Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BX2464

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
15-06-2012
Datum publicatie
03-09-2012
Zaaknummer
197307 - KZ ZA 12-73
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Geschil naar aanleiding van koopovereenkomst met betrekking tot bedrijfsactiviteiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

Locatie Zwolle

zaaknummer / rolnummer: 197307 / KZ ZA 12-73

Vonnis in kort geding van 15 juni 2012

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

B.O.T. PROJEKT B.V.,

gevestigd te Deventer,

eiseres,

advocaat mr. E. Nijdam te Zwolle,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde],

gevestigd en kantoorhoudende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. R. Klein te Zwolle.

Partijen zullen hierna B.O.T. en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties 1 tot en met 5

- de producties 1 tot en met 5 van [gedaagde]

- de productie 6 van [gedaagde]

- de producties 6 tot en met 18 van B.O.T.

- de productie 7 van [gedaagde]

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van B.O.T.

- de pleitnota van [gedaagde]

- de aanhouding ten behoeve van minnelijk overleg tussen partijen

- de brief van B.O.T. van 7 juni 2012

- de brief van [gedaagde] van 8 juni 2012.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [gedaagde] is een onderneming die zich bezighoudt met het inrichten van werkplaatsen in de automotive industrie.

2.2. Op 30 juni 2010 heeft B.O.T. een deel van de bedrijfsactiviteiten van [gedaagde] overgenomen. Het betreft activiteiten op het gebied van olie, vet, brandstof, lucht en afzuiging (verder: ovb-activiteiten). Daarnaast zijn partijen een (onder)huurovereenkomst voor de duur van vier jaren aangegaan op basis waarvan B.O.T. een gedeelte van de kantoorruimte en het magazijn van [gedaagde] huurt.

2.3. In de tussen partijen gesloten koopovereenkomst is - voor zover thans van belang - het volgende vastgelegd:

1.2 De Activa bestaan uit alle roerende zaken en alle rechten van Verkoper met betrekking tot de Onderneming per de datum van ondertekening van deze Overeenkomst, inclusief doch niet beperkt tot:

a. de materiële vaste activa, zoals beschreven in Bijlage 2 (de "Materiële Vaste Activa);

b. de contracten, zoals omschreven in Bijlage 3 (de "Contracten");

c. de arbeidsovereenkomsten, zoals beschreven in Bijlage 4 (de "Arbeidsovereenkomsten");

d. de gehele voorraad onderdelen en toebehoren van Verkoper zoals beschreven in Bijlage 5 (stand per 31 mei 2010) (de "Voorraden");

e. al het onderhanden werk van de Onderneming zoals beschreven in Bijlage 6 (het "Onderhanden Werk"), waarbij partijen opmerken dat Bijlage 6 een voorlopige opgave van het Onderhanden Werk betreft. Partijen zullen het Onderhanden Werk definitief vaststellen bij de berekening van de Koopprijscorrectie (als gedefinieerd in Artikel 2.1b);

f. alle intellectuele eigendomsrechten die Verkoper met betrekking tot de Onderneming in eigendom en/of in gebruik heeft, waaronder de naam "Berg-O-Tool" (de "Intellectuele Eigendomsrechten");

g. de goodwill van de Onderneming, waaronder doch niet beperkt tot het klantenbestand van de Onderneming.

(...)

14.8 Het is Verkoper en de aan haar gelieerde vennootschappen verboden om tijdens en gedurende een periode van twee jaar na het eindigen van de Huurovereenkomst, direct of indirect, in welke vorm of hoedanigheid dan ook, diensten te verlenen of anderszins betrokken te zijn en/of een belang te hebben bij activiteiten die vergelijkbaar of concurrerend zijn met de activiteiten van Koper.

2.4. [gedaagde] heeft na 30 juni 2010 projecten voor de inrichting van werkplaatsen voor wat betreft ovb-activiteiten aan B.O.T. doorgeleid (zogenoemde "leads"), hetgeen na 17 oktober 2011 is gestopt.

2.5. Bij brief van 7 december 2011 heeft [gedaagde] aan B.O.T. meegedeeld dat - kort gezegd - zij op zoek gaat naar een andere ovb-partij.

2.6. [gedaagde] is (in ieder geval) per 2 april 2012 een samenwerking aangegaan met [A] (verder: [A]). [A] houdt zich - naast andere activiteiten - bezig met ovb-activiteiten.

