Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BX4579

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
07-08-2012
Datum publicatie
14-08-2012
Zaaknummer
07.650202-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; medeplegen afpersing; overval in woning

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer: 07.650202-12 (P)

Uitspraak: 7 augustus 2012

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het openbaar ministerie

tegen

[Verdachte],

geboren op [geboortejaar],

wonende aan de [adres],

thans verblijvende in de [adres].

ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 26 juli 2012.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.H. van Meurs, advocaat te Kampen.

Als officier van justitie was aanwezig mr. R. Verheul.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

Hij op of omstreeks 19 maart 2012 in de gemeente Zwolle tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een portemonnee met daarin ongeveer 6435,- euro en/of een mobiele telefoon en/of één of meer gripzakjes met goud/gouden sieraden en/of een gouden armband, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)

- voorzien van één of meer messen, althans steekvoorwerpen en/of een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, zich naar de woning van voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft/hebben begeven, en/of (vervolgens)

- bij het (deels) openen van de voordeur door die [slachtoffer 1], krachtig tegen voornoemde voordeur heeft/hebben geduwd en/of gedrukt en/of (daarbij) voornoemde [slachtoffer 1] achterwaarts heeft/hebben geduwd en/of gedrukt, en/of (vervolgens)

- opzettelijk dreigend die [slachtoffer 1] (met kracht) tegen/op het hoofd heeft/hebben geslagen/gestompt, en/of (vervolgens)

- gekomen in de woning, opzettelijk dreigend (met kracht) een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft/hebben gezet/geduwd en/of hierbij het vuurwapen heeft/hebben doorgeladen, en/of (vervolgens)

- opzettelijk dreigend tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft/hebben geschreeuwd/gezegd: “geld, geld, en goud wil ik hebben” en/of “geef hier die telefoon” en/of “pak die telefoon” en/of “geeft me geld, geef me geld”, en/of

- opzettelijk dreigend een mes, althans een steekvoorwerp, heeft/hebben vastgepakt en/of getoond/gericht aan/op die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2];

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] op of omstreeks 19 maart 2012 in de gemeente Zwolle, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft/hebben gedwongen tot de afgifte van een portemonnee met daarin ongeveer 6435,- euro en/of een mobiele telefoon en/of één of meer gripzakjes met goud/gouden sieraden en/of een gouden armband, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] voornoemd en/of zijn/hun mededader(s) en/of aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4], en/of zijn/hun mededader(s)

- voorzien van één of meer messen, althans steekvoorwerpen en/of een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, zich naar de woning van voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft/hebben begeven, en/of (vervolgens)

- bij het (deels) openen van de voordeur door die [slachtoffer 1], krachtig tegen voornoemde voordeurheeft/hebben geduwd en/of gedrukt en/of (daarbij) voornoemde [slachtoffer 1] achterwaarts heeft/hebben geduwd en/of gedrukt, en/of (vervolgens)

- opzettelijk dreigend die [slachtoffer 1] (met kracht) tegen/op het hoofd heeft/hebben geslagen/gestompt, en/of (vervolgens)

- gekomen in de woning, opzettelijk dreigend (met kracht) een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft/hebben gezet/geduwd en/of hierbij het vuurwapen heeft/hebben doorgeladen, en/of (vervolgens)

- opzettelijk dreigend tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft/hebben geschreeuwd/gezegd: “geld, geld, en goud wil ik hebben” en/of “geef hier die telefoon” en/of “pak die telefoon” en/of “geef me geld, geef me geld”, en/of

- opzettelijk dreigend een mes, althans een steekvoorwerp, heeft/hebben vastgepakt en/of getoond/gericht aan/op die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 19 maart 2012 in de gemeente Zwolle opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door op de uitkijk te gaan staan en/of die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] te waarschuwen.

Ten gevolge van een kennelijke vergissing staat in de tenlastelegging in regel 1 en 2 van het primair ten laste gelegde “met een ander” in plaats van “met (een) ander(en)”. De rechtbank herstelt deze vergissing door het laatste te lezen voor het eerste. Blijkens het onderzoek ter terechtzitting wordt de verdachte daardoor in de verdediging niet geschaad.

VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

BEWIJSMOTIVERING

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting betoogd dat hetgeen primair ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen kan worden en heeft ter terechtzitting de veroordeling van verdachte gevorderd ten aanzien van hetgeen onder voornoemd feit ten laste is gelegd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft vrijspraak bepleit van het primair ten laste gelegde, te weten afpersing, in vereniging gepleegd. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat aangevers het (aanvankelijk) hebben over drie daders en niet over vier. Met betrekking tot het subsidiair ten laste gelegde, te weten medeplichtigheid aan afpersing, heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt, op grond van de hierna in voetnoten vermelde bewijsmiddelen , het navolgende.

Op 19 maart 2012 in de avonduren, zijn [slachtoffer 1] en zijn vrouw, [slachtoffer 2], in hun woning aan de [adres] te Zwolle overvallen door meerdere personen die de woning zijn binnengedrongen.

De overvallers hebben een portemonnee met een geldbedrag van ongeveer € 6.435,-, gripzakjes met gouden sieraden en een mobiele telefoon buitgemaakt.

Op 20 maart 2012 heeft [slachtoffer 1] aangifte gedaan van een overval in zijn woning. Hij heeft zakelijk weergegeven het volgende verklaard.

[slachtoffer 1] is goudhandelaar en was op 19 maart 2012 thuis met zijn vrouw. Vanuit zijn ooghoek zag [slachtoffer 1] een man de tuin inlopen.

De man stak zijn hand op zodat [slachtoffer 1] geen vreemd gevoel kreeg en zelfs dacht dat het misschien wel een bekende was.

Hierna liep [slachtoffer 1] naar de voordeur en opende deze.

Meteen nadat de voordeur werd geopend werd deze met kracht verder open geduwd en kreeg [slachtoffer 1] een klap tegen zijn hoofd aan.

Door deze klap viel [slachtoffer 1] naar achteren en kwam ten val ter hoogte van de trap naar de eerste verdieping.

Na de klap zag [slachtoffer 1] dat er meteen nog een man binnenkwam welke met kracht een pistool op zijn hoofd zette.

Nadat de man het pistool op zijn hoofd zette, zag en hoorde [slachtoffer 1] dat de man het pistool doorlaadde. [slachtoffer 1] zag dat de man de bovenkant naar achteren trok. De man schreeuwde hierbij in goed Nederlands van “Geld, geld en goud wil ik hebben”.

Hierna zag [slachtoffer 1] dat er nog een man binnenkwam en die had een mes in zijn handen.

Daarop gaf [slachtoffer 1] de man zijn portemonnee.

Vervolgens bleven de mannen schreeuwen dat zij meer wilden hebben.

[slachtoffer 1] antwoordde “ in de woonkamer”.

Toen zij naar de woonkamer gingen stond de derde dader bij zijn vrouw die op de grond lag. Die derde dader wilde de telefoon van zijn vrouw hebben.

Vervolgens pakte [slachtoffer 1] 2 gripzakjes met 14 en 18 karaats goud met een waarde van ongeveer € 2760,-.

Later op die dag, 20 maart 2012, heeft aangever [slachtoffer 1] bij de politie een aanvullende verklaring afgelegd waarin hij heeft verklaard dat hij en zijn vrouw er niet zeker van zijn of het drie of vier daders waren. Verder heeft hij verklaard dat hij ook nog een gouden armband mist vanuit de lade bij de tv-kast.

Op 20 maart 2012 heeft de vrouw van aangever, [slachtoffer 2] , bij de politie een verklaring afgelegd.

Zij heeft verklaard dat op 19 maart 2012 omstreeks 23.45 uur bij hen een man aan de deur kwam. Zij heeft vervolgens verklaard dat ([slachtoffer 1]) naar de deur liep.

Getuige zat op de bank, keek naar buiten en zag vervolgens dat een tweede persoon aan kwam lopen.

Getuige schreeuwde naar [slachtoffer 1] “pas op!!” of woorden van gelijke strekking.

Getuige heeft verklaard dat [slachtoffer 1] toen de deur al open had gedaan en naar haar riep “bel de politie, bel de politie”.

Getuige is vervolgens naar de achterkant van de woonkamer gelopen met haar mobiele telefoon in haar handen.

Zij is toen op haar hurken achter de eettafel gaan zitten. Zij kreeg echter de vergrendeling niet van haar telefoon af. Toen zij weer omhoog kwam stond er een Antiliaan voor haar die tegen haar zei “geef hier die telefoon”. Hij wilde dat zij de telefoon aan hem gaf. Ze heeft de telefoon (uiteindelijk) aan hem gegeven.

