Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BX2876

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
28-03-2012
Datum publicatie
03-10-2012
Zaaknummer
184240 HZ ZA 11-464
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad. Vervuiling met vliegas door ondeugdelijke machine.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2013/31

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

Locatie Zwolle

zaaknummer / rolnummer: 184240 / HZ ZA 11-464

Vonnis van 28 maart 2012

in de zaak van

de onderlinge waarborgmaatschappij met uitgesloten aansprakelijkheid

EFM ONDERLINGE SCHEPENVERZEKERING U.A.,

gevestigd te [woonnplaats],

eiseres,

advocaat mr. P.E. van Dam,

tegen

de naamloze vennootschap

ELECTRABEL NEDERLAND N.V.,

gevestigd te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. A.J.J.G. Schijns.

Partijen zullen hierna EFM en Electrabel genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten

2.1

EFM is de cascoverzekeraar van het aan de vennootschap onder firma [A] en haar vennoten (hierna tezamen [A] te noemen) in eigendom toebehorende vrachtschip "[vrachtschip]" (hierna: "de [vrachtschip]" te noemen).

2.2

Op 12 augustus 2008 is de [vrachtschip] bij de door Electrabel geëxploiteerde elektriciteitscentrale Centrale Gelderland te Nijmegen beladen met het bij de verbranding van kolen vrijkomende poederkoolvliegas (hetgeen hierna met "de belading" zal worden aangeduid). Daarbij is gebruik gemaakt van een laadinstallatie, die werd bediend door een bij Electrabel in dienst zijnde belader. De laadinstallatie bestaat uit een cabine en een laadslang. Aan het einde van die laadslang zit de automatische afslag (met sensor of "wieltje"). Deze automatische afslag slaat aan wanneer de lading in de laadtank van het vrachtschip in hoogte de sensor nadert. Bezien vanaf de [vrachtschip] bevond de cabine -waarin de voormelde belader zat- zich op ongeveer acht meter hoogte, terwijl de laadslang, gezien vanaf de laadopening van de zich in de [vrachtschip] bevindende laadtank, rechtstandig omhoog ging en ongeveer ter hoogte van de cabine horizontaal in de laadinstallatie verder liep.

2.3

Bij de belading is gebruik gemaakt van een in de voormelde laadopening geplaatst opzetstuk. De (van boven af komende) laadslang was door de belader in dat opzetstuk gemanoeuvreerd.

2.4

Tijdens de belading -waarbij de automatische afslag niet heeft gefunctioneerd- is een manchet van de laadslang gescheurd. Daardoor is de [vrachtschip] met poederkoolvliegas (hierna: het vliegas) vervuild. In een door Electrabel opgesteld rapport van 12 augustus 2008 wordt hierover het volgende vermeld:

"......

Vanochtend is bij belading van de ms. [vrachtschip] een storing opgetreden met als gevolg een grote stofoverlast op het schip.

Het volgende is gebeurt, nadat de belading gestart was heeft bij het vollopen van de 1e tank de automatische afslag in de slurf niet gewerkt waardoor de installatie niet automatisch is afgeslagen. Nadat de bedieningsman enige stofontwikkeling op het dek zag heeft hij de installatie handmatig gestopt.

De naloop van vliegas in het systeem zorgde ervoor dat de slurf geheel gevuld werd waarna deze spontaan op een manchetaansluiting openscheurde en er een grote hoeveelheid vliegas op het schip verspreide.

Door de grote stofontwikkeling is stuurhut en woning volledig vervuild door vliegas."

2.5

Om de vervuiling met het vliegas ongedaan te maken dienden er reinigings- en reparatiewerkzaamheden te worden uitgevoerd. De kosten hiervan zijn tot een bedrag van EUR 13.174,81 door EFM aan [A] vergoed.

2.6

Electrabel weigert het laatst gemelde bedrag en de tevens door EFM gemaakte expertisekosten ten belope van een bedrag van EUR 1.770,05 aan EFM als gesubrogeerd verzekeraar in de verhaalsrechten van [A] te vergoeden.

