Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BX2456

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
01-06-2012
Datum publicatie
03-09-2012
Zaaknummer
197686 - KZ ZA 12-81
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Ontbonden koopovereenkomst, uitleg van boetebepalingen. Vraag of ook bestuurder van wanpresterende vennootschap aansprakelijk is wordt vooralsnog ontkennend beantwoord.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

Locatie Zwolle

zaaknummer / rolnummer: 197686 / KZ ZA 12-81

Vonnis in kort geding van 1 juni 2012

in de zaak van

1. [A],

wonende te [woonplaats],

2. [B],

wonende te [woonplaats],

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[C],

gevestigd te [woonplaats],

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. F.A.M. van Os te Lochem,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[D],

gevestigd te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

2. [E],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. N.B.F. Telders te Utrecht.

Partijen zullen hierna [A c.s.] (dan wel afzonderlijk [A], [B] en [C]) en [D c.s.] (dan wel afzonderlijk [D] en [E]) worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties

- de eis in reconventie

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [A c.s.]

- de pleitnota van [D c.s.]

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [D] (waarvan [E] (middellijk) aandeelhouder en bestuurder is) heeft op 31 maart 2011 zowel van [A] en [B] als van [C] twee percelen grond in [woonplaats] gekocht. Ter uitvoering hiervan zijn op 2 april 2011 twee koopovereenkomsten door partijen ondertekend.

2.2. Uit de ene koopovereenkomst blijkt dat [A] en [B] twee percelen aan de [adres] te [woonplaats], kadastraal bekend gemeente [woonplaats], [nummer], nummers [nummer] en [nummer], hebben verkocht aan [D] voor een bedrag van EUR 319.000,-, onder de verplichting van [D] om uiterlijk 1 mei 2011 een aanbetaling van EUR 159.500,- te doen aan [A] en [B] (artikel 20).

2.3. Uit de andere koopovereenkomst blijkt dat [C] twee percelen aan de [adres] te [woonplaats], kadastraal bekend gemeente [woonplaats], [nummer], nummers [nummer] en [nummer] heeft verkocht aan [D] voor een bedrag van EUR 831.000,-, onder de verplichting van [D] om uiterlijk 1 mei 2011 een aanbetaling van EUR 415.500,- te doen aan [C] (artikel 20).

2.4. In beide overeenkomsten is bepaald dat de akte van levering zal worden gepasseerd op 1 december 2011 of zoveel eerder of later als partijen tezamen nader overeenkomen (artikel 3). Het financieringsvoorbehoud ten aanzien van de koper is in beide overeenkomsten niet van toepassing verklaard. Verder is in beide overeenkomsten opgenomen:

"artikel 10 Ingebrekestelling, ontbinding

10.1. Indien één van de partijen, na in gebreke te zijn gesteld, gedurende acht dagen nalatig is of blijft in de nakoming van één of meer van haar uit deze overeenkomst voortvloeiende verplichtingen, kan de wederpartij van de nalatige deze overeenkomst zonder rechterlijke tussenkomst ontbinden door middel van een schriftelijke verklaring aan de nalatige.

10.2. Ontbinding op grond van tekortkoming is slechts mogelijk na voorafgaande ingebrekestelling. Bij ontbinding van de overeenkomst op grond van toerekenbare tekortkoming zal de nalatige partij ten behoeve van de wederpartij een zonder rechterlijke tussenkomst terstond opeisbare boete van 10% van de koopsom verbeuren, onverminderd het recht op aanvullende schadevergoeding en vergoeding van kosten van verhaal. Tevens zal alsdan de in artikel 20 genoemde aanbetaling door verkoper aan koper worden terugbetaald.

10.3. Indien de wederpartij geen gebruik maakt van zijn recht de overeenkomst te ontbinden en nakoming verlangt, zal de nalatige partij ten behoeve van de wederpartij na afloop van de in 10.1 vermelde termijn van acht dagen voor elke sedertdien verstreken dag tot aan de dag van nakoming een onmiddellijk opeisbare boete verschuldigd zijn van drie pro mille van de koopprijs, onverminderd het recht op aanvullende schadevergoeding en vergoeding van kosten van verhaal. Indien de wederpartij na verloop van tijd de overeenkomst alsnog ontbindt dan zal deze boete verschuldigd zijn voor elke na afloop van de in 10.1 vermelde termijn van acht dagen verstreken dag tot aan de dag waarop de overeenkomst ontbonden is.