De man zei vervolgens tegen haar “geef me geld, geef me geld”. Zij had echter geen geld waarna zij van de man op de grond moest gaan liggen.

Daarna heeft getuige niet veel meer kunnen zien. Na enige tijd zijn de personen via de voordeur weer weggegaan.

Op 24 april 2012 heeft medeverdachte [medeverdachte 2] bij de politie een verklaring afgelegd.

Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft verklaard dat medeverdachte [medeverdachte 1] op 19 maart 2012 aan hem voorstelde om mee naar Zwolle te gaan om “geld te maken”. Volgens [medeverdachte 2] had [medeverdachte 1] al met iemand in Zwolle had afgesproken.

Zij zijn toen, samen met medeverdachte [medeverdachte 4] met de trein naar Zwolle gereisd.

Vervolgens werden zij opgewacht op het station te Zwolle door medeverdachte [medeverdachte 3] en verdachte.

Hierna zijn zij naar de woning van [medeverdachte 3] en verdachte gelopen aan de [adres].

[medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij en [medeverdachte 4] buiten de flat hebben gewacht terwijl de anderen ([medeverdachte 3], [medeverdachte 1] en verdachte) de flat binnengingen.

Toen zij weer naar beneden kwamen zag [medeverdachte 2] dat zij andere kleding hadden aangedaan.

[medeverdachte 2] heeft toen tegen [medeverdachte 4] gezegd dat die bij de bushalte moest gaan staan.

Vervolgens heeft [medeverdachte 2] tegen [medeverdachte 4] gezegd dat zij een woningoverval zouden gaan plegen.

Daarop zijn ze met zijn vieren naar de woning gelopen.

[medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij als eerste heeft aangebeld en dat hij, toen de man de deur open deed, hem meteen een klap in zijn gezicht heeft gegeven. Nadat de man was gevallen en naar iemand anders schreeuwde dat die de politie moest bellen is [medeverdachte 2] meteen doorgelopen naar de woonkamer.

[medeverdachte 2] heeft voorts verklaard dat meteen na hem [medeverdachte 3], verdachte en [medeverdachte 1] naar binnen zijn gelopen.

In de woonkamer trof [medeverdachte 2] een vrouw aan met een telefoon in haar handen. [medeverdachte 2] wilde de telefoon hebben. Nadat zij de telefoon achter een klok had gegooid heeft hij naar zijn zeggen de telefoon opgepakt en in zijn zak gestoken.

Daarna is [medeverdachte 2] richting de voordeur gelopen.

[medeverdachte 2] heeft verklaard niet te weten wie een pistool bij zich had. Hij heeft geen pistool gezien.

Nadat zij de woning hebben verlaten zijn zij naar de kelderbox bij de flatwoning van [medeverdachte 3] gelopen alwaar zij de buit hebben verdeeld.

[medeverdachte 2] heeft de portemonnee en een zakje met goud gezien.

Volgens [medeverdachte 2] heeft [medeverdachte 1] de buit verdeeld tussen [medeverdachte 3], verdachte en [medeverdachte 1]. [medeverdachte 2] zou daar ook nog een deel van krijgen. [medeverdachte 2] heeft in de kelderbox 1 biljet van 500 euro gekregen voor zijn aandeel.

Op 25 juni 2012 heeft [medeverdachte 1] bij de politie een verklaring afgelegd.

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij medeverdachte [medeverdachte 3] kent uit Amsterdam en dat [medeverdachte 3] hem had gebeld. [medeverdachte 3] had gezegd dat hij een klus had waar ze wat mee zouden kunnen verdienen. [medeverdachte 1] is toen met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] naar Zwolle gereisd alwaar zij werden opgehaald door [medeverdachte 3] en verdachte. Zij zijn toen naar de flat van [medeverdachte 3] gelopen.

[medeverdachte 1] heeft verder verklaard dat [medeverdachte 3], verdachte en hij naar boven zijn gegaan alwaar verdachte en [medeverdachte 3] zich hebben omgekleed.

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat [medeverdachte 3] hem van de overval vertelde op het moment dat zij van het station naar het huis van [medeverdachte 3] liepen.

[medeverdachte 1] heeft vervolgens verklaard dat ze met zijn vieren naar de woning van de goudhandelaar zijn gegaan, te weten [medeverdachte 3], [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en verdachte.

