dat de eerste overvaller de voordeur verder open heeft geduwd en hem meteen een harde klap tegen zijn hoofd gaf, dat hij naar achteren viel en dat de tweede overvaller die het huis binnenkwam een pistool op zijn hoofd heeft gezet en het pistool heeft doorgeladen. De man schreeuwde “geld, geld en goud wil ik hebben”. Voorts heeft aangever [slachtoffer 1] verklaard dat er nog een man binnen kwam met een mes in zijn handen. Hij heeft zijn portemonnee en twee gripzakjes met goud afgegeven. Verder heeft aangever [slachtoffer 1] verklaard dat hij heeft gezien dat een overvaller bij zijn vrouw achter in de woonkamer stond, dat zijn vrouw op de grond lag en dat hij de overvaller hoorde zeggen “pak je telefoon, geef geef”.

In een aanvullende verklaring van 20 maart 2012 heeft aangever [slachtoffer 1] verklaard dat hij ook nog een gouden armband mist vanuit de lade bij de tv-kast.

Getuige [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij in haar woning is overvallen door drie a vier personen, dat er een Antilliaan voor haar stond die zei “geef hier die telefoon” en dat ze (uiteindelijk) de telefoon aan hem heeft afgegeven.

Uit het proces-verbaal van aanhouding van verdachte blijkt dat bij hem, direct na de overval, (onder meer) een mes is aangetroffen.

Met betrekking tot de aanwezigheid van een pistool

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van verdachte van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt die de aangifte van aangever [slachtoffer 1] ondersteunen voor wat betreft het gebruik van een pistool tijdens de overval.

Derhalve kan hetgeen dat primair met betrekking tot het geweld met het pistool ten laste is gelegd niet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

Met betrekking tot de aanwezigheid van een mes

Uit voornoemde bewijsmiddelen blijkt dat aangever heeft verklaard dat een van de verdachten een mes in zijn handen had en dat bij verdachte, direct na de overval, een mes is aangetroffen. Verdachte heeft toegegeven dat hij dat mes tijdens de overval ook bij zich had.

De rechtbank is van oordeel dat het feit dat verdachte het mes bij zich droeg, in combinatie met de overige gebruikte bewijsmiddelen, moet leiden tot de conclusie dat het geweld waarbij het mes is gebruikt, eveneens wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

Met betrekking tot de gouden armband

Met betrekking tot de verdwenen gouden armband is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat die de afpersing van de armband ondersteunen. De armband is niet onder een van de verdachten aangetroffen en aangever [slachtoffer 1] heeft voorts niet verklaard dat hij de armband daadwerkelijk aan een van de verdachten heeft afgegeven. Derhalve kan hetgeen met betrekking tot de afpersing van de armband ten laste is gelegd niet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

De rechtbank overweegt dat ten aanzien van hetgeen overig ten laste is gelegd sprake is van een bekennende verdachte in de zin van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank zal daarom volstaan met een opsomming van de overige bewijsmiddelen die tot de bewezenverklaring hebben geleid:

- Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] ;

- Letselrapportage GGD IJsselland ;

- Proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 2] ;

- Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] ;

- Proces-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte 2] en

- Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 3] .

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder ten laste is gelegd, met dien verstande dat

Hij op 19 maart 2012 in de gemeente Zwolle tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een portemonnee met daarin ongeveer 6435,- euro en een mobiele telefoon en gripzakjes met goud, toebehorende aan voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en zijn mededaders

- voorzien van één mes, zich naar de woning van voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben begeven, en (vervolgens)

- bij het (deels) openen van de voordeur door die [slachtoffer 1], krachtig tegen voornoemde voordeur hebben geduwd en/of gedrukt en (daarbij) voornoemde [slachtoffer 1] achterwaarts hebben geduwd, en (vervolgens)

- opzettelijk dreigend die [slachtoffer 1] (met kracht) tegen/op het hoofd hebben geslagen/gestompt, en (vervolgens)

- opzettelijk dreigend tegen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft/hebben geschreeuwd/gezegd: “geld, geld, en goud wil ik hebben” en “geef hier die telefoon” en “pak die telefoon” en “geef me geld, geef me geld”.

Van het meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

DE STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Het bewezene levert op:

Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen,

strafbaar gesteld bij de artikelen 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

De bewezen verklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is dan ook strafbaar.