10.4. (...)."

2.5. [D] heeft beide aanbetalingen niet voldaan. Bij brief van 1 november 2011 van de advocaat van [A c.s.] is [D] in gebreke gesteld en is zij verzocht en gesommeerd om uiterlijk binnen acht dagen alsnog EUR 159.500,- respectievelijk EUR 415.000,-, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente te voldoen.

[D] heeft niet aan deze sommatie voldaan, waarna [A c.s.] bij brief van hun advocaat van 14 november 2011 [D] erop heeft gewezen dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 10 van de koopovereenkomsten, dat [A c.s.] vooralsnog geen gebruik maken van hun recht tot ontbinding, dat zij nakoming verlangen en met ingang van 9 november 2011 aanspraak maken op de boete van 3 promille van de koopprijs per dag.

2.6. Het tekenen van de akte van levering heeft op 1 december 2011 niet plaatsgevonden, waarna de advocaat namens [A c.s.] bij brief van 5 december 2011 [D] in gebreke heeft gesteld en haar heeft verzocht en gesommeerd om uiterlijk binnen acht dagen alsnog aan haar verplichtingen te voldoen.

2.7. Bij brief van 10 februari 2012 van haar advocaat hebben [A c.s.] aan [D] uitstel verleend tot 14 februari 2012. Tevens werd door [A c.s.] in deze brief alvast voor alsdan overgegaan tot de buitengerechtelijke ontbinding van de twee koopovereenkomsten voor het geval [D] per 14 februari 2012 niet aan haar verplichtingen zou hebben voldaan.

2.8. De akte van levering is niet gepasseerd.

2.9. Na daartoe op 28 februari 2012 verkregen verlof hebben [A c.s.] op 29 februari 2012 tot zekerheid van verhaal van hun vordering op [D c.s.] conservatoir beslag doen leggen op diverse onroerende zaken van [D c.s.]

2.10. [A c.s.] hebben op 13 maart 2012 [D c.s.] gedagvaard in een bodemprocedure bij deze rechtbank, sector civiel.

3. Het geschil in conventie

3.1. [A c.s.] vorderen, uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut, [D c.s.] hoofdelijk, des dat de een betaald mocht hebben de ander bevrijd zal zijn, te veroordelen om aan [A c.s.] binnen twee dagen na betekening van dit vonnis een bedrag ad EUR 300.000,- te voldoen als voorschot op hetgeen [A c.s.] van [D c.s.] te vorderen hebben, met veroordeling van [D c.s.] in de kosten van het geding, de nakosten en beslagkosten daaronder begrepen.

3.2. [D c.s.] voeren verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. Het geschil in reconventie

4.1. [E] vordert, uitvoerbaar bij voorraad, [A c.s.] te bevelen alle door hen ten laste van [E] gelegde conservatoire beslagen op te heffen, binnen twee dagen na betekening van dit vonnis, onder verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van [A c.s.] in de proceskosten.

4.2. [A c.s.] voeren verweer.

4.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling in conventie

5.1. Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De rechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de rechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.

5.2. Als eerste zal worden beoordeeld of sprake is van onverwijlde spoed. [A c.s.] hebben naar voren gebracht dat zij met hun bank hebben afgesproken dat de aanbetalingen en de (restant)koopsommen uiterlijk 31 december 2011 zouden worden aangewend voor aflossing van hun financiële verplichtingen jegens de bank. Doordat [D c.s.] niet aan hun verplichtingen uit de koopovereenkomsten hebben voldaan zijn [A c.s.] niet in staat gebleken aan de afspraak met de bank te voldoen en heeft de bank de kredietrelatie met [A c.s.] opgezegd, onder aanzegging van executoriale verkoop in mei 2012. Door een betaling van [A c.s.] met eigen geld is de executoriale verkoop opgeschort tot oktober 2012. Om ook deze verkoop op te kunnen schorten vorderen [A c.s.] thans in kort geding een voorschot op hetgeen zij in de bodemprocedure vorderen.