Nadat [medeverdachte 2] bij de woning had aangebeld zijn de andere drie achter hem naar binnen gegaan. Eerst [medeverdachte 3], toen verdachte en als laatste [medeverdachte 1].

Na de overval zijn zij naar de kelderbox gelopen alwaar zij het geld hebben verdeeld.

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat aan een ieder steeds 500 euro werd gegeven totdat het geld op was. [medeverdachte 1] had minder geld omdat hij het goud had genomen.

[medeverdachte 1] had ongeveer 1680 euro en de rest had volgens hem 500 euro meer omdat hij het goud had.

Op 3 mei 2012 heeft [getuige 1] bij een politie een verklaring afgelegd.

Zij heeft verklaard dat [medeverdachte 3] haar vriend is en dat verdachte de vriend van haar zus is. Verdachte en haar zus wonen bij [medeverdachte 3] en haar in huis.

Zij heeft verklaard dat [medeverdachte 3] en verdachte naar het station gingen om [medeverdachte 1] op te halen.

Nadat zij terugkwamen kwamen zij met [medeverdachte 1] de woonkamer in. Hierna gingen [medeverdachte 3] en verdachte zich omkleden. Volgens getuige was het duidelijk dat [medeverdachte 1] kwam voor de overval.

Voorts heeft getuige verklaard dat zij telefoongesprekken had afgeluisterd tussen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] en dat zij wist dat zij die man gingen pakken.

Na het omkleden zijn de drie mannen weggegaan. Korte tijd later kwamen zij weer terug en vertelden haar dat de overval was gelukt.

Zij heeft verklaard dat zowel [medeverdachte 3] als verdachte haar een behoorlijk aantal bankbiljetten zien.

Getuige dacht dat zowel [medeverdachte 3] als verdachte wel meer dan 2000 euro aan 500 eurobiljetten hadden en nog wat 20 en 50 eurobiljetten. Zij schatte het dat beiden wel ongeveer 2200 euro aan contant geld aan contant geld hadden.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij wist van de overval, maar dat hij slechts op de uitkijk heeft gestaan. Verdachte heeft voorts verklaard dat over de overval is gesproken toen hij met [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] in de flat van [medeverdachte 3] was. Verder heeft verdachte verklaard dat hij heeft gedeeld in de buit.

De rechtbank

De rechtbank overweegt dat voor een veroordeling wegens medeplegen een nauwe en bewuste samenwerking is vereist. Dit houdt in dat de medeplegers willens en wetens, met opzet, samenwerken tot het verrichten van de strafbare gedraging. Niet nodig is dat alle medeplegers de uitvoeringshandelingen zelf verrichten.

Voorts overweegt de rechtbank dat uit voornoemde bewijsmiddelen kan worden geconcludeerd dat verdachte van te voren op de hoogte was van het plan een overval te plegen en heeft gedeeld in de buit. Bovendien is verdachte blijkens de verklaringen van twee medeverdachten – die ook zichzelf in die verklaringen hebben belast – aanwezig geweest in de woning die is overvallen. Gelet daarop acht de rechtbank de verklaring van verdachte dat hij slechts op de uitkijk heeft gestaan niet geloofwaardig.

Gezien het voornoemde is de rechtbank, anders dan de raadsman, van oordeel dat verdachte een grotere rol in de overval heeft gehad dan verdachte ter zitting heeft verklaard en dat aan de vereisten voor medeplegen is voldaan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte medepleger is van het primair ten laste gelegde.

De rechtbank verwerpt het verweer.

Gezien het voornoemde is de rechtbank van oordeel dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

Met betrekking tot de aanwezigheid van een pistool

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van verdachte van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat die de aangifte van aangever [slachtoffer 1] ondersteunen voor wat betreft het gebruik van een pistool tijdens de overval.

