Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BX4555

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
07-08-2012
Datum publicatie
14-08-2012
Zaaknummer
07/651063-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; medeplegen afpersing; overval in woning

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer: 07.651063-12 en 07.650323-12 (ttgev) (P)

Uitspraak: 7 augustus 2012

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het openbaar ministerie

tegen

[Verdachte],

geboren op [geboortejaar],

wonende aan [adres],

thans verblijvende in [adres].

ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 24 juli 2012.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M. Schwab, advocaat te Amsterdam.

Als officier van justitie was aanwezig mr. R. Verheul.

Ter terechtzitting heeft de rechtbank in het belang van het onderzoek de voeging bevolen van de bij afzonderlijke dagvaardingen onder parketnummers 07.651063-12 en 07.650323-12 tegen de verdachte aangebrachte zaken.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

Parketnummer 07.650323-12

Hij op of omstreeks 18 oktober 2011 in de gemeente Amsterdam [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 1], dreigend de woorden toegevoegd: “je laat me gaan, je kan me niks maken. Als je me aanraakt maak ik je af. Ik maak je dood. Ik weet waar je werkt ik weet je te vinden” en/of “ik ga je slaan, ik ga je schoppen, ik maak je dood”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Parketnummer 07.651063-12

Hij op of omstreeks 19 maart 2012 in de gemeente Zwolle tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot de afgifte van een portemonnee met daarin ongeveer 6435,- euro en/of een mobiele telefoon en/of één of meer gripzakjes met goud/gouden sieraden en/of een gouden armband, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan voornoemde [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)

- voorzien van één of meer messen, althans steekvoorwerpen en/of een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, zich naar de woning van voornoemde [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft/hebben begeven, en/of (vervolgens)

- bij het (deels) openen van de voordeur door die [slachtoffer 2], krachtig tegen voornoemde voordeur heeft/hebben geduwd en/of gedrukt en/of (daarbij) voornoemde [slachtoffer 2] achterwaarts heeft/hebben geduwd en/of gedrukt, en/of (vervolgens)

- opzettelijk dreigend die [slachtoffer 2] (met kracht) tegen/op het hoofd heeft/hebben geslagen/gestompt, en/of (vervolgens)

- gekomen in de woning, opzettelijk dreigend (met kracht) een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp tegen het hoofd van die [slachtoffer 2] heeft/hebben gezet/geduwd en/of hierbij het vuurwapen heeft/hebben doorgeladen, en/of (vervolgens)

- opzettelijk dreigend tegen die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft/hebben geschreeuwd/gezegd: “geld, geld, en goud wil ik hebben” en/of “geef hier die telefoon” en/of “pak die telefoon” en/of “geeft me geld, geef me geld”, en/of

- opzettelijk dreigend een mes, althans een steekvoorwerp, heeft/hebben vastgepakt en/of getoond/gericht aan/op die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3].;

Ten gevolge van een kennelijke vergissing staat in de tenlastelegging (met parketnummer 07.651063-12) in regel 1 en 2 van het primair ten laste gelegde “met een ander” in plaats van “met (een) ander(en)”. De rechtbank herstelt deze vergissing door het laatste te lezen voor het eerste. Blijkens het onderzoek ter terechtzitting wordt de verdachte daardoor in de verdediging niet geschaad.

VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

BEWIJSMOTIVERING

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting betoogd dat hetgeen onder parketnummers 07.650323-12 en 07.651063-12 ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen kan worden en heeft ter terechtzitting de veroordeling van verdachte gevorderd ten aanzien van hetgeen onder voornoemde feiten ten laste is gelegd.

Het standpunt van de verdediging

Met betrekking tot hetgeen onder parketnummer 07.650323-12 ten laste is gelegd heeft de raadsvrouw primair vrijspraak bepleit. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat haar cliënt ontkent de bedreigingen te hebben geuit. Voorts heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de exacte bewoordingen van de vermeende bedreiging waarover de getuige verklaart, noch het moment waarop die bewoordingen volgens de getuige zijn geuit, overeenkomen met hetgeen aangever daarover verklaart.

Met betrekking tot hetgeen onder parketnummer 07.651063-12 ten laste is gelegd heeft de heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit van de afpersing van de telefoon. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat haar cliënt geen opzet had op het afpersen van de telefoon maar dat het opzet van de afpersing van haar cliënt slechts gericht was op goud en geld.

