Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BX1911

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
17-07-2012
Datum publicatie
18-07-2012
Zaaknummer
07.915008-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft een bedrijf veroordeeld tot een geldboete van €6.000,- voor het overtreden van de arbeidsomstandighedenwet. De rechtbank rekent het verdachte in het bijzonder aan dat zij op ernstige wijze heeft verzuimd zorg te dragen voor een zo optimaal mogelijke veiligheid van derden werkzaam binnen haar bedrijf. Daardoor heeft een ongeval plaatsgevonden waarbij een slachtoffer is komen te overlijden en een slachtoffer ernstig gewond is geraakt. Het risico dat is genomen, de mate van nalatigheid van verdachte en het ernstige gevolg dat is ingetreden zou naar het oordeel van de rechtbank een hogere dan de door de officier van justitie gevorderde onvoorwaardelijke geldboete kunnen rechtvaardigen. Nu verdachte niet eerder voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld en verdachte inmiddels maatregelen heeft getroffen ter verbetering van de situatie legt de rechtbank de geëiste onvoorwaardelijke geldboete van € 6.000,- op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Economische Strafkamer

Parketnummer: 07.915008-10

Uitspraak: 17 juli 2012

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte].,

gevestigd te [adres]

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 3 juli 2012 te Zwolle.

Namens verdachte is [verdachte] verschenen, bijgestaan door mr. A.C. Huisman, advocaat te Deventer.

De officier van justitie, mr. P. de Jong, heeft ter terechtzitting gevorderd verdachte te veroordelen tot betaling van een geldboete van € 6.000,00.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 13 november 2009 in de gemeente Zeewolde, in ieder geval in Nederland, als werkgeefster, terwijl bij en/of in rechtstreeks verband met de arbeid, te weten distributiewerkzaamheden, die verdachte, als werkgeefster door haar werknemers deed verrichten in een bedrijf en/of inrichting en/of in de onmiddellijke omgeving daarvan, te weten in een distributiecentrum van verdachte, gevestigd in perceel Industrieweg 9 aldaar, gevaar kon ontstaan voor de veiligheid en/of de gezondheid van andere personen dan die werknemers, te weten voor [slachtoffer A] en/of [slachtoffer B] (beiden) werknemer(s) van [naam] Hoogeveen B.V. geen doeltreffende maatregelen heeft genomen ter voorkoming van

dat gevaar,

immers bevonden zich toen aldaar die [slachtoffer A] en/of die [slachtoffer B] in een werkbak van een schaarhoogwerker - welke werkbak tot ongeveer twaalf meter boven de vloer was uitgeschoven en was opgesteld in een gang tussen twee magazijnstellingen - teneinde werkzaamheden te (gaan) verrichten aan het Pluviasysteem, althans werkzaamheden en is een hoogbouwtruck, welke werd bestuurd door één van verdachtes werknemers, achteruitrijdend tegen die schaarhoogwerker gereden, waardoor die schaarhoogwerker, terwijl [slachtoffer A] en/of [slachtoffer B] zich in de werkbak van die schaarhoogwerker bevonden, is

omgevallen, tengevolge waarvan [slachtoffer A] is overleden en [slachtoffer B] ernstig letsel heeft bekomen,

terwijl de ingang van gang alwaar die schaarhoogwerker stond opgesteld niet door (een) paaltje(s) of door (een) lint(en) en/of op een ander wijze was afgezet, waardoor het mogelijk was dat die hoogbouwtruck (achteruitrijdend) die gang in kon rijden en/of was die hoogbouwtruck niet voorzien van spiegels die voldoende zicht gaven op hetgeen zich achter die hoogbouwtruck in die gang bevond en/of was de bestuurder van die hoogbouwtruck niet geïnformeerd dat in die gang een schaarhoogwerker was opgesteld,

althans heeft, zij, verdachte geen, althans onvoldoende doeltreffende (andere)

maatregelen genomen ter voorkoming van dat gevaar.

Ten gevolge van een kennelijke vergissing staat in de tenlastelegging in de negentiende regel "van gang" in plaats van "van de gang". De rechtbank herstelt deze vergissing door het laatste te lezen voor het eerste. Blijkens het onderzoek ter terechtzitting wordt de verdachte daardoor in de verdediging niet geschaad.

BEWIJS

Met betrekking tot de toerekenbaarheid overweegt de rechtbank het volgende.