Derhalve kan hetgeen dat primair met betrekking tot het geweld met het pistool ten laste is gelegd niet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

Met betrekking tot de gouden armband

Met betrekking tot de verdwenen gouden armband is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat die de afpersing van de armband ondersteunen. De armband is niet onder een van de verdachten aangetroffen en aangever [slachtoffer 1] heeft voorts niet verklaard dat hij de armband daadwerkelijk aan een van de verdachten heeft afgegeven. Derhalve kan hetgeen primair met betrekking tot de afpersing van de armband ten laste is gelegd niet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte primair ten laste is gelegd, met dien verstande dat

Hij op 19 maart 2012 in de gemeente Zwolle tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een portemonnee met daarin ongeveer 6435,- euro en een mobiele telefoon en gripzakjes met goud, toebehorende aan voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en zijn mededaders

- voorzien van één mes, zich naar de woning van voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben begeven, en (vervolgens)

- bij het (deels) openen van de voordeur door die [slachtoffer 1], krachtig tegen voornoemde voordeur hebben geduwd en/of gedrukt en (daarbij) voornoemde [slachtoffer 1] achterwaarts hebben geduwd, en (vervolgens)

- opzettelijk dreigend die [slachtoffer 1] (met kracht) tegen/op het hoofd hebben geslagen/gestompt, en (vervolgens)

- opzettelijk dreigend tegen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft/hebben geschreeuwd/gezegd: “geld, geld, en goud wil ik hebben” en “geef hier die telefoon” en “pak die telefoon” en “geef me geld, geef me geld”.

Van het primair meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

DE STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Het bewezene levert op:

Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen,

strafbaar gesteld bij de artikelen 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Dit levert het genoemde strafbare feit op.

DE STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

De bewezen verklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is vooralsnog niet aannemelijk geworden.

OPLEGGING VAN STRAF EN/OF MAATREGEL

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie jaren met aftrek van de periode die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft een gevangenisstraf van kortere duur bepleit dan de officier van justitie in zijn eis heeft geformuleerd. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat verdachte niet als medepleger kan worden aangemerkt doch slechts als medeplichtige.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden

waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte,

zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de

na te noemen beslissing passend.

De rechtbank heeft voorts rekening gehouden met een uittreksel justitiële documentatie van verdachte d.d. 21 juni 2012 waaruit blijkt dat verdachte vanaf 2006 niet meer is veroordeeld voor enig feit.

De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij, zonder zich op dat moment enige rekenschap te geven van de gevolgen van zijn handelen voor de slachtoffers, samen met medeverdachten is overgegaan tot het plegen van een overval waarbij geweld niet is geschuwd.

Verdachten zijn een woning binnengevallen bij nietsvermoedende bewoners. Normaal gesproken is een woning een plaats waar men zich veilig en geborgen waant. Door op deze wijze te handelen hebben verdachten niet alleen onrust bij de bewoners maar ook grote maatschappelijk onrust veroorzaakt.

Dergelijk ervaringen kunnen slachtoffers van dit soort geweld nog jaren met zich meedragen.

De rechtbank is van oordeel dat dit soort geweld niet kan worden getolereerd, hetgeen in de op te leggen straf tot uitdrukking wordt gebracht.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een forse onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden.

Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig.

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank de geldende oriëntatiepunten van het Landelijk overleg van voorzitters van de strafsectoren van de gerechtshoven en de rechtbanken (LOVS) als uitgangspunt genomen, waarbij voor een overval op een woning met lichte bedreiging of licht geweld een gevangenisstraf van drie jaren als uitgangspunt heeft te gelden. In het onderhavige geval is naar het oordeel van de rechtbank sprake geweest van meer dan lichte bedreiging of licht geweld. Daarbij heeft de rechtbank in acht genomen dat een mes is gebruikt, dat een van de slachtoffers is geduwd en in het gezicht is geslagen waardoor dat slachtoffer is gevalleen en dat het andere slachtoffer op de grond moest gaan liggen. Bovendien neemt de rechtbank in strafverzwarende zin mee, dat de overval heeft plaatsgevonden in de late avonduren en dat sprake was van vier daders die (deels) hebben gebruik gemaakt van gezichtsbedekking.

In strafverminderende zin neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten en ook niet recent met justitie in aanraking is geweest. Bovendien is de rol van verdachte bij de onderhavige overval in vergelijking met de rol van zijn mededaders beperkter geweest, nu [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] een initiërende rol hebben gehad en met name [medeverdachte 2] verantwoordelijk is geweest voor het gebruikte geweld en de bedreiging daarmee. Dat maakt dat de rechtbank in het geval van verdachte zal volstaan met de door de officier van justitie gevorderde straf.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10 en 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Benadeelde partij

De benadeelde partij, [slachtoffer 1], heeft zich met een vordering tot schadevergoeding van een bedrag van € 9.273,50 aan materiële schade en een bedrag van € 1.500,- aan immateriële schade gevoegd in het strafproces.