Het geschil

EFM heeft gevorderd, samengevat, dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Electrabel zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van a) EUR 18.607,86, te vermeerderen met rente, alsmede b) een bedrag van EUR 904, te vermeerderen met rente, alsmede c) de proceskosten en nakosten.

3.2

Aan haar vordering heeft EFM ten grondslag gelegd dat bij de belading door Electrabel gebruik is gemaakt van een gebrekkige laadinstallatie. Dit gebrek heeft er op de eerste plaats in bestaan dat bij het vollopen van de laadtank de automatische afslag -die ook met opzetstuk behoort te functioneren in die zin dat deze aanslaat wanneer de laadtank tot op een hoogte van ongeveer 20 centimeter tot de bovenzijde daarvan met vliegas gevuld is en waarbij dan nog voldoende overloopruimte is voor het nalopende vliegas- niet deugdelijk heeft gefunctioneerd ten gevolge waarvan de toevoer van de lading niet werd gestaakt, hetgeen tot het vrijkomen van het vliegas en de bevuiling van De [vrachtschip] heeft geleid. Op de tweede plaats heeft dit gebrek erin bestaan dat ook nadat de belader de beladingsinstallatie handmatig had stop gezet, de toevoer van vliegas niet meteen werd gestaakt, maar sprake was van naloop, hetgeen tot gevolg had dat de laadslang zich bleef vullen met vliegas met alle gevolgen van dien. Het gebrek heeft er in de derde plaats uit bestaan dat een manchet is gescheurd. Door het gebruik van de gebrekkige laadinstallatie is Electrabel voor de ten gevolge daarvan door [A] geleden schade jegens zowel [A] als jegens EFM aansprakelijk uit hoofde van artikel 6:162 BW. Tevens is Electrabel daarvoor aansprakelijk jegens [A] uit hoofde van de artikelen 6:173 en 6:174 BW. Volgens EFM dienen niet slechts de reinigings- en reparatiekosten alsmede de expertisekosten vergoed te worden, maar ook het uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst voor rekening van [A] komende eigen risico van EUR 750,00 en de door hen geleden bedrijfsschade van EUR 2.913,00, aldus EFM; die tevens heeft gesteld dat voor zover het gaat om de niet door haar vergoede schade, zij vorderingsgerechtigd is uit hoofde van een aan haar door [A] gegeven volmacht.

3.3

Electrabel heeft als verweer aangevoerd dat van een gebrekkige laadinstallatie geen sprake is geweest. Het is juist dat de automatische afslag niet heeft gefunctioneerd, maar dat was niet vanwege een defect van die afslag. Dat kwam omdat gebruik werd gemaakt van een opzetstuk. Door het gebruik hiervan komt de automatische afslag namelijk zoveel hoger te hangen dat deze pas aanslaat op een moment dat er in de laadtank geen voldoende overloopruimte meer is om het nalopende vliegas op te vangen. Daarom was tussen de belader en de kapitein van de [vrachtschip] afgesproken -zoals gebruikelijk is wanneer een opzetstuk wordt gebruikt- dat de kapitein een seintje zou geven zodra de laadtank tot aan de gebruikelijke overloopruimte gevuld was. De belader zou daarna de laadinstallatie uitschakelen. De kapitein heeft echter nagelaten dit sein te geven. Pas toen de laadtank tot aan de nok gevuld was, werd dit bemerkt door de belader en heeft deze de noodknop ingedrukt. Daardoor stopte weliswaar de toevoer, maar bleef de laadslang vollopen met het zich in het verticale deel van de laadslang bevindende vliegas. Door de druk van dit nalopende vliegas -dat geen kant op kon, omdat de laadtank al vol zat- is de manchet opengescheurd. Volgens Electrabel is zij dan ook niet aansprakelijk op grond van de artikelen 6:162, 6:173 en 6:174 BW. Bovendien, als er al sprake is van een gebrek, dan is dit zo kort voor of tegelijkertijd met het intreden van de schade ontstaan, dat het tijdsverloop haar geen ruimte meer bood om voorzorgsmaatregelen te nemen. De "tenzij-clausule" van de artikelen 6:173 en 6:174 BW dan wel overmacht staat volgens Electrabel derhalve aan haar aansprakelijkheid in de weg. Bovendien is er sprake van eigen schuld van [A]; mede ook nu de schade is veroorzaakt doordat vliegas door het openstaande badkamerraam en de naden en kieren van het stuurhuis en de woning op de [vrachtschip] is binnengedrongen. Daarbij komt nog dat van inbreuk op een recht dan wel onzorgvuldig handelen geen sprake is geweest, aldus Electrabel, die tenslotte nog het bestaan van de gestelde bedrijfsschade heeft betwist.