Voorts heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit van geweld en/of dreiging van geweld met het pistool en het mes. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat slechts de aangever heeft verklaard dat er een pistool aanwezig was. Met betrekking tot het mes heeft de raadsvrouw aangevoerd dat haar cliënt niet wist dat medeverdachte [medeverdachte 1] het mes had gepakt. De raadsvrouw heeft verder vrijspraak bepleit van de afpersing van de gouden armband nu onder de verdachten geen armband is aangetroffen.

Het oordeel van de rechtbank

Parketnummer 07.650323-12

De rechtbank overweegt, op grond van de hierna in voetnoten vermelde bewijsmiddelen , het navolgende.

Op dinsdag 18 oktober 2011 is door [slachtoffer 1] aangifte gedaan ter zake bedreiging. Aangever heeft verklaard dat hij op die dag aan het werk was als beveiliger in de [winkel] op de [adres] te Amsterdam.

Aangever heeft verklaard dat hij zag dat verdachte iets in zijn broek stopte ter hoogte van de schaamstreek. Voorts zag hij dat verdachte hem zag en daarvan schrok en zich daarop richting kassa bewoog.

Aangever zag dat verdachte wederom rommelde bij zijn schaamstreek en de spullen uit zijn mandje afrekende en de winkel wilde verlaten.

Aangever heeft verdachte aangesproken achter de kassa’s en heeft verdachte verzocht met hem mee te lopen omdat aangever vermoedde dat verdachte andere spullen niet had afgerekend.

Voorts heeft aangever verklaard dat verdachte diverse bedreigingen tegen hem uitte: “je laat me gaan, je kan me niks maken. Als je me aanraakt maak ik je af. Ik maak je dood. Ik weet waar je werkt ik weet je te vinden”, en woorden van soortgelijke strekking.

Op 21 oktober 2011 heeft T.A. Schragen , filiaalmanager bij de [winkel] op de [adres] te Amsterdam, aangifte gedaan ter zake winkeldiefstal.

Aangever heeft verklaard dat hij op 18 oktober 2011 bij de [winkel] werkzaam was als filiaalmanager. Op een gegeven moment hoorde aangever dat er bij het kassapark problemen waren met een klant.

Aangekomen bij het kassapark zag aangever de beveiliger staan bij een man die tegen de beveiliger stond te schreeuwen.

Nadat de beveiliger aan de filiaalmanager had uitgelegd wat er aan de hand was heeft aangever aan verdachte gevraagd met hem mee te gaan.

Aangever hoorde verdachte alleen maar schreeuwen. Vervolgens zag aangever, dat er heen en weer werd geduwd tussen verdachte en de beveiliger.

Aangever hoorde verdachte op een gegeven moment schreeuwen: “ik ga je slaan, ik ga je schoppen, ik maak je dood”, althans woorden van gelijke strekking.

Op woensdag 19 oktober 2011 heeft verdachte een verklaring bij de politie afgelegd waarin hij heeft verklaard in de winkel te zijn geweest. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij op een gegeven moment werd vastgegrepen door de beveiliger. Verdachte heeft verklaard wel iets te hebben geroepen maar de beveiliger niet met de dood te hebben gedreigd.

De rechtbank overweegt dat de verklaringen over het incident van beide aangevers vrijwel overeenkomen. Voorts overweegt de rechtbank dat het dossier geen aanknopingspunten bevat om van twee verschillende incidenten uit te gaan. Dat niet alle door aangevers benoemde bedreigingen woordelijk overeenkomen, doet er niet aan af dat beide aangevers verklaren over soortgelijke bedreigingen door verdachte tijdens een incident waarbij verdachte betrokken is.

De rechtbank verwerpt derhalve het verweer.

Gezien het voornoemde is de rechtbank van oordeel dat hetgeen onder parketnummer 07.650323-12 ten laste is gelegd, wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

parketnummer 07.651063-12

De rechtbank overweegt, op grond van de hierna in voetnoten vermelde bewijsmiddelen , het navolgende.

Op 19 maart 2012, in de avonduren, zijn [slachtoffer 2] en zijn vrouw, [slachtoffer 3], in hun woning aan de [adres] te Zwolle overvallen.

De overvallers hebben een portemonnee met een geschat geldbedrag van ongeveer € 6.435,-, gripzakjes met gouden sieraden en een mobiele telefoon buitgemaakt.

