Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BX3597

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
17-07-2012
Datum publicatie
06-08-2012
Zaaknummer
07.660025-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat het dichtgooien van een deur, terwijl de handen en/of vingers van een klein kind zich tussen de deur en de deurpost bevinden - zwaar lichamelijk letsel tot gevolg kan hebben en is daarmee een uitvoeringshandeling van een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Deze handeling levert naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans op dat het zeer jonge slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou oplopen, te weten door bijvoorbeeld botbreuken, zenuwbeknelling/zenuwbeschadiging en open wonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector strafrecht

Parketnummer: 07.660025-12 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 17 juli 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum],

wonende [adres].

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het onderzoek heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 3 juli 2012 te Lelystad, waarbij de verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A. Foppen, advocaat te Almere.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. C.C.M. Poland en van de standpunten door de raadsvrouw van verdachte naar voren gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 17 januari 2012 te [adres] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdr[slachtoffer 1]rsoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een (zware) deur heeft dichtgegooid/dichtgeduwd/dichtgeslagen, terwijl hij zag dat het handje en/of de vingertjes van die [slachtoffer 1] zich op dat moment tussen die deur en de deurpost bevonden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij in of omstreeks de periode van 16 tot en met 17 januari 2012 te [adres] [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend zijn vinger langs zijn keel gehaald ten overstaan van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 1] en/of opzettelijk dreigend een (zware) deur dichtgegooid/dichtgeduwd/dichtgeslagen, terwijl hij zag dat het handje en/of de vingertjes van [slachtoffer 1] zich op dat moment tussen de deur en de deurpost bevonden en/of (daarbij) - zakelijk weergegeven - dreigend gezegd dat het de bedoeling was dat het handje en/of de vingertjes van die [slachtoffer 1] tussen de deur en de deurpost zouden komen en/of dat hij hoopte dat [slachtoffer 4] snel dood zou gaan en/of in een klein wit kistje begraven zou worden;

3.

hij op of omstreeks 07 november 2011 te [adres] opzettelijk en wederrechtelijk een hek, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

Voor zover zich in de tenlastelegging eventuele kennelijke schrijffouten bevinden verbetert de rechtbank deze. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Inleiding

Feit 1 en 2.

Op 17 januari 2012 doet [slachtoffer 2] namens haar zoon [slachtoffer 1] aangifte van poging tot zware mishandeling. De verdachte zou een deur dicht hebben gegooid, waarbij aangeefster nog net kon voorkomen dat de handjes van haar zoontje tussen de deur kwamen. Een dag later is [slachtoffer 3] gehoord als getuige.

Feit 3.

Op 7 november 2011 doet [betrokkene 1] namens [slachtoffer 5] te [adres] aangifte van vernieling van een hek. Op 9 november 2011 is [getuige 1] gehoord als getuige.

Het standpunt van de officier van justitie

Feit 1 en 2.

De officier van justitie acht beide feiten wettig en overtuigend bewezen. De verklaringen van aangeefster [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zijn op essentiële delen gelijkluidend en derhalve betrouwbaar. Er is geen reden om te twijfelen aan de juistheid van voornoemde verklaringen.

Feit 3.

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, gelet op de aangifte van [betrokkene 1] en de verklaring van de [getuige 1].

Het standpunt van de verdediging

Feit 1 en 2.

De raadsvrouw heeft vrijspraak van beide ten laste gelegde feiten bepleit. De verdachte betwist de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3]. De verdachte stelt dat [slachtoffer 3] tijdens beide ten laste gelegde feiten niet aanwezig was. Een dag nadat [slachtoffer 2] een verklaring heeft afgelegd, heeft [slachtoffer 3] zijn verklaring afgelegd. Nu [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] een echtpaar zijn, hebben zij hun verklaringen op elkaar kunnen afstemmen.

Daarbij komt dat bij verdachte het opzet, ook in voorwaardelijke zin, ontbrak op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Er is geen sprake van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bij het tussen de deur krijgen van vingers.

Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] te doen horen als getuige bij de rechter-commissaris, zodat de verdediging kans krijgt hen te horen.

Feit 3.

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde, aangezien bij verdachte de opzet ontbrak. Tevens heeft de [getuige 1] niet daadwerkelijk gezien dat verdachte het hek heeft vernield, waardoor onvoldoende wettig bewijs aanwezig is.

Het oordeel van de rechtbank

Algemeen.