Gelet op voormelde feiten en omstandigheden is genoegzaam gebleken van onverwijlde spoed. Een nadere onderbouwing met stukken is, anders dan [D c.s.] hebben betoogd, daartoe niet nodig.

5.3. Vervolgens is aan de orde de vraag of het bestaan en de omvang van de vorderingen van [A c.s.] in voldoende mate aannemelijk zijn.

[A c.s.] hebben gesteld dat zij op grond van het bepaalde in de artikelen 10.2 en 10.3 van de koopovereenkomsten:

1) aanvankelijk nakoming hebben verlangd en daarbij aanspraak hebben gemaakt op de onmiddellijk opeisbare boete van drie promille van de koopsommen per dag (zijnde EUR 3.450,- per dag) vanaf 10 november 2011 tot aan de dag van ontbinding op 14 februari 2012, oftewel 96 dagen maal EUR 3.450,- = EUR 331.200,-;

2) recht hebben op een terstond opeisbare boete van 10% van de koopsommen, zijnde EUR 115.000,- in verband met de ontbinding van de koopovereenkomsten per 14 februari 2012;

3) recht hebben op aanvullende schadevergoeding en kosten van verhaal.

In de bodemprocedure hebben [A c.s.] een bedrag aan boete van EUR 446.200,- gevorderd, alsmede vergoeding van (aanvullende) schade op te maken in een schadestaatprocedure. In dit kort geding hebben [A c.s.] als voorschot een bedrag van EUR 300.000,- gevorderd.

5.4. [D c.s.] hebben zich tegen de vordering verweerd door te stellen dat de boetes als vermeld in 10.2 en 10.3 van de koopovereenkomsten niet naast elkaar kunnen worden gevorderd en dat, als al vast komt te staan dat een boete verschuldigd is, die boete niet meer kan bedragen dan 10% van de koopsommen.

5.5. De voorzieningenrechter stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat [A c.s.] op 14 februari 2012 de koopovereenkomsten op goede gronden buitengerechtelijk hebben ontbonden. Ook is niet in geschil dat [D] toerekenbaar tekort is geschoten in haar verplichtingen uit de koopovereenkomsten. Hieruit volgt dat [A c.s.] in beginsel aanspraak kunnen maken op de boetebepalingen in de koopovereenkomsten.

5.6. Het verweer van [D c.s.] richt zich op de uitleg van de boetebepalingen in de koopovereenkomsten. De voorzieningenrechter overweegt hierover als volgt. Indien de rechter in de tussen partijen aanhangige bodemprocedure zal oordelen dat dit verweer van [D c.s.] terecht is opgeworpen zal dat tot gevolg hebben dat aan [A c.s.] óf de boete van 10.2 van de koopovereenkomsten (door [A c.s.] berekend op EUR 331.200,-) óf die van 10.3 (ter grootte van EUR 115.000,-) toekomt. Dit betekent dat de verschuldigde boete minimaal op EUR 115.000,- kan worden gesteld. Het is daarmee voldoende aannemelijk dat de bodemrechter, later oordelende, de vordering van [A c.s.] voor een bedrag van EUR 115.000,- zal toewijzen.

Voor een verdere beoordeling van de vordering van [A c.s.], gezien het verweer van [D c.s.] dat de boetes van 10.2 en 10.3 van de koopovereenkomsten niet naast elkaar kunnen worden gevorderd, is nadere bewijsvoering nodig ten aanzien van de uitleg van de onderhavige boetebepalingen, waarvoor in kort geding geen plaats is. De vordering tot betaling van een bedrag dat uitgaat boven EUR 115.000,- zal daarom worden afgewezen.

Overigens is de voorzieningenrechter van oordeel dat een voorschot van EUR 115.000,- redelijk is, gezien de hoogte van de vordering in de bodemprocedure (te weten EUR 446.200,-).