Verdachte heeft op 25 juni 2012 bij de politie een verklaring gegeven omtrent zijn rol bij de overval. Verdachte heeft verklaard dat hij met drie medeverdachten, te weten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] naar het huis van de goudhandelaar is gegaan en dat hij een rood burberry mutsje en een zonnebril op had. Verdachte heeft voorts verklaard dat medeverdachte [medeverdachte 1] heeft aangebeld en dat zij daarna naar binnen zijn gegaan. Verdachte heeft verder verklaard dat hij bij de voordeur is blijven staan terwijl de andere drie overvallers de woonkamer ingingen. Nadat verdachte en zijn mededaders de woning hadden verlaten hebben zij de buit verdeeld in de kelderbox bij de flatwoning van medeverdachte [medeverdachte 2]. Verdachte heeft verklaard geen vuurwapen te hebben gezien.

Ter terechtzitting op 24 juli 2012 heeft verdachte verklaard dat hij een mes bij medeverdachte [medeverdachte 1] heeft gezien en dat het zou kunnen dat [medeverdachte 1] dat mes heeft gebruikt. Verdachte zegt dit echter niet te hebben gezien.

Aangever [slachtoffer 2] heeft verklaard, dat de eerste overvaller de voordeur verder open heeft geduwd en hem meteen een harde klap tegen zijn hoofd gaf, dat hij naar achteren viel en dat de tweede overvaller die het huis binnenkwam een pistool op zijn hoofd heeft gezet en het pistool heeft doorgeladen. De man schreeuwde “geld, geld en goud wil ik hebben”. Voorts heeft aangever [slachtoffer 2] verklaard dat er nog een man binnen kwam met een mes in zijn handen. Hij heeft zijn portemonnee en twee gripzakjes met goud afgegeven. Verder heeft aangever [slachtoffer 2] verklaard dat hij heeft gezien dat een overvaller bij zijn vrouw achter in de woonkamer stond, dat zijn vrouw op de grond lag en dat hij de overvaller hoorde zeggen “pak je telefoon, geef geef”.

In een aanvullende verklaring van 20 maart 2012 heeft aangever [slachtoffer 2] verklaard dat hij ook nog een gouden armband mist vanuit de lade bij de tv-kast.

Getuige [slachtoffer 3] heeft verklaard dat zij in haar woning is overvallen door drie a vier personen, dat er een Antilliaan voor haar stond die zei “geef hier die telefoon” en dat ze (uiteindelijk) de telefoon aan hem heeft afgegeven.

Uit het proces-verbaal van aanhouding van medeverdachte [medeverdachte 1] blijkt dat bij hem, direct na de overval, (onder meer) een mes is aangetroffen.

Met betrekking tot de aanwezigheid van een pistool

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsvrouw van verdachte van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat die de aangifte van aangever [slachtoffer 2] ondersteunen voor wat betreft het gebruik van een pistool tijdens de overval.

Derhalve kan hetgeen dat met betrekking tot het geweld met het pistool ten laste is gelegd niet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

Met betrekking tot het opzet van het gebruik van het mes

Uit voornoemde bewijsmiddelen blijkt dat aangever heeft verklaard dat een van de verdachten een mes in zijn handen had en dat bij medeverdachte [medeverdachte 1], direct na de overval, een mes is aangetroffen.

Bovendien heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij wetenschap heeft gehad van het feit dat medeverdachte [medeverdachte 1] in het bezit was van een mes en dat het zou kunnen dat [medeverdachte 1] tijdens de overval het mes heeft gebruikt.

Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een zodanige nauwe en bewuste samenwerking van verdachte met zijn medeverdachten dat ook het door de medeverdachten gebruikte geweld en bedreiging met geweld aan verdachte kan worden toegerekend. Verdachte en zijn medeverdachten hebben immers gezamenlijk een goudhandelaar overvallen, verdachte heeft daarbij een essentiële rol gehad, verdachte heeft een rol gehad bij het plannen van de overval, verdachte wist dat zijn medeverdachte [medeverdachte 1] in het bezit was van een mes en het door de medeverdachten gebruikte geweld en bedreiging met geweld past zozeer bij het plan om een goudhandelaar te overvallen, dat minst genomen voorwaardelijk opzet op het gebruikte geweld en de bedreiging daarmee kan worden aangenomen.

Met betrekking tot het opzet inzake de telefoon

Wanneer binnen de hiervoor geschetste context van een door verdachte en zijn medeverdachten beraamde woningoverval op een goudhandelaar een van de medeverdachten een slachtoffer een mobiele telefoon afhandig maakt teneinde te voorkomen dat de politie wordt gebeld, is gelet op de hiervoor reeds beschreven nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten ook de opzet op de afpersing van die telefoon aan verdachte toe te rekenen.