Aangeefster [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij op 16 januari 2012 te [adres] in haar woning aanwezig was. Haar kinderen kwamen geschrokken de woonkamer binnen rennen. Haar oudste zoon, [betrokkene 2], vertelde dat de buurman voor het raam stond en rare gebaren maakte. Aangeefster liep naar het raam en zag haar buurman, verdachte, voor het raam staan. Verdachte keek haar aan maakte met zijn wijsvinger een snijbeweging langs de voorkant van zijn keel en wees direct daarna na aangeefster. Aangeefster schrok hiervan. Voorts was haar man hierbij aanwezig. Haar zoons [betrokkene 2] en [slachtoffer 1] waren bang voor verdachte.

Aangeefster heeft voorts verklaard dat zij op 17 januari 2012 in haar woning was. Bij de achterdeur zag zij haar zoon [slachtoffer 1] met verdachte praten. [slachtoffer 1] reikte met zijn handjes naar de hond van verdachte. Toen dit gebeurde zag aangeefster dat verdachte in een keer met kracht met beide handen de deur dichtgooide. Aangeefster kon nog net [slachtoffer 1] wegtrekken, omdat anders zijn beide handjes tussen het kozijn en de deur terecht waren gekomen. Vervolgens zei verdachte dat het de bedoeling was dat de handjes van [slachtoffer 1] tussen de deur zouden komen. Tenslotte zei verdachte dat het jongste kindje van aangeefster snel in een klein wit kistje begraven moest worden.

De getuige [slachtoffer 3] heeft verklaard dat hij eveneens op 16 januari 2012 te [adres] aanwezig was. De kinderen kwamen overstuur naar zijn vrouw (aangeefster) rennen en zeiden dat de verdachte rare dingen voor het raam deed. De getuige loopt vervolgens naar de slaapkamer en ziet dat verdachte voor de slaapkamer buiten stond en een beweging met zijn hand naar de keel maakte van: “ik maak je af”. Zijn zoontje was hierbij aanwezig.

Een dag later zag de getuige zijn zoontje [slachtoffer 1] naar de achterdeur rennen en riep de naam van de hond van verdachte. De getuige liep naar de deuropening van de kamer/bijkeuken, waardoor hij zicht had op de achterdeur. Zijn vrouw stond bij zijn zoontje bij de achterdeur. De getuige zag dat [slachtoffer 1] de hand naar buiten stak in de richting van de hond van verdachte. Verdachte smeet direct met kracht met beide handen de achterdeur dicht. Zijn vrouw trok hun zoontje achteruit, waardoor de vingertjes en/of handen van hun zoontje niet tussen de dichtslaande deur en het kozijn kwamen. Vervolgens zei zijn vrouw dat verdachte moest uitkijken, omdat de handen van hun zoon er wel tussen hadden kunnen komen, waarop verdachte zei dat dit de bedoeling was. Hierna zei verdacht tevens dat hij hoopt dat de kleine dood mag gaan en dat er een mooi wit kistje komt.

De verklaring van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zijn op essentiële punten eensluidend en gedetailleerd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat zij hun verklaringen in strijd met de waarheid hebben afgelegd. De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen omtrent de betrouwbaarheid van de door hen afgelegde verklaring. De enkele constatering dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] een echtpaar zijn en [slachtoffer 3] zijn verklaring een dag na [slachtoffer 2] heeft afgelegd doet aan voorgaande constatering over hun betrouwbaarheid niet af. De rechtbank zal dan ook voorgaande verklaringen voor het bewijs bezigen.

De rechtbank wijst het (voorwaardelijk gedane) verzoek tot het horen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] af. De verdediging heeft het verzoek onvoldoende onderbouwd, waardoor niet blijkt van enige noodzaak om deze personen te doen horen door de rechter-commissaris.

Feit 1.

Gelet op het voorgaande en de verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 17 januari 2012 een deur heeft dichtgegooid, terwijl hij zag dat het handje en/of de vingertjes van die [[slachtoffer 1] zich op dat moment tussen die deur en de deurpost bevonden.

De hiervoor omschreven handeling – het dichtgooien van een deur, terwijl de handen en/of vingers van een klein kind zich tussen de deur en de deurpost bevinden – kan zwaar lichamelijk letsel tot gevolg hebben en is daarmee een uitvoeringshandeling van een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

De hiervoor omschreven handeling levert naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans op dat het zeer jonge slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou oplopen, te weten door bijvoorbeeld botbreuken, zenuwbeknellingen/zenuwbeschadigingen en open wonden.