De beoordeling

4.1

De rechtbank stelt voorop dat het verweer van Electrabel dat met betrekking tot de niet door EFM vergoede schade uit niets blijkt dat [A] hun vordering hebben overgedragen aan EFM haar niet kan baten. EFM heeft immers niet gesteld dat [A] hun vordering hebben overgedragen aan EFM. Volgens haar is zij gevolmachtigd door [A] om op eigen naam de vordering van [A] te incasseren. Dat zij daartoe is gemachtigd blijkt voorts afdoende uit de door EFM als productie 27 overgelegde kopie van de betreffende akte van last en volmacht. Dat de kopie die Electrabel heeft ontvangen, naar Electrabel heeft gesteld, onvolledig en ongedateerd is, maakt dit niet anders. De aan de rechtbank overgelegde kopie is in elk geval wél gedateerd en volledig.

4.2

Wat betreft de beweerde aansprakelijkheid van Electrabel op grond van artikel 6:162 BW wordt het volgende overwogen.

Dat bij de belading een inbreuk is gemaakt op het eigendomsrecht van [A] als de eigenaren van de [vrachtschip] is genoegzaam komen vast te staan. Door de vervuiling met het vliegas hebben [A] niet het genot gehad dat hen als eigenaren van dit schip toekwam. Er dienden reinigings- en de electronica reconditionerende werkzaamheden te worden uitgevoerd alvorens de [vrachtschip] weer door hen kon worden gebruikt.

Is sprake geweest van een inbreuk op het eigendomrecht, daarnaast is genoegzaam komen vast te staan dat Electrabel jegens [A] tevens heeft gehandeld in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Vaststaat dat na het drukken op de noodknop door de belader er naloop van het zich in de laadslang bevindende vliegas heeft plaatsgevonden en dat die enkele naloop heeft geleid tot het openscheuren van de manchet met de vervuiling van de [vrachtschip] tot gevolg. Voorts heeft Electrabel gesteld dat bij het gebruik van een opzetstuk de automatische afslag niet functioneert -in die zin dat deze pas aanslaat op een moment dat er geen voldoende overloopruimte in de laadtank meer is om het nalopende vliegas op te vangen- en dat haar belader daarom voor de bepaling van het moment waarop de belading gestaakt dient te worden, af moet gaan op een door de kapitein van het vrachtschip te geven sein. Voorts staat vast dat er laadinstallaties bestaan met een zodanig werkende noodknop dat bij het gebruik daarvan geen enkele naloop meer plaatsvindt, terwijl is gesteld noch gebleken dat de onderhavige laadinstallatie daarmee niet toegerust had kunnen worden. Onder deze omstandigheden, en nu Electrabel wist dat wanneer het sein niet gegeven zou worden en zij in verband hiermee mogelijk gebruik zou moeten maken van de noodknop, de manchet niet bestand zou zijn tegen de druk van de ophoping van het nalopende vliegas en dat deze dan ook zou openscheuren met alle mogelijke schadelijke gevolgen van dien, is de rechtbank van oordeel dat Electrabel tevens onzorgvuldig heeft gehandeld jegens [A]. Als grote professionele belader zou van haar verwacht hebben mogen worden, hetgeen zij heeft nagelaten, dat zij voor een situatie zoals de onderhavige, waarin de automatische afslag volgens Electrabel niet functioneert, ter voorkoming van schade in haar laadinstallatie zodanig werkende veiligheidsvoorzieningen zou hebben ingebouwd, dat geen naloop van vliegas plaatsvindt wanneer op de noodknop moet worden gedrukt. Dit zou met name ook van haar verwacht hebben mogen worden nu uit hetgeen vermeld wordt in het door Electrabel overgelegde veiligheidsblad van Vliegasunie B.V. onder de punten 4. (Eerstehulpmaatregelen), 6 (Maatregelen bij het accidenteel vrijkomen van stof) 7. (Hantering en opslag) en 8. (Maatregelen ter bescherming van blootstelling/persoonlijke beschermingsmiddelen, in het bijzonder hetgeen vermeld wordt onder 8.2), kan worden opgemaakt dat blootstelling aan vliegas schadelijk kan zijn voor de gezondheid en dat (lichamelijk) contact daarmee zoveel mogelijk vermeden moet worden. Dat vliegas blijkens ditzelfde rapport niet te kwalificeren is als een gevaarlijke stof conform de relevante Europese regelgeving doet hier niets aan af. Evenmin de blote, verder niet toegelichte stelling van Electrabel dat hetgeen vermeld wordt onder de voormelde punten in het veiligheidsblad, voor elke stof geldt.