Met betrekking tot de gouden armband

Met betrekking tot de verdwenen gouden armband is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat die de afpersing van de armband ondersteunen. De armband is niet onder een van de verdachten aangetroffen en aangever [slachtoffer 2] heeft voorts niet verklaard dat hij de armband daadwerkelijk aan een van de verdachten heeft afgegeven. Derhalve kan hetgeen met betrekking tot de afpersing van de armband ten laste is gelegd niet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

De rechtbank overweegt dat ten aanzien van hetgeen overig ten laste is gelegd sprake is van een bekennende verdachte in de zin van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank zal daarom volstaan met een opsomming van de overige bewijsmiddelen die tot de bewezenverklaring hebben geleid:

- Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] ;

- Letselrapportage GGD IJsselland ;

- Proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 3] ;

- Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] ;

- Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] ;

- Proces-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte 1] en

- Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 3]

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte ten laste is gelegd, met dien verstande dat

Parketnummer 07.650323-12

Hij op 18 oktober 2011 in de gemeente Amsterdam [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 1], dreigend de woorden toegevoegd: “je laat me gaan, je kan me niks maken. Als je me aanraakt maak ik je af. Ik maak je dood. Ik weet waar je werkt ik weet je te vinden” en/of “ik ga je slaan, ik ga je schoppen, ik maak je dood”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Parketnummer 07.651063-12

Hij op 19 maart 2012 in de gemeente Zwolle tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot de afgifte van een portemonnee met daarin ongeveer 6435,- euro en een mobiele telefoon en gripzakjes met goud, toebehorende aan voornoemde [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en zijn mededaders

- voorzien van één mes, zich naar de woning van voornoemde [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] hebben begeven, en (vervolgens)

- bij het (deels) openen van de voordeur door die [slachtoffer 2], krachtig tegen voornoemde voordeur hebben geduwd en/of gedrukt en (daarbij) voornoemde [slachtoffer 2] achterwaarts hebben geduwd, en (vervolgens)

- opzettelijk dreigend die [slachtoffer 2] (met kracht) tegen/op het hoofd hebben geslagen/gestompt, en (vervolgens)

- opzettelijk dreigend tegen die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft/hebben geschreeuwd/gezegd: “geld, geld, en goud wil ik hebben” en “geef hier die telefoon” en “pak die telefoon” en “geeft me geld, geef me geld”.

Van het onder parketnummer parketnummer 07.650323-12 en parketnummer 07.651063-12

meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

DE STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Het bewezene levert op:

Parketnummer 07.650323-12

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht,

Strafbaar gesteld bij artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht.

Parketnummer 07.651063-12

Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen,

Strafbaar gesteld bij de artikelen 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

De bewezen verklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is vooralsnog niet aannemelijk geworden.

DE STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Met betrekking tot hetgeen onder parketnummer 07.650323-12 ten laste is gelegd heeft de raadsvrouw zich subsidiair beroepen op noodweer.

De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding heeft plaatsgevonden waartegen verdachte noodzakelijk geboden was zijn lijf te verdedigen.

De rechtbank overweegt voorts dat de raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte de bedreigingen zou hebben geuit vanuit een noodweersituatie nu hij, naar eigen zeggen, door de beveiliger werd vastgepakt.

De rechtbank komt tot de conclusie dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat die de verklaring van verdachte omtrent de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding ondersteunen. Naar het oordeel van de rechtbank komt verdachte derhalve geen beroep op noodweer toe. De rechtbank verwerpt het verweer.

Er zijn geen nadere feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is dan ook strafbaar.

OPLEGGING VAN STRAF EN/OF MAATREGEL

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier jaren met aftrek van de periode die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting de rechtbank verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de omstandigheid dat verdachte veel spijt heeft van het gebeuren en niet de initiatiefnemer van de overval is geweest.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden

waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte,

zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de

na te noemen beslissing passend.

De rechtbank heeft voorts kennis genomen van het rapport van de Reclassering van 22 maart 2012, opgemaakt door mw. Y. Agteresch, reclasseringswerker, in welk rapport wordt geadviseerd een NIFP-rapportage op te laten stellen teneinde een duidelijk beeld van verdachte te krijgen.