De handelingen van verdachte moeten, gezien de uiterlijke verschijningsvorm, ook geacht worden op dat letsel gericht te zijn geweest. In ieder geval heeft verdachte, door aldus te handelen, zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel op zou lopen.

Feit 2.

Gelet op voorgaande en de verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 16 januari 2012 [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] heeft bedreigd met de dood door dreigend zijn vinger langs zijn keel te halen.

Zoals hiervoor onder feit 1 is overwogen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 17 januari 2012 een deur heeft dichtgegooid, terwijl hij zag dat het handje en/of de vingertjes van die [slachtoffer 1] zich op dat moment tussen die deur en de deurpost bevonden. Voorts acht de rechtbank – gelet op de verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] – tevens wettig en overtuigend bewezen dat verdachte daarbij dreigend heeft gezegd dat het de bedoeling was dat het handje en/of de vingertjes van die [slachtoffer 1] tussen de deur en de deurpost zouden komen.

De rechtbank overweegt dat voornoemde handeling met de gebezigde woorden, naar het oordeel van de rechtbank naar hun uiterlijke verschijningsvorm tevens kunnen worden aangemerkt als zo zeer gericht op het verwezenlijken van de bedreiging, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Verdachte heeft met zijn gedrag willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat zijn gedraging bij [slachtoffer 1] de vrees zou opwekken dat hem met fysiek letsel zou worden aangedaan, zodat bij verdachte sprake was van (voorwaardelijk) opzet op de bedreiging.

Gelet op de verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 17 januari 2012 heeft gezegd dat hij hoopte dat [slachtoffer 4] snel dood zou gaan en in een klein wit kistje begraven zou worden. Deze bewoordingen leveren op zichzelf beschouwd niet zonder meer een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht op. Gelet op de omstandigheden, te weten de eerdere bedreiging van 16 januari 2012 en vooral de bedreiging en poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 1] die direct aan de bewoordingen zijn voorafgegaan, is de rechtbank van oordeel dat er redelijke vrees kon ontstaan dat de verdachte de dood van [slachtoffer 4] zou veroorzaken.

Feit 3.

[betrokkene 1] heeft namens [slachtoffer 5] te [adres] aangifte gedaan van vernieling van het hek van de kerk. Aangever heeft de vernieling zelf niet waargenomen.

De [getuige 1], echtgenoot van [betrokkene 1], heeft verklaard dat zij de verdachte zag op 7 november 2011. De verdachte reikte met iets in zijn hand naar de heg en de staaldraden. De getuige kon niet goed zien wat de verdachte in zijn hand had en wat hij precies deed. Omdat de draden de laatste tijd ook al waren doorgeknipt dacht de getuige meteen dat verdachte degene was die de dragen mogelijk doorknipte. Aan de bewegingen van de verdachte leek het de getuige dat de verdachte het ijzerdraad aan het doorknippen was en dat het doorknippen niet zo makkelijk ging.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de zojuist aangehaalde verklaring van de getuige, de getuige niet daadwerkelijk heeft gezien dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de vernieling van het hek. Daarbij komt dat de getuige van aangever heeft gehoord dat het ijzerdraad van het hek was doorgeknipt, waardoor de draad los en half over de stoep lag. De aangever heeft dit echter niet verklaard in zijn aangifte.

De rechtbank acht derhalve onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier aanwezig om te kunnen komen tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde. De rechtbank zal verdachte dan ook van het ten laste gelegde vrijspreken.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

hij op 17 januari 2012 te [adres] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een deur heeft dichtgegooid, terwijl hij zag dat het handje en/of de vingertjes van die [[slachtoffer 1] zich op dat moment tussen die deur en de deurpost bevonden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is

voltooid.

2.

hij in de periode van 16 tot en met 17 januari 2012 te [adres] [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] en [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend zijn vinger langs zijn keel gehaald ten overstaan van die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] en opzettelijk dreigend een deur dichtgegooid, terwijl hij zag dat het handje en/of de vingertjes van [slachtoffer 1] zich op dat moment tussen de deur en de deurpost bevonden en - zakelijk weergegeven - dreigend gezegd dat het de bedoeling was dat het handje en/of de vingertjes van die [slachtoffer 1] tussen de deur en de deurpost zouden komen en dat hij hoopte dat [slachtoffer 4] snel dood zou gaan en in een klein wit kistje begraven zou worden.