De benadeelde partij, [slachtoffer 2], heeft zich met een vordering tot schadevergoeding van een bedrag van € 237,50 aan materiële schade en een bedrag van € 1.500,- aan immateriële schade gevoegd in het strafproces.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot oplegging van schadevergoedingsmaatregel conform artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht indien en voor zover de vorderingen van de benadeelde partijen worden toegewezen.

Het standpunt van de verdediging

Met betrekking tot beide vorderingen, te weten de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft de raadsman de rechtbank primair verzocht beide vorderingen af te wijzen en subsidiair de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren.

De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de betrokkenheid van zijn cliënt bij de schade maar gering is geweest en dat zijn cliënt geen geld heeft.

Het oordeel van de rechtbank

Vordering [slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding van een bedrag van € 10.773,50 gevoegd in het strafproces. Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan, dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor primair bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden.

Naar het oordeel van de rechtbank is de door de benadeelde partij opgevoerde post betreffende de kluis onvoldoende onderbouwd.

Nu verdachte zal worden vrijgesproken van het afpersen van de gouden armband ter waarde van € 4.600,- zal de rechtbank ook deze opgevoerde schadepost niet honoreren.

Derhalve is de hoogte van de door de benadeelde partij [slachtoffer 1] geleden schade genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 5.673,50, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag dat het primair bewezen verklaarde feit is gepleegd tot de dag van algehele voldoening. De vordering zal dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. De verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op nihil.

De benadeelde partij zal voor het meerdere niet ontvankelijk worden verklaard.

De verdachte is voor de schade, voor zover toegewezen, naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.

Als extra waarborg voor betaling aan de benadeelde partij zal de rechtbank overeenkomstig artikel 36 f van het Wetboek van Strafrecht de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom ten behoeve van de benadeelde partij.

Vordering [slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding van een bedrag van € 1.737,- gevoegd in het strafproces. Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan, dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor primair bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden.

De vordering is met de door de benadeelde partij overlegde stukken onderbouwd en niet, althans onvoldoende weersproken.

De hoogte van de schade is genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van

€ 1.737,- vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag dat het primair bewezen verklaarde feit is gepleegd tot de dag van algehele voldoening. De vordering zal dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. De verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op nihil.

De verdachte is voor de schade, voor zover toegewezen, naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.

Als extra waarborg voor betaling aan de benadeelde partij zal de rechtbank overeenkomstig artikel 36 f van het Wetboek van Strafrecht de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom ten behoeve van de benadeelde partij.

BESLISSING

Het primair ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert het strafbare feit op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het primair meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

36 maanden.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

Schadevergoeding

Vordering [slachtoffer 1]

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], wonende te Zwolle, van een bedrag van € 5.673,50 (zegge: vijfduizend, zeshonderd en drieënzeventig euro en 50 eurocent) vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag dat het primair bewezen verklaarde feit is gepleegd tot de dag van algehele voldoening. Verdachte is naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover verdachte en/of een van zijn mededaders heeft/hebben voldaan aan deze verplichting dan komt de andere daarmee te vervallen.

De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog zal maken, tot op heden begroot op nihil.

De rechtbank legt de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat een bedrag van

€ 5.673,50, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 63 hechtenis.

De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte en/of zijn mededaders heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte en/of zijn mededaders heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor wat het meer gevorderde betreft in zijn vordering niet ontvankelijk is. De benadeelde partij kan zijn vordering voor dat deel bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Vordering [slachtoffer 2]

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2], wonende te Zwolle, van een bedrag van € 1.737,- (zegge: éénduizend, zevenhonderd en zevenendertig euro) vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag dat het primair bewezen verklaarde feit is gepleegd tot de dag van algehele voldoening. Verdachte is naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover verdachte en/of een van zijn mededaders heeft/hebben voldaan aan deze verplichting dan komt de andere daarmee te vervallen.

De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog zal maken, tot op heden begroot op nihil.

De rechtbank legt de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat een bedrag van

€ 1.737,-, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 27 hechtenis.

De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte en/of zijn mededaders heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte en/of zijn mededaders heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2], daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door mr. G.P. Nieuwenhuis, voorzitter, mrs. L.J.C. Hangx en F.E.J. Goffin, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A. van den Hoek als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 augustus 2012.

Mr. L.J.C. Hangx voornoemd was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.