5.7. [D c.s.] hebben een beroep gedaan op de bevoegdheid van de rechter om een bedongen boete te matigen. De voorzieningenrechter zal dit beroep niet honoreren omdat zij van oordeel is dat voldoende aannemelijk is geworden dat de bodemrechter het boetebedrag niet zal matigen tot onder het hiervoor in r.o. 5.7 genoemde bedrag van EUR 115.000,-. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Matiging van een boete is volgens artikel 6:94 lid 1 BW alleen aan de orde indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist. De rechter dient zijn bevoegdheid tot matiging terughoudend te hanteren. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (bijvoorbeeld HR 27 april 2007, NJ 2007, 262/LJN AZ6638) mag de rechter pas van zijn bevoegdheid tot matiging gebruik maken als toepassing van het boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Daarbij zal de rechter niet alleen moeten letten op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het beding is ingeroepen.

[D c.s.] hebben echter niet gesteld of feitelijk toegelicht dat de boete buitensporig hoog is dan wel dat toepassing van het boetebeding tot een onaanvaardbaar resultaat leidt. De enkele stelling dat de omvang van de schade van [A c.s.] (nog) niet vaststaat dan wel dat [A c.s.] nog geen begin van een begroting hebben, is dan onvoldoende. Daarbij komt dat het op de weg van [D] lag om vóórdat zij de koopovereenkomsten sloot zich ervan te vergewissen dat zij deze ook kon nakomen, [D] wel de overeenkomsten inclusief boetebedingen met [A c.s.] is aangegaan, de boetebedingen niet hoger zijn dan gebruikelijk bij dit soort overeenkomsten en boetebedingen juist in overeenkomsten als deze worden opgenomen als sterke prikkel tot nakoming.

5.8. Geconcludeerd wordt aldus dat het bestaan en de omvang van de vordering van [A c.s.] tot een bedrag van EUR 115.000,- in hoge mate aannemelijk zijn. Het is dan ook waarschijnlijk dat de rechter in een bodemprocedure - later oordelend - minimaal dit bedrag zal toewijzen. Op basis hiervan is de voorzieningenrechter van oordeel dat het restitutierisico in deze zaak van ondergeschikt belang is, zodat voorbij wordt gegaan aan het hierop betrekking hebbende verweer van [D c.s.]

5.9. [A c.s.] hebben zowel [D] als [E] gedagvaard en hun vordering jegens beide ingesteld. Aan de vordering op [E] hebben [A c.s.] bestuurdersaansprakelijkheid ten grondslag gelegd.

5.10. In het geval van benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering kan, naast aansprakelijkheid van de vennootschap, mogelijk ook, afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt.

Voor de onder (i) bedoelde gevallen is in de rechtspraak de maatstaf aanvaard dat persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap kan worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk verwijt gemaakt kan worden. Deze maatstaf wordt ook wel aangeduid als de "Beklamelnorm".

In de onder (ii) bedoelde gevallen kan de betrokken bestuurder voor de schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen (HR 8 december 2006, NJ 2006, 659 Ontvanger/Roelofsen).

5.11. [A c.s.] hebben ter onderbouwing van hun vordering uit bestuurdersaansprakelijkheid gesteld dat [E] wist dat [D] forse financiële verplichtingen aanging, namelijk de verplichting dat [D] al binnen één maand na ondertekening van de koopovereenkomsten een aanbetaling moest doen van de helft van de koopsommen, te weten EUR 575.000,-, onder verbeurte van een boete van EUR 3.450,- per dag, terwijl in de koopovereenkomsten geen financieringsvoorbehoud was opgenomen. Verder blijkt uit de bij de Kamer van Koophandel gedeponeerde jaarstukken 2009 en 2010 van [D] dat:

- haar totale activa respectievelijk EUR 53.694,- en EUR 55.179,- bedroegen, terwijl de financiële verplichtingen van [D] uit de koopovereenkomst meer dan 20 maal het totaal van de activa bedroegen;

- haar eigen vermogen negatief was (2009: -EUR 89.927,- en 2010: -EUR 145.057,-, zodat [D] voor de koopsommen aangewezen was op vreemd vermogen;

- [D] insolvabel was.