Van het onder 1 en 2 meer of anders ten laste gelegde zal verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6 KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

Feit 1.

Poging tot zware mishandeling.

Feit 2.

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en bedreiging met zware mishandeling, meermalen gepleegd.

7 STRAFBAARHEID

De feiten en verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

8 STRAFOPLEGGING

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit bij een eventueel op te leggen straf rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en met het feit dat hij zich gedurende de schorsing heeft gehouden aan de gestelde voorwaarden.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

De verdachte heeft getracht [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Dat er geen letsel is veroorzaakt, is een omstandigheid die niet aan de verdachte te danken is. De moeder van [slachtoffer 1] wist immers te verhinderen dat [slachtoffer 1] zijn handen tussen de deur kreeg. Daarbij komt dat verdachte [slachtoffer 2], [slachtoffer 3], [slachtoffer 1] en [slachtoffer 4] heeft bedreigd.

Dit handelen van verdachte vormt een ernstige inbreuk op de lichamelijke en psychische integriteit van de slachtoffers. Dergelijke feiten hebben in het algemeen een grote impact op (het leven van) slachtoffers, onder meer in de vorm van gevoelens van angst en onveiligheid. In huis behoort men zich veilig te kunnen voelen. Daarbij neemt de rechtbank het verdachte zeer kwalijk dat hij zich heeft gericht op jonge kinderen.

Verdachte heeft zich eerder aan geweldsmisdrijven schuldig gemaakt (blijkens een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 5 juni 2012), waarbij verdachte onder meer een voorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd. Kennelijk heeft deze veroordeling verdachte er niet van weerhouden zich wederom schuldig te maken aan een geweldsdelict.

De rechtbank houdt, als aanknopingspunt voor de op te leggen straf voor dit feit, rekening met de richtlijnen van het Landelijk Overleg van Voorzitters Strafsectoren (verder te noemen: LOVS). Het LOVS heeft als oriëntatiepunt voor straftoemeting ten aanzien van een strafzaak zoals thans aan de orde 3 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf vastgesteld. Daarbij gaat het om zware mishandeling. De rechtbank houdt rekening met het gegeven dat thans een poging tot zware mishandeling bewezen is verklaard, waardoor volgens de rechtbank een strafkorting van een derde geïndiceerd is.

Daarnaast heeft verdachte gedurende twee dagen tegenover vier personen, waarvan twee kinderen, bedreigingen geuit. Ten nadele van verdachte houdt de rechtbank rekening met het gegeven dat beide strafbare feiten gedurende een korte periode hebben plaatsgevonden en de slachtoffers kleine kinderen betreffen.

Uit het de verdachte betreffend reclasseringsadvies d.d. 12 maart 2012, opgesteld door M. Vogelpoel, reclasseringwerker van Reclassering Nederland blijkt het volgende. Het recidiverisico wordt geschat op gemiddeld en er zijn enkele criminogene factoren, te weten het ontbreken van een baan, eerdere justitie contacten, mogelijke agressieregulatie- problematiek geconstateerd. Desondanks acht de reclassering toezicht niet geïndiceerd, omdat onvoldoende informatie aanwezig is om te komen tot een invulling van een plan van aanpak.

Voorts stelt de rechtbank vast dat de verdachte niet heeft meegewerkt aan het opstellen van een psychologisch onderzoek, blijkens het psychologisch Pro Justitia rapport d.d. 28 april 2012, opgesteld door F. van Nunen, klinisch psycholoog en gerechtelijk deskundige.

De rechtbank acht gelet op voornoemde rapporten geen reden om een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen. Ook ziet de rechtbank geen redenen om in positieve zin af te wijken van de richtlijnen van de LOVS.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, gelet ook op het strafrechtelijk verleden van de verdachte, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig.

Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 15 weken passend en geboden is.

9 VOORLOPIGE HECHTENIS

De rechtbank is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de op te leggen straf, ambtshalve van oordeel dat de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis geïndiceerd is.

10 TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 45, 57, 285 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart niet bewezen hetgeen onder 3 aan verdachte is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart de bewezen verklaarde feiten strafbaar;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 weken;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- heft op de schorsing van de voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.H.J. Harmeijer, voorzitter, mr. A.C. Schroten en mr. B. Fijnheer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.G. Dees, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 juli 2012.