Op vrijdag 13 november 2009 heeft een ongeluk plaatsgevonden in een distributiehal van verdachte: een hoogbouwtruck is tegen een schaarhoogwerker gereden waardoor die schaarhoogwerker is omgevallen, terwijl [slachtoffer A] en [slachtoffer B], beiden in dienst bij [naam], zich in de schaarhoogwerker op ongeveer 12 meter hoogte bevonden. Uit de verklaring van de chauffeur van de hoogbouwtruck [naam A] blijkt dat hij niet op de hoogte was gesteld dat er derden, te weten [slachtoffer A] en [slachtoffer B], in de distributiehal aan het werk waren.

De rechtbank is van oordeel dat genoemd ongeluk te wijten is aan ernstige onzorgvuldigheid aan de kant van verdachte.

Verdachte heeft als werkgeefster in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet een grote verantwoordelijkheid voor de veiligheid van de door haar bij het werk ingezette werknemers, waaronder ook de door haar ingeschakelde werknemers van derden. Die verantwoordelijkheid houdt naar het oordeel van de rechtbank onder meer in dat zij haar werknemers doeltreffend moet voorlichten over de aan de te verrichten werkzaamheden verbonden risico’s en maatregelen moet treffen om die risico’s te beperken. In het onderhavige geval heeft verdachte verzuimd de ingang van de gang waar de schaarhoogwerker stond opgesteld door paaltjes of linten of op een andere wijze af te doen zetten en de bestuurder van de hoogbouwtruck te doen informeren over de in de gang opgestelde schaarhoogwerker en aanwezigheid van derden.

Uit de verklaring van 13 november 2009 van [naam B], stafmedewerker facilitaire zaken in dienst van verdachte, volgt dat de facilitaire dienst toezicht houdt op onder meer het werkgedrag en het veilig werken. Hij verklaart onder meer dat er binnen het bedrijf geen protocol was over wie er op de hoogte diende te worden gesteld van de aanwezigheid van derden in het pand van verdachte. Hij had niet overwogen om het gangpad fysiek af te zetten.

In een later stadium heeft [naam B] bij de rechter-commissaris verklaard dat hij de medewerkers van [naam] had achtergelaten in een wachtruimte en hen had gezegd dat zij hem moesten bellen zodra de hoogwerker er was en dat hij van plan was om de leidinggevende op de werkvloer in te lichten over de werkzaamheden zodra deze zouden beginnen. Ook heeft [naam B] bij de rechter-commissaris verklaard dat hij met de medewerkers van [naam] zou hebben gesproken over het afzetten van de gangen. Voor zover die gesprekken al op deze wijze zouden hebben plaatsgevonden tussen [naam B] en de medewerkers van [naam], is de rechtbank van oordeel dat verdachte er op had moeten doen toezien dat de nodige veiligheidsmaatregelen ook daadwerkelijk zouden worden getroffen en dat dit niet slechts afhankelijk had mogen worden gesteld van de al dan niet door [naam B] als stafmedewerker facilitaire zaken te geven informatie aan leidinggevenden en ploegbazen op de werkvloer en geven van instructie aan derden werknemers. Dit geldt temeer nu de medewerkers van [naam] nog niet eerder bij het bedrijf van verdachte waren geweest en er sprake is van veel verkeersbewegingen binnen het bedrijf van verdachte. Het is juist ook dan primair aan verdachte om toe te zien op het treffen van de nodige maatregelen teneinde de veiligheid van de werknemers van [naam] te waarborgen. Dat is in het onderhavige geval niet gebeurd. Verdachte heeft immers de zorg van de veiligheid overgelaten aan danwel afhankelijk gesteld van het handelen van de werknemers van [naam] enerzijds en het (niet volgens protocollen of werkprocessen doch at random) verstrekken van informatie binnen het bedrijf over de komst en aanwezigheid van de werknemers [naam] door [naam B] anderzijds. Dat, zoals gesteld is door verdachte, [slachtoffer A] en [slachtoffer B] onaangekondigd bij het bedrijf van verdachte zouden zijn verschenen die ochtend, doet daar, wat daar ook van zij, niet aan af. Als [slachtoffer A] en [slachtoffer B] zich inderdaad onaangekondigd zouden hebben gemeld dan had ofwel verdachte hen weg dienen te sturen ofwel zich ervan dienen te hebben gewissen dat zij, nadat beveiligingsmaatregelen op de werkplek waren getroffen, daar veilig aan het werk hadden kunnen gaan. Dit is niet gebeurd.