Kortom, nu sprake is geweest van een inbreuk op het eigendomrecht van [A] en tevens gezegd kan worden dat Electrabel onzorgvuldig heeft gehandeld jegens hen door onvoldoende veiligheidsmaatregelen te treffen ter voorkoming van de onderhavige schade, is sprake van een aan haar toe te rekenen onrechtmatige daad.

4.3

Nu [A] door het voormelde toerekenbaar onrechtmatige handelen van Electrabel schade hebben geleden en de gestelde schade als een gevolg daarvan aan Electrabel kan worden toegerekend, is Electrabel in beginsel gehouden tot de vergoeding daarvan.

4.4

Het beroep van Electrabel op overmacht gaat, mede gelet op hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 4.2 is overwogen, niet op. Electrabel had tijdig maatregelen kunnen en moeten nemen ter voorkoming van de onderhavige schade.

4.5

Wat betreft het beroep op eigen schuld heeft Electrabel onder meer gesteld dat de kapitein van de [vrachtschip] heeft nagelaten een seintje te geven aan de belader, genaamd [belader], en dat daardoor de schade is ontstaan. In het licht van het daartegen door EFM gevoerde verweer, er op neerkomende dat er geen afspraak is gemaakt tussen [belader] en [schipper], de schipper van De [vrachtschip], en dat de schade het gevolg is geweest van een defect of storing van de automatische afslag, is dit beroep op eigen schuld echter onvoldoende onderbouwd. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Ten eerste zijn er geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de beweerde afspraak tot het geven van een seintje is gemaakt. Dat zou verwacht hebben mogen worden, met name nu ervan uitgegaan wordt dat Electrabel onderzoek heeft gedaan naar het ontstaan van de schade. In dit verband wordt opgemerkt dat Electrabel in het geheel niet ingegaan is op de stellingen van EFM dat Electrabel, gelet op de in het rapport van 12 augustus 2008 genoemde oorzaak, onderzoek zal hebben gedaan naar de precieze toedracht van het ontstaan van de schade, dat Electrabel gerapporteerd zal hebben en dat Electrabel dit rapport in het geding dient te brengen. Electrabel heeft zelfs niet eens een schriftelijke verklaring van [belader] overgelegd. Dit zou toch voor de hand gelegen hebben. Voorts zijn ook in het rapport van Electrabel van 12 augustus 2008 geen aanknopingspunten te vinden voor de beweerde afspraak. Integendeel, hieruit valt veeleer op te maken dat inderdaad sprake is geweest van een defect van de automatische afslag. Er wordt immers gerept van "een storing". Ook de omschrijving van het plaatsgevonden hebbende incident in het overgelegde "Overheidsmilieujaarverslag van de Centrale Gelderland 2008" duidt erop dat er sprake is geweest van een storing of defect van de automatische afslag en dat dit tot de schade heeft geleid en niet het nalaten van het geven van een seintje. In deze omschrijving (op bladzijde 96) wordt niets vermeld over de beweerde afspraak, terwijl uit de tweede zin in die omschrijving ("Tijdens de belading van het schip heeft de volloopbeveiliging gefaald, als gevolg daarvan is de vliegasaanvoer doorgegaan terwijl het schip al vol was") veeleer is op te maken dat een defect van de automatische afslag de oorzaak is geweest van het ontstaan van de schade. De term "gefaald" suggereert dat de automatische afslag tijdig had behoren aan te slaan.