OPLEGGING VAN STRAF EN/OF MAATREGEL

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier jaren met aftrek van de periode die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft een lagere straf bepleit dan dat de officier van justitie in zijn eis heeft geformuleerd.

De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat bij de overval geen wapens zijn gebruikt en dat dhr. [slachtoffer 1] geen ernstig letsel heeft opgelopen bij de overval. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat de werkwijze van verdachten niet professioneel is geweest en verdachte op dit gebied geen relevante documentatie heeft. Tot slot heeft de raadsman de rechtbank verzocht mee te laten wegen dat verdachte spijt heeft van wat hij heeft gedaan.

De raadsman heeft voorts de rechtbank verzocht een onvoorwaardelijke straf op te leggen en het plan van aanpak zoals door de reclassering voorgesteld, uit te laten voeren in het kader van de voorwaardelijke invrijheidstelling en niet in het kader van een voorwaardelijk strafdeel.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

De rechtbank heeft kennis genomen van het rapport van de Reclassering van 29 juni 2012, opgemaakt door N. Klooster, reclasseringswerker i.o., in welk rapport wordt geadviseerd een NIFP-rapportage op te laten maken teneinde vast te stellen of de nader beschreven voorwaarden de kans op recidive doen verminderen. De Reclassering heeft de volgende bijzondere voorwaarden voorgesteld op te leggen: een meldingsgebod, een behandelverplichting bij een instelling voor ambulante forensische zorg alsmede opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang.

De rechtbank heeft voorts rekening gehouden met een uittreksel justitiële documentatie van verdachte d.d. 21 juni 2012 waaruit blijkt dat verdachte eerder voor geweldsdelicten is veroordeeld.

De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij, zonder zich op dat moment enige rekenschap te geven van de gevolgen van zijn handelen voor de slachtoffers, samen met medeverdachten is overgegaan tot het plegen van een overval waarbij geweld niet is geschuwd.

Verdachten zijn een woning binnengevallen bij nietsvermoedende bewoners. Normaal gesproken is een woning een plaats waar men zich veilig en geborgen waant. Door op deze wijze te handelen hebben verdachten niet alleen onrust bij de bewoners maar ook grote maatschappelijk onrust veroorzaakt.

Dergelijke ervaringen kunnen slachtoffers van dit soort geweld nog jaren met zich meedragen.

De rechtbank is van oordeel dat dit soort geweld niet kan worden getolereerd, hetgeen in de op te leggen straf tot uitdrukking wordt gebracht.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een forse onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden.

Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig.

Gezien de omstandigheid dat van verdachte geen NIFP-rapportage is opgemaakt en zijn raadsman heeft verzocht het plan van aanpak zoals door de Reclassering voorgesteld, uit te laten voeren in het kader van de voorwaardelijke invrijheidstelling en niet in het kader van een voorwaardelijk strafdeel, zal de rechtbank geen voorwaardelijk strafdeel opleggen.

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank de geldende oriëntatiepunten van het Landelijk overleg van voorzitters van de strafsectoren van de gerechtshoven en de rechtbanken (LOVS) als uitgangspunt genomen, waarbij voor een overval op een woning met lichte bedreiging of licht geweld een gevangenisstraf van drie jaren als uitgangspunt heeft te gelden.

In het onderhavige geval is naar het oordeel van de rechtbank sprake van meer dan lichte bedreiging of licht geweld. Daarbij heeft de rechtbank in acht genomen dat een mes is gebruikt, dat een van de slachtoffers is geduwd en in het gezicht is geslagen waardoor dat slachtoffer is gevallen en dat het andere slachtoffer op de grond moest gaan liggen. Bovendien neemt de rechtbank in strafverzwarende zin mee dat de overval heeft plaatsgevonden in de late avonduren en dat er sprake was van vier daders die (deels) hebben gebruik gemaakt van gezichtsbedekking. Daar komt bij, dat met name verdachte in vergelijking tot zijn mededaders verantwoordelijk is geweest voor het gebruikte geweld en de bedreiging daarmee. Immers verdachte heeft aangever geduwd en geslagen en verdachte heeft het mes getoond.

In strafverminderende zin heeft de rechtbank meegenomen dat verdachte zijn spijt heeft betuigd in die zin dat hij de slachtoffers een excuusbrief heeft geschreven.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10 en 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Benadeelde partij

De benadeelde partij, [slachtoffer 1], heeft zich met een vordering tot schadevergoeding van een bedrag van € 9.273,50 aan materiële schade en een bedrag van € 1.500,- aan immateriële schade gevoegd in het strafproces.