[E] heeft dit als bestuurder van [D] geweten dan wel moeten weten, in ieder geval op het moment van ondertekening van de koopovereenkomsten.

Hieruit volgt, aldus [A c.s.], dat [E] wist of redelijkerwijs had moeten begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou kunnen nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade.

5.12. [E] heeft zich hiertegen verweerd door te stellen dat het niet opnemen van een financieringsvoorbehoud in de koopovereenkomsten niet kan leiden tot bestuurdersaansprakelijkheid van hem in privé, maar hoogstens tot interne bestuurdersaansprakelijkheid. Verder is aan een onderdeel van het criterium (geen verhaal bieden) niet voldaan aangezien uit het door [A c.s.] gelegde beslag op onroerende zaken die eigendom zijn van [D] blijkt dat verhaal wel mogelijk is.

De verplichting om binnen een maand na ondertekening van de koopovereenkomsten een aanbetaling te doen van ter grootte van de helft van de koopsommen, is een ongebruikelijke bepaling. Hieruit kan, in combinatie met het niet opnemen van een financieringsvoorbehoud, worden afgeleid dat [D c.s.] vol vertrouwen was dat de transactie door zou gaan en dat de aanbetalingen konden worden gefinancierd uit een verkooptransactie van een project in Frankrijk (een bedrag van EUR 250.000,-) en uit de betaling aan [D] van een vordering van EUR 300.000,-, aldus [D c.s.]

5.13. Gezien de gemotiveerde betwisting door [E] van de stellingen van [A c.s.] kan de vraag of [E] persoonlijk aansprakelijk is voor het onbetaald en onverhaalbaar blijven van de vordering van [A c.s.] op [D] niet zonder nadere bewijslevering - waarvoor een kort gedingprocedure zich naar haar aard niet leent - worden beantwoord. Dat zal in de bodemprocedure - waarin gelegenheid is voor bewijslevering en uitgebreidere onderbouwing van standpunten - moeten worden beoordeeld.

Hieruit volgt dat de vordering van [A c.s.] ten aanzien van [E] zal worden afgewezen.

5.14. De door [E] gevorderde nakosten alsmede de wettelijke rente over de proceskosten (inclusief nakosten) zullen als na te melden worden toegewezen.

5.15. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om [A c.s.] in de proceskosten van [E] te veroordelen. Aangezien de griffier het griffierecht aan de zijde van [D c.s.] vanwege de gemeenschappelijke advocaat op een gezamenlijk bedrag van EUR 3.621,00 heeft vastgesteld zal het deel van het griffierecht dat aan [E] kan worden toegerekend worden bepaald op het bedrag dat aan hem in rekening zou zijn gebracht indien hij zelfstandig in het geding was gekomen. Voor salaris advocaat zal 1 punt worden toegekend aangezien de advocaat van [E] tevens heeft opgetreden voor [D]. De kosten aan de zijde van [E] worden derhalve begroot op:

- griffierecht 1.436,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 2.000,00 (1 punt x tarief VI)

Totaal EUR 3.436,00

5.16. Tot slot is de voorzieningenrechter met [D] van oordeel dat de gevorderde betaling aan [A c.s.] gezamenlijk dient te worden afgewezen nu daarvoor geen gronden zijn gebleken. Immers, hoewel de kopende partij in beide koopovereenkomsten dezelfde is geldt dat niet voor de verkopende partij. Verkopers van de percelen [woonplaats], [nummer], nummers [nummer] en [nummer] zijn [A] en [B], terwijl verkoper van de percelen [woonplaats], [nummer], nummers [nummer] en [nummer] [C] is.

De vordering zal dan ook gesplitst worden toegewezen, in die zin dat [D] zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van EUR 31.900,- aan [A] en [B] en van een bedrag van EUR 83.100,- aan [C]. Bij de splitsing van het bedrag is aangeknoopt bij de hoogte van de afzonderlijke koopsommen.