Tenslotte is Electrabel in het geheel niet ingegaan op de stelling van EFM dat Electrabel zich pas in de onderhavige procedure op het standpunt is gaan stellen dat de schade is ontstaan ten gevolge van het feit dat de kapitein van De [vrachtschip] het afgesproken seintje niet had gegeven. Van de juistheid van deze stelling wordt dan ook uitgegaan; mede nu van dit standpunt inderdaad niet blijkt uit de door EFM overgelegde correspondentie, die gevoerd is namens Electrabel tussen 15 augustus 2008 en 18 maart 2011 -de datum waarop de onderhavige procedure werd gestart- over de onderhavige kwestie. Met name gelet op dit langdurige tijdsverloop en de omvang van die correspondentie zou toch verwacht hebben mogen worden dat Electrabel in elk geval een verklaring zou hebben gegeven waarom zij eerst in de onderhavige procedure het bedoelde standpunt is gaan innemen.

Het vorenstaande in aanmerking nemende, wordt bij gebreke van een voldoende onderbouwing voorbij gegaan aan de stelling van Electrabel dat de schade is ontstaan, omdat de kapitein van de [vrachtschip] het afgesproken seintje niet heeft gegeven. De door Electrabel gestelde omstandigheid dat de automatische afslag na het incident niet is

gerepareerd en dat daaruit dus blijkt dat deze niet defect was, doet daar onvoldoende aan af; mede ook nu, zoals gezegd, geen onderzoeksrapport is overgelegd. Ook de door Electrabel geponeerde stelling dat de automatische afslag kort vóór de belading nog functioneerde, geeft geen aanleiding tot een ander oordeel. Nog daargelaten dat zij die stelling pas voor het eerst geponeerd heeft bij conclusie van dupliek -en EFM zich daarover dus niet meer heeft kunnen uitlaten-, zij heeft die stelling niet met stukken of rapportages en daarom onvoldoende onderbouwd.

Electrabel heeft ter onderbouwing van haar beroep op eigen schuld tenslotte nog gesteld dat de schade deels is veroorzaakt doordat vliegas door het openstaande raam van de badkamer alsmede door de naden en kieren van het stuurhuis en de woning op de [vrachtschip] is binnengedrongen. Volgens Electrabel dient de betreffende schade voor eigen rekening en risico van [A] te blijven.

Dat het raam van de badkamer heeft opengestaan, is betwist door EFM. Volgens haar is dit raam bij het zien naderen van de stofwolk gesloten. Wat hier verder ook van zij, er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken waaruit volgt dat de hierdoor ontstane schade aan [A] kan worden toegerekend. Dat [A] verplicht waren de ramen en deuren tijdens de belading dicht te doen hebben zij betwist -volgens hen bestaat er althans geen daartoe strekkend voorschrift-, terwijl dit ook op geen enkele wijze aannemelijk is gemaakt. Dat het sluiten van de deuren en ramen volgens Electrabel een standaard werkwijze betreft, maakt dit niet anders.

Ook voor wat betreft de schade die ontstaan is doordat het vliegas door de naden en kieren van de [vrachtschip] is binnengedrongen, wordt geoordeeld dat dit geen schade betreft waarvan het ontstaan kan worden toegerekend aan [A]; in het bijzonder niet nu onbetwist is gesteld dat het vliegas zeer fijn is en dat een schip altijd naden en kieren heeft.

4.6

Nu het beroep op eigen schuld geen stand houdt, dient Electrabel de schade die het gevolg is geweest van de door haar gepleegde toerekenbare onrechtmatige daad volledig te vergoeden. Wat betreft de omvang van die schade wordt het volgende overwogen.