Daar komt bij, dat binnen het bedrijf van verdachte een protocol ontbrak over hoe derden veilig hun werkzaamheden konden verrichten. De rechtbank constateert dat in de rapportage Risico-inventarisatie en -evaluatie d.d. 11 maart 2008 opgesteld door de Care Group in samenwerking met Preventie en werk (Arbodienst) onder meer de volgende twee punten staan vermeld waaraan gewerkt moest worden: de leidinggevenden houden in de praktijk onvoldoende toezicht op het veilig werken door de medewerkers en er moet beleid gemaakt worden ten aanzien van derden werkzaam binnen de organisatie. Beide verbeterpunten hadden prioriteit 2 gekregen, hetgeen wil zeggen dat de aanpassing tussen de 6 en 18 maanden diende plaats te vinden. In de voortgang van plan van aanpak van de risico-inventarisatie d.d. 3 februari 2009 staat onder meer dat het knelpunt dat de instructie voor bezoekers onvoldoende aantoonbaar was nog niet was opgelost, maar dat men ermee bezig was. De rechtbank is van oordeel dat verdachte na voornoemde rapportage d.d. 11 maart 2008 onvoldoende voortvarend heeft gewerkt aan de aanbevelingen met betrekking tot het opstellen van een protocol onder meer ten behoeve van de veiligheid van derden werkzaam binnen het bedrijf.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verdachte haar verplichtingen als werkgeefster om toe te zien op de veiligheid van werknemers heeft verzaakt, terwijl daardoor levensgevaar voor de werknemers dreigde. Dit gevaar heeft zich helaas ook verwezenlijkt.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

zij op 13 november 2009 in de gemeente Zeewolde, als werkgeefster, terwijl in rechtstreeks verband met de arbeid, te weten distributiewerkzaamheden, die verdachte, als werkgeefster door haar werknemers deed verrichten in een bedrijf, te weten in een distributiecentrum van verdachte, gevestigd in perceel Industrieweg 9 aldaar, gevaar kon ontstaan voor de veiligheid en de gezondheid van andere personen dan die werknemers, te weten voor [slachtoffer A] en [slachtoffer B] (beiden) werknemer(s) van [naam] Hoogeveen B.V., geen doeltreffende maatregelen heeft genomen ter voorkoming van dat gevaar,

immers bevonden zich toen aldaar die [slachtoffer A] en die [slachtoffer B] in een werkbak van een schaarhoogwerker - welke werkbak tot ongeveer twaalf meter boven de vloer was uitgeschoven en was opgesteld in een gang tussen twee magazijnstellingen - teneinde werkzaamheden te (gaan) verrichten aan het Pluviasysteem, en is een hoogbouwtruck, welke werd bestuurd door één van verdachtes werknemers, achteruitrijdend tegen die schaarhoogwerker gereden, waardoor die schaarhoogwerker, terwijl [slachtoffer A] en [slachtoffer B] zich in de werkbak van die schaarhoogwerker bevonden, is omgevallen, tengevolge waarvan [slachtoffer A] is overleden en [slachtoffer B] ernstig letsel heeft bekomen,

terwijl de ingang van de gang alwaar die schaarhoogwerker stond opgesteld niet door (een) paaltje(s) of door (een) lint(en) en/of op een ander wijze was afgezet, waardoor het mogelijk was dat die hoogbouwtruck (achteruitrijdend) die gang in kon rijden en was de bestuurder van die hoogbouwtruck niet geïnformeerd dat in die gang een schaarhoogwerker was opgesteld.

Van het meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10 van de Arbeidsomstandighedenwet, begaan door een rechtspersoon, strafbaar gesteld bij artikel 1 van de Wet op de economische delicten.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

De rechtbank rekent het verdachte in het bijzonder aan dat zij op ernstige wijze heeft verzuimd zorg te dragen voor een zo optimaal mogelijke veiligheid van derden werkzaam binnen haar bedrijf. Daardoor heeft een ongeval plaatsgevonden waarbij [slachtoffer A] is komen te overlijden en [slachtoffer B] ernstig gewond is geraakt. Het risico dat is genomen, de mate van nalatigheid van verdachte en het ernstige gevolg dat is ingetreden zou naar het oordeel van de rechtbank een hogere dan de door de officier van justitie gevorderde onvoorwaardelijke geldboete kunnen rechtvaardigen. Nu verdachte niet eerder voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld en verdachte inmiddels maatregelen heeft getroffen ter verbetering van de situatie is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat in dit geval volstaan kan worden met de geëiste onvoorwaardelijke geldboete van € 6.000,00.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:

een uittreksel justitiële documentatie van verdachte d.d. 4 april 2012.

De beslissing berust, naast de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, op de artikelen 23, 24, 51 en 91 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 10 van de Arbeidsomstandighedenwet en de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten.

BESLISSING

Het ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert het strafbare feit op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is strafbaar.

Het meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling van een geldboete van € 6.000,00.

Aldus gewezen door mr. F. van der Maden, voorzitter, mr. F.E.J. Goffin en mr. A.M. van der Pal, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.C. van Druten als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 juli 2012.