3. Het geschil

3.1. B.O.T. vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

a. primair dat [gedaagde] wordt veroordeeld om met onmiddellijke ingang alle handelingen in strijd met de koopovereenkomst d.d. 30 juni 2010 tussen B.O.T. en [gedaagde] gesloten, te staken en gestaakt te houden, meer in het bijzonder door [gedaagde] te veroordelen zich te houden aan het bepaalde in artikel 14.8 van de koopovereenkomst, het verbreken van de samenwerking met [A] daaronder begrepen voor zover het betreft de activiteiten die concurrerend zijn aan de activiteiten van B.O.T., een en ander binnen twee dagen na dit vonnis, en

b. subsidiair, dat [gedaagde] wordt veroordeeld om met onmiddellijke ingang alle handelingen in strijd met de duurovereenkomst te staken en gestaakt te houden, meer in het bijzonder inhoudende dat zij geen "leads" voor ovb-activiteiten zal onderbrengen bij anderen dan B.O.T., een en ander binnen twee dagen na dit vonnis;

c. alles op straffe van een ineens opeisbare dwangsom van EUR 25.000,00 per dag of dagdeel dat niet aan het hiervoor sub a en/of sub b gestelde wordt voldaan, zulks tot een maximum van EUR 500.000,00, dan wel andere, in goede justitie te bepalen bedragen,

d. en/of (althans) dat een zodanige voorziening in kort geding wordt gegeven als de voorzieningenrechter in goede justitie gerechtvaardigd zal oordelen,

e. met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding.

3.2. [gedaagde] voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De voorzieningenrechter zal zich eerst buigen over de spoedeisendheid van de gevraagde voorzieningen.

4.2. [gedaagde] betwist dat B.O.T. een spoedeisend belang heeft bij deze voorzieningen. Zij voert daartoe aan dat zij al sinds 17 oktober 2011 geen "leads" meer aan B.O.T. heeft gegeven en dat zij B.O.T. reeds bij brief van 7 december 2011 op de hoogte heeft gebracht van haar voornemen om een tweede samenwerkingspartner te zoeken. Volgens [gedaagde] heeft B.O.T. niet onderbouwd waarom zij nu ineens een spoedeisend belang heeft.

4.3. B.O.T. voert ter onderbouwing van haar spoedeisend belang aan dat zij eerst in april 2012 naar aanleiding van een persverklaring van [gedaagde] op de hoogte is geraakt van de samenwerking tussen [gedaagde] en [A] en dat zij tot dat moment heeft gedacht dat de mededeling van [gedaagde] dat zij op zoek zou gaan naar een andere samenwerkingspartner slechts een loos dreigement was. Daarnaast brengt B.O.T. naar voren dat zij voor de uitvoering van ovb-projecten volledig afhankelijk is van de "leads" van [gedaagde]. Doordat deze "leads" na 17 oktober 2011 zijn weggevallen, is de omzet van B.O.T. uit ovb-projecten nihil, terwijl haar project-gerelateerde overheadkosten gewoon doorlopen.

4.4. Nu niet is weersproken dat B.O.T. pas in april 2012 op de hoogte is geraakt van de samenwerking tussen [gedaagde] en [A] en evenmin is betwist dat de omzet van B.O.T. uit ovb-activiteiten nihil is als gevolg van het uitblijven van "leads" van [gedaagde], is voldoende aannemelijk dat B.O.T. een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorzieningen.

4.5. Ten aanzien van de primair gevorderde voorziening voert B.O.T. aan dat [gedaagde] het in artikel 14.8 van de koopovereenkomst vastgelegde concurrentiebeding schendt door haar samenwerking met [A]. Volgens B.O.T. is [gedaagde] gehouden om "leads" op het gebied van ovb-activiteiten aan haar te geven en mag [gedaagde] deze niet aan [A] doorsluizen. B.O.T. stelt daarbij dat partijen uitdrukkelijk hebben afgesproken dat zij gedurende een lange termijn de activiteiten van de ander niet mogen beconcurreren. Volgens B.O.T. mag dat ook niet via andere constructies, zoals de samenwerking van [gedaagde] met [A].

4.6. [gedaagde] betoogt daarentegen dat artikel 14.8 van de koopovereenkomst niets meer en niets anders behelst dan dat zij niet mag concurreren met B.O.T. Volgens [gedaagde] is geen sprake van concurrentie als zij samenwerkt met een andere partij dan B.O.T. Daarnaast voert [gedaagde] aan dat de uitleg die B.O.T. aan het concurrentiebeding geeft, betekent dat dit beding de facto een exclusiviteitsbeding is, hetgeen partijen volgens haar nimmer zijn overeengekomen.