De rechtbank heeft bij zijn beslissing rekening gehouden met de Pro Justitia-rapportage van 2 juli 2012, opgemaakt door drs. A.K. Wieringa, GZ psycholoog, waaruit blijkt dat verdachte heeft geweigerd deel te nemen aan het psychologisch onderzoek.

De rechtbank heeft voorts rekening gehouden met het rapport van de Reclassering van 19 juli 2012, opgemaakt door A. Kuzee, reclasseringswerker, in welk rapport wordt gerapporteerd dat uit het verleden is gebleken dat reclasseringstoezicht en behandeling in een ambulant kader niet afdoende zijn gebleken om de kans op recidive te verlagen. Verdachte is onvoldoende gemotiveerd en heeft geweigerd mee te werken aan het opstellen van een Pro Justitia-rapportage. De Reclassering onthoudt zich derhalve van advies.

De rechtbank heeft voorts rekening gehouden met een uittreksel justitiële documentatie van verdachte d.d. 21 juni 2012 waaruit blijkt dat verdachte gedurende zijn leven een strafblad heeft opgebouwd waaruit een patroon van gewelddadige vermogensdelicten valt te distilleren.

De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij, zonder zich op dat moment enige rekenschap te geven van de gevolgen van zijn handelen voor de slachtoffers, samen met medeverdachten is overgegaan tot het plegen van een overval waarbij geweld niet is geschuwd.

Verdachten zijn een woning binnengevallen bij nietsvermoedende bewoners. Normaal gesproken is een woning een plaats waar men zich veilig en geborgen waant. Door op deze wijze te handelen hebben verdachten niet alleen onrust bij de bewoners maar ook grote maatschappelijk onrust veroorzaakt.

Dergelijke ervaringen kunnen slachtoffers van dit soort geweld nog jaren met zich meedragen.

De rechtbank is van oordeel dat dit soort geweld niet kan worden getolereerd, hetgeen in de op te leggen straf tot uitdrukking wordt gebracht.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een forse onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden.

Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig.

Gezien de omstandigheid dat verdachte reeds eerder door de Reclassering is begeleid en voor zijn stoornissen is behandeld zal de rechtbank geen voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden opleggen nu die oplegging naar het oordeel van de rechtbank geen toegevoegde waarde zal hebben.

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank de geldende oriëntatiepunten van het Landelijk overleg van voorzitters van de strafsectoren van de gerechtshoven en de rechtbanken (LOVS) als uitgangspunt genomen, waarbij voor een overval op een woning met lichte bedreiging of licht geweld een gevangenisstraf van drie jaren als uitgangspunt heeft te gelden.

In het onderhavige geval is naar het oordeel van de rechtbank sprake geweest van meer dan lichte bedreiging of licht geweld. Daarbij heeft de rechtbank in acht genomen dat een mes is gebruikt, dat een van de slachtoffers is geduwd en in het gezicht is geslagen waardoor dat slachtoffer viel en dat het andere slachtoffer op de grond moest gaan liggen. Bovendien neemt de rechtbank in strafverzwarende zin mee, dat de overval heeft plaatsgevonden in de late avonduren en dat er sprake was van vier daders die (deels) hebben gebruik gemaakt van gezichtsbedekking.

Daar komt bij, dat verdachte – naar het oordeel van de rechtbank – samen met zijn medeverdachte [medeverdachte 2] een grote/initiërende rol heeft gehad bij de onderhavige overval.

Bovendien heeft verdachte zich naast voormelde woningoverval nog schuldig gemaakt aan een bedreiging.

In strafverminderende zin heeft de rechtbank meegenomen dat verdachte zijn spijt heeft betuigd in die zin dat hij de slachtoffers van de woningoverval een excuusbrief heeft geschreven.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10 en 27 van het Wetboek van Strafrecht

Benadeelde partij

De benadeelde partij, [slachtoffer 2], heeft zich met een vordering tot schadevergoeding van een bedrag van € 9.273,50 aan materiële schade en een bedrag van € 1.500,- aan immateriële schade gevoegd in het strafproces.

De benadeelde partij, [slachtoffer 3], heeft zich met een vordering tot schadevergoeding van een bedrag van € 237,50 aan materiële schade en een bedrag van € 1.500,- aan immateriële schade gevoegd in het strafproces.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel conform artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht indien en voorzover de vorderingen van de benadeelde partijen worden toegewezen.