5.17. De vordering van [A c.s.] tot veroordeling van [D c.s.] tot betaling van de beslagkosten zal worden afgewezen nu [A c.s.] deze reeds in de tussen partijen aanhangige bodemzaak heeft ingesteld.

5.18. De gevorderde uitvoerbaarverklaring "op de minuut" zal worden afgewezen, nu het vonnis op grond van artikel 231 lid 1 Rv op de grosse dient te worden afgegeven.

5.19. De door [A c.s.] gevorderde nakosten zullen als na te melden worden toegewezen.

5.20. [D] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [A c.s.] worden begroot op:

- dagvaarding EUR 99,86

- griffierecht 3.621,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 2.842,00 (2 punten x tarief V)

Totaal EUR 6.562,86

6. De beoordeling in reconventie

6.1. [A c.s.] hebben bezwaar gemaakt tegen de vordering in reconventie van [E] omdat [E], in strijd met het procesreglement, de gronden van die reconventionele vordering niet tijdig kenbaar heeft gemaakt. Verder hebben [A c.s.] naar voren gebracht dat de reconventionele vordering "rauwelijks" is ingesteld.

6.2. Volgens artikel 7.2 van het Procesreglement kort gedingen rechtbanken sector civiel deelt een partij die een eis in reconventie wenst in te stellen, de vordering en de gronden daarvan zo spoedig mogelijk, uiterlijk 24 uur vóór de terechtzitting, schriftelijk mee aan de wederpartij en de voorzieningenrechter.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de gronden van de vordering in reconventie pas ter zitting zijn voorgedragen. [E] heeft daarmee niet voldaan aan genoemd artikel 7.2 van het Procesreglement, terwijl geen feiten en omstandigheden zijn gesteld of gebleken waaruit kan volgen dat [E] deze gronden niet eerder heeft kunnen verwoorden. Derhalve is het beginsel van hoor en wederhoor geschonden. Dit klemt te meer omdat [A c.s.], zoals onweersproken door hen is gesteld, niet eerder dan ter zitting met een verweer van [D c.s.] bekend zijn geworden. [E] zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn reconventionele vordering.

6.3. Gezien het vorenstaande behoeft het verweer van [A c.s.] ten aanzien van het rauwelijks instellen van de vordering in reconventie geen bespreking meer.

6.4. [E] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Gezien het feit dat [A c.s.], ondanks dat zij voor de zitting niet op de hoogte waren van de gronden van de reconventionele vordering, een inhoudelijke poging tot verweer hebben gedaan zullen de kosten aan de zijde van [A c.s.] worden begroot op:

- salaris advocaat: EUR 452,00 (1 punt × tarief II).

7. De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

7.1. veroordeelt [D] om aan [A] en [B] te betalen een bedrag van EUR 31.900,- (éénendertigduizend negenhonderd euro),

7.2. veroordeelt [D] om aan [C] te betalen een bedrag van EUR 83.100,- (drieëntachtigduizend éénhonderd euro),

7.3. veroordeelt [D] in de proceskosten, aan de zijde van [A c.s.] tot op heden begroot op EUR 6.562,86,

7.4. veroordeelt [D] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op EUR 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [D] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van EUR 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

7.5. veroordeelt [A c.s.] in de proceskosten, aan de zijde van [E] tot op heden begroot op EUR 3.436,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis,

7.6. veroordeelt [A c.s.] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op EUR 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [A c.s.] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van EUR 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, voorts vermeerderd met de wettelijke rente over de nakosten van EUR 131,00 vanaf de vijftiende dag na aanschrijving van [A c.s.] alsmede ingeval van betekening van dit vonnis te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten van EUR 68,00 vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis, telkens tot de dag van volledige betaling,

7.7. verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

7.8. wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

7.9. verklaart [E] niet-ontvankelijk in zijn vordering,

7.10. veroordeelt [E] in de proceskosten, aan de zijde van [A c.s.] tot op heden begroot op EUR 452,00,

7.11. verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard en in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2012.