4.7. De kernvraag die thans voorligt, is of [gedaagde] het in artikel 14.8 van de koopovereenkomst vastgelegde concurrentiebeding schendt door haar samenwerking met [A] op het gebied van ovb-activiteiten.

4.8. Wat betreft de uitleg van artikel 14.8 van de koopovereenkomst wordt voorop gesteld dat het voor het antwoord op de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding tussen partijen is geregeld aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten; vgl. HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635 (Haviltex).

4.9. Hoewel partijen in de koopovereenkomst geen expliciete afspraken hebben gemaakt over hun onderlinge samenwerking en de exclusiviteit daarvan, was het voor hen tot 17 oktober 2011 vanzelfsprekend was dat [gedaagde] ovb-activiteiten die in het kader van de totaalinrichting van werkplaatsen moesten plaatsvinden, doorleidde naar B.O.T. [gedaagde] heeft niet onderbouwd dat zij vóór 17 oktober 2011 ook met andere partijen dergelijke projecten heeft uitgevoerd. Daarnaast is door B.O.T. onweersproken gesteld dat het concurrentiebeding voor een lange termijn is aangegaan om haar de gelegenheid te bieden haar investeringen terug te verdienen en dat zij om die reden ook een voorraad onderdelen voor meerdere jaren van [gedaagde] heeft overgenomen. Gezien deze omstandigheden is het voorshands voldoende aannemelijk dat B.O.T. erop mocht rekenen dat zij gedurende een aantal jaren "leads" van [gedaagde] zou krijgen.

De tekst van artikel 14.8 brengt mee dat elke dienstverlening, betrokkenheid of belang bij activiteiten die vergelijkbaar of concurrerend zijn met de activiteiten van B.O.T., zowel direct als indirect, verboden zijn. Hoewel beide partijen een andere visie geven over de reikwijdte van dit beding, ziet de voorzieningenrechter in deze ruime formulering aanleiding aan te nemen dat, nu B.O.T. gedurende een lange tijd op "leads" van [gedaagde] mag rekenen, dit beding inhoudt dat [gedaagde] geen samenwerking met een derde mag aangaan met betrekking tot de ovb-activiteiten voor werkplaatsinrichtingen.

4.10. Gelet op het voorgaande komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat voldoende aannemelijk is geworden dat het concurrentiebeding in elk geval het verbod voor [gedaagde] omvat om "leads" met betrekking tot ovb-activiteiten aan een andere partij te geven dan B.O.T. Vaststaat dat [gedaagde] op het gebied van ovb-activiteiten samenwerkt met [A], hetgeen betekent dat het concurrentiebeding door [gedaagde] wordt overtreden.

4.11. Nu er geen redenen zijn gebleken op grond waarvan [gedaagde] niet meer gehouden kan worden aan de verplichting tot het geven van "leads" aan B.O.T., heeft B.O.T. belang bij toewijzing van de primair gevraagde voorziening. Haar primaire vordering zal, daar zij te ruim is geformuleerd, worden toegewezen als na te melden.

4.12. De gevorderde dwangsom zal worden beperkt als volgt.

4.13. De door B.O.T. in de dagvaarding aan de orde gestelde buitengerechtelijke kosten zullen buiten beschouwing worden gelaten, nu deze kosten door B.O.T. niet in het petitum zijn gevorderd.

4.14. [gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van B.O.T. worden begroot op:

- dagvaarding EUR 83,57

- griffierecht 575,00

- salaris advocaat 904,00

Totaal EUR 1.562,57

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. veroordeelt [gedaagde] om handelingen in strijd met het bepaalde in artikel 14.8 van de koopovereenkomst te staken en gestaakt te houden, hetgeen meebrengt dat de samenwerking met [A] wordt verbroken voor zover het betreft de ovb-activiteiten voor werkplaatsinrichtingen, een en ander binnen twee dagen na betekening van dit vonnis,

5.2. veroordeelt [gedaagde] om aan B.O.T. een dwangsom te betalen van EUR 5.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de in 5.1 uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van EUR 500.000,00 is bereikt,

5.3. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van B.O.T. tot op heden begroot op EUR 1.562,57,

5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard en in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2012.