De benadeelde partij, [slachtoffer 2], heeft zich met een vordering tot schadevergoeding van een bedrag van € 237,50 aan materiële schade en een bedrag van € 1.500,- aan immateriële schade gevoegd in het strafproces.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel conform artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht indien en voorzover de vorderingen van de benadeelde partijen worden toegewezen.

Het standpunt van de verdediging

Met betrekking tot de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft de raadsman de rechtbank verzocht de vordering voor wat betreft de kluis en de armband af te wijzen. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat deze posten onvoldoende zijn onderbouwd. Voor het overige refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

Met betrekking tot de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2] refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

Vordering [slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding van een bedrag van € 10.773,50 gevoegd in het strafproces. Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan, dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden.

Naar het oordeel van de rechtbank is de door de benadeelde partij opgevoerde post betreffende de kluis onvoldoende onderbouwd.

Nu verdachte zal worden vrijgesproken van het afpersen van de gouden armband ter waarde van € 4.600,- zal de rechtbank ook deze opgevoerde schadepost niet honoreren.

Derhalve is de hoogte van de door de benadeelde partij [slachtoffer 1] geleden schade genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 5.673,50, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag dat het bewezen verklaarde feit is gepleegd tot de dag van algehele voldoening. De vordering zal dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. De verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op nihil.

De benadeelde partij zal voor het meerdere niet ontvankelijk worden verklaard.

De verdachte is voor de schade, voorzover toegewezen, naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.

Als extra waarborg voor betaling aan de benadeelde partij zal de rechtbank overeenkomstig artikel 36 f van het Wetboek van Strafrecht de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom ten behoeve van de benadeelde partij.

Vordering [slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding van een bedrag van € 1.737,- gevoegd in het strafproces. Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan, dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden.

De vordering is met de door de benadeelde partij overlegde stukken onderbouwd en niet, althans onvoldoende weersproken.

De hoogte van de schade is genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van

€ 1.737,- vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag dat het bewezen verklaarde feit is gepleegd tot de dag van algehele voldoening. De vordering zal dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. De verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op nihil.

De verdachte is voor de schade, voorzover toegewezen, naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.

Als extra waarborg voor betaling aan de benadeelde partij zal de rechtbank overeenkomstig artikel 36 f van het Wetboek van Strafrecht de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom ten behoeve van de benadeelde partij.

BESLISSING

Het ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert het strafbare feit op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

42 maanden.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

Schadevergoeding

Vordering [slachtoffer 1]

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], wonende te Zwolle, van een bedrag van € 5.673,50 (zegge: vijfduizend, zeshonderd en drieënzeventig euro en 50 eurocent) vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag dat het bewezen verklaarde feit is gepleegd tot de dag van algehele voldoening. Verdachte is naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover verdachte en/of een van zijn mededaders heeft/hebben voldaan aan deze verplichting dan komt de andere daarmee te vervallen.

De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog zal maken, tot op heden begroot op nihil.

De rechtbank legt de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat een bedrag van

€ 5.673,50, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 63 hechtenis.

De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte en/of zijn mededaders heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte en/of zijn mededaders heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor wat het meer gevorderde betreft in zijn vordering niet ontvankelijk is. De benadeelde partij kan zijn vordering voor dat deel bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Vordering [slachtoffer 2]

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2], wonende te Zwolle, van een bedrag van € 1.737,- (zegge: éénduizend, zevenhonderd en zevenendertig euro) vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag dat het bewezen verklaarde feit is gepleegd tot de dag van algehele voldoening. Verdachte is naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover verdachte en/of een van zijn mededaders heeft/hebben voldaan aan deze verplichting dan komt de andere daarmee te vervallen.

De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog zal maken, tot op heden begroot op nihil.

De rechtbank legt de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat een bedrag van

€ 1.737,-, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 27 hechtenis.

De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte en/of zijn mededaders heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte en/of zijn mededaders heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2], daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door mr. L.J.C. Hangx, voorzitter, mrs. G.P. Nieuwenhuis en F.E.J. Goffin, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A. van den Hoek als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 augustus 2012.

Mr. L.J.C. Hangx voornoemd was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.