4.7

Vooropgesteld wordt dat Electrabel bij conclusie van antwoord verweren heeft gevoerd tegen de gevorderde vergoedingen voor de gemaakte reinigings- en reparatiekosten, voor de expertisekosten, en voor het voor rekening van [A] komende eigen risico, maar dat Electrabel na de gemotiveerde weerlegging van die verweren bij conclusie van repliek, daarop bij conclusie van dupliek in het geheel niet meer is teruggekomen. Bij gebrek van een voldoende onderbouwing van die verweren, zal daaraan dan ook voorbij worden gegaan. Dit brengt met zich dat de vordering van EFM, voor zover die ziet op de vergoedingen voor de voormelde kosten en het eigen risico, in elk geval toewijsbaar is.

4.8

Voor wat betreft de gevorderde vergoeding voor de gestelde bedrijfsschade is in het licht van het daartegen door Electrabel gevoerde verweer onvoldoende onderbouwd dat deze schade daadwerkelijk is geleden. Ter adstructie van dit onderdeel van haar vordering heeft EFM niet meer overgelegd dan een brief van [A] van 20 november 2008. Daarin wordt weliswaar weergegeven dat de gemiste inkomsten twee vaardagen bedroegen en dat dit, gelet op de door [A] gerealiseerde inkomsten in de maanden voor en na het beladingsincident, neerkomt op een bedrag van EUR 2.913,00, maar waar het om gaat is of [A] daadwerkelijk vaaropdrachten hadden of hadden kunnen hebben gedurende die twee beweerdelijk verloren vaardagen en dat [A] door het beladingsincident de inkomsten daaruit zijn misgelopen. Dat is niet gesteld. Stukken waaruit dit blijkt, bijvoorbeeld relevante delen uit de orderportefeuille, zijn evenmin overgelegd. Voor zover de vordering ziet op een vergoeding voor de beweerde bedrijfsschade zal deze derhalve worden afgewezen.

4.9

Gelet op het vorenstaande zal de door EFM gevorderde hoofdsom worden toegewezen tot een bedrag van EUR 15.694,86.

4.10

De betwiste vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten komt voor toewijzing in aanmerking. Het hiertegen gevoerde verweer dat deze kosten een "eigen" vordering van EFM betreffen en geen afgeleide vordering vanwege subrogatie en dat er dan ook geen rechtsgrond is op basis waarvan Electrabel gehouden is tot betaling van die kosten aan EFM, gaat niet op. Volgens vaste rechtspraak (vgl. Hoge Raad 26 september 2003, NJ 2003,645) komen in een geval waarin een verzekeraar verhaal zoekt op een derde, niet slechts de door de benadeelde gemaakte buitengerechtelijke incassokosten als vermogensschade voor vergoeding in aanmerking, maar tevens de door de verzekeraar zelf gemaakte buitengerechtelijke incassokosten, indien die kosten onder artikel 6:96 lid 2 onder c. BW zouden vallen, indien zij door de benadeelde zouden zijn gemaakt. Dat dit laatste niet het geval zou zijn geweest, is gesteld noch gebleken.

Tenslotte houdt ook het door Electrabel nog gevoerde verweer dat er geen andere werkzaamheden zijn verricht dan werkzaamheden waarvoor in de proceskosten als bedoeld in de artikelen 237 tot en met 240 Rv. al een vergoeding is verdisconteerd, geen stand. Gezien de door EFM overgelegde, tussen partijen respectievelijk hun gemachtigden gewisselde correspondentie in de periode tussen januari 2009 tot en met februari 2011 -en waaruit blijkt, kort gezegd, dat in het traject voorafgaande aan de procedure ter buitengerechtelijke incasso (veel) meer is verricht dan het enkel versturen van sommatiebrieven, het enkel doen van een niet aanvaard schikkingsvoorstel of het op gebruikelijke wijze samenstellen van een dossier- is voldoende komen vast te staan dat EFM ter buitengerechtelijke incasso van haar vordering meer werkzaamheden heeft verricht dan die waarvoor de proceskosten al een vergoeding plegen in te sluiten.

De gevoerde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten zal dus worden toegewezen; dit tot het gevorderde beloop van EUR 904,00.