Het standpunt van de verdediging

Met betrekking tot de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft de raadsvrouw de rechtbank verzocht de vordering voor wat betreft de gevorderde materiële schade, behalve de aanschaf van een nieuwe betaalpas, af te wijzen. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat deze posten onvoldoende zijn onderbouwd. Voor het overige refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank.

Met betrekking tot de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft de raadsvrouw de rechtbank verzocht de vordering voor wat betreft de gevorderde materiële schade, behalve de aanschaf van een nieuwe betaalpas, af te wijzen. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat deze posten onvoldoende zijn onderbouwd.

Met betrekking tot de vordering inzake de immateriële schade heeft de raadsvrouw opgemerkt dat benadeelde geen wapen heeft gezien en dat de kinderen niets van de overval hebben meegekregen. Voor het overige refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

Vordering [slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding van een bedrag van € 10.773,50 gevoegd in het strafproces. Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan, dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder parketnummer 07.651063-12 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden.

Naar het oordeel van de rechtbank is de door de benadeelde partij opgevoerde post betreffende de kluis onvoldoende onderbouwd.

Nu verdachte zal worden vrijgesproken van afpersing van de gouden armband ter waarde van € 4.600,- zal de rechtbank ook deze opgevoerde schadepost niet honoreren.

Derhalve is de hoogte van de door de benadeelde partij [slachtoffer 2] geleden schade genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 5.673,50, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag dat het bewezen verklaarde feit is gepleegd tot de dag van algehele voldoening. De vordering zal dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. De verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op nihil.

De benadeelde partij zal voor het meerdere niet ontvankelijk worden verklaard.

De verdachte is voor de schade, voorzover toegewezen, naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.

Als extra waarborg voor betaling aan de benadeelde partij zal de rechtbank overeenkomstig artikel 36 f van het Wetboek van Strafrecht de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom ten behoeve van de benadeelde partij.

Vordering [slachtoffer 3]

De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding van een bedrag van € 1.737,- gevoegd in het strafproces. Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan, dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder parketnummer 07.651063-12 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden.

De hoogte van de schade is genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van

€ 1.737,- vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag dat het bewezen verklaarde feit is gepleegd tot de dag van algehele voldoening. De vordering zal dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. De verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op nihil.

De verdachte is voor de schade, voorzover toegewezen, naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.

Als extra waarborg voor betaling aan de benadeelde partij zal de rechtbank overeenkomstig artikel 36 f van het Wetboek van Strafrecht de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom ten behoeve van de benadeelde partij.

BESLISSING

Het onder de parketnummers 07.650323-12 en 07.651063-12 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het onder de parketnummers 07.650323-12 en 07.651063-12 meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

42 maanden.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

Schadevergoeding

Vordering [slachtoffer 2]

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2], wonende te Zwolle, van een bedrag van € 5.673,50 (zegge: vijfduizend, zeshonderd en drieënzeventig euro en 50 eurocent) vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag dat het primair bewezenverklaarde feit is gepleegd tot de dag van algehele voldoening. Verdachte is naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover verdachte en/of een van zijn mededaders heeft/hebben voldaan aan deze verplichting dan komt de andere daarmee te vervallen.

De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog zal maken, tot op heden begroot op nihil.

De rechtbank legt de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat een bedrag van

€ 5.673,50, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 63 hechtenis.

De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte en/of zijn mededaders heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte en/of zijn mededaders heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2], daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor wat het meer gevorderde betreft in zijn vordering niet ontvankelijk is. De benadeelde partij kan zijn vordering voor dat deel bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Vordering [slachtoffer 3]

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 3], wonende te Zwolle, van een bedrag van € 1.737,- (zegge: éénduizend, zevenhonderd en zevenendertig euro) vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag dat het primair bewezenverklaarde feit is gepleegd tot de dag van algehele voldoening. Verdachte is naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover verdachte en/of een van zijn mededaders heeft/hebben voldaan aan deze verplichting dan komt de andere daarmee te vervallen.

De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog zal maken, tot op heden begroot op nihil.

De rechtbank legt de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat een bedrag van

€ 1.737,-, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 27 hechtenis.

De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte en/of zijn mededaders heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte en/of zijn mededaders heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 3], daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door mr. G.P. Nieuwenhuis, voorzitter, mrs. L.J.C. Hangx en F.E.J. Goffin, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A. van den Hoek als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 augustus 2012.

Mr. L.J.C. Hangx voornoemd was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.