4.11

De door EFM gevorderde -en betwiste- wettelijke rente over de hoofdsom zal als volgt worden toegewezen.

Ten aanzien van de niet door EFM vergoede schade van [A] (het eigen risico van EUR 750,00) heeft, gelet op het bepaalde in artikel 6:83 aanhef en onder b. BW, te gelden dat hierover de wettelijke rente verschuldigd is vanaf 12 augustus 2008.

Ten aanzien van de door EFM vergoede schade is het uitgangspunt dat, nu EFM gesubrogeerd is in de verhaalsrechten van [A], die voortvloeien uit onrechtmatige daad en het verzuim van Electrabel op grond van artikel 6:83 aanhef en onder b. BW is ingetreden zonder ingebrekestelling, de aan EFM hierover verschuldigde wettelijke rente loopt vanaf het tijdstip dat EFM in de rechten van [A] is gesubrogeerd en dat voor die verschuldigdheid geen ingebrekestelling nodig is (vgl. HR 20-10-2006, LJN AX6737). Voorts heeft te gelden dat EFM gesubrogeerd is in de verhaalrechten van [A] met ingang van de datum waarop de schade is vergoed.

Door EFM zijn als productie 30 betalingsbewijzen overgelegd. Daaruit blijkt dat EFM op 21 november 2008 een bedrag van EUR 7.963,48 aan het reinigingsbedrijf heeft betaald en op 19 december 2008 een bedrag van EUR 5.211,33 aan [A]. Dit brengt dus met zich dat over deze respectieve bedragen de wettelijke rente verschuldigd is vanaf 21 november 2008 respectievelijk 19 december 2008.

Wat betreft de verschuldigde wettelijke rente over het restant toe te wijzen schadebedrag van EUR 1.770,05, bestaande uit de gemaakte expertisekosten, is gesteld noch gebleken wanneer dit bedrag is betaald door EFM. Daarom zal over dit bedrag de wettelijke rente worden toegewezen vanaf 22 december 2009, de datum waarop Electrabel ingevolge de ingebrekestelling van EFM van 25 november 2009 in verzuim kwam te verkeren.

4.12

De gevorderde wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal -nu de verschuldigdheid daarvan op zichzelf niet is betwist en partijen het over de ingangsdatum van die rente eens zijn, te weten de datum van dagvaarding- worden toegewezen vanaf 18 maart 2011.

4.13

Electrabel zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden verwezen. Deze kosten worden aan de zijde van EFM begroot op EUR 1.181,00 voor vastrecht, EUR 76,31 voor explootkosten en EUR 1.158,00 voor het geliquideerde salaris van de advocaat (2 punten, EUR 579,00 per punt, tariefgroep III) oftewel op een bedrag van in totaal EUR 2.415,31.

De over de proceskosten gevorderde, verder niet betwiste wettelijke rente zal eveneens worden toegewezen.

4.14

Tenslotte zal ook de gevorderde vergoeding voor nakosten -waartegen geen afzonderlijk verweer is gevoerd- worden toegewezen

De beslissing

De rechtbank

veroordeelt Electrabel om aan EFM te betalen een bedrag van EUR 16.598,86;

5.2

veroordeelt Electrabel om aan EFM te betalen de wettelijke rente over:

- een bedrag van EUR 750,00 vanaf 12 augustus 2008 tot aan de dag van volledige betaling;

- een bedrag van EUR 7.963,48 vanaf 21 november 2008 tot aan de dag van volledige betaling;

- een bedrag van EUR 5.211,33 vanaf 19 december 2008 tot aan de dag van volledige betaling;

- een bedrag van EUR 1.770,05 vanaf 22 december 2009 tot aan de dag van volledige betaling;

- een bedrag van EUR 904,00 vanaf 18 maart 2011 tot aan de dag van volledige betaling;

5.3

veroordeelt Electrabel in de proceskosten, aan de zijde van EFM tot op heden begroot op EUR 2.415,31, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling, alsmede vermeerderd met een bedrag van EUR 131,00 voor nakosten zonder betekening van dit vonnis, dan wel EUR 199,00, ingeval van betekening van dit vonnis;

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.5

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C.M. Manders, en in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2012.