Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BX1662

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
10-07-2012
Datum publicatie
17-07-2012
Zaaknummer
07-663219-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

ontucht met minderjarige;

onttrekking aan gezag;

ontuchtig karakter;

licht zwakzinnig;

sociaal-emotionele ontwikkelingsachterstand

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer: 07/663219-11(P)

Uitspraak: 10 juli 2012

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het openbaar ministerie

tegen

(verdachte),

geboren op (geboortejaar),

wonende te (adres).

ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 26 juni 2012.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. H.J. Voors, advocaat te Zwolle.

Als officier van justitie was aanwezig mr. A.E. Postma.

TENLASTELEGGING

De verdachte is - na wijziging tenlastelegging - ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 29 april 2011 tot en met 30 april 2011 in de gemeente Hardenberg, met (slachtoffer) (geboren 25 oktober 1997), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het

- zoenen/kussen op de wang en/of mond en/of de nek/hals van die (slachtoffer) en/of

- (terwijl die (slachtoffer) een nachthemd/t-shirt droeg) betasten/strelen van/over de borst van die (slachtoffer);

2.

hij in of omstreeks de periode van 29 april 2011 tot en met 1 mei 2011 in de gemeente(n) Hardenberg en/of Zwolle, althans in Nederland, opzettelijk een minderjarige te weten (slachtoffer) (geboren 25 oktober 1997) heeft onttrokken aan het wettig over haar gesteld gezag of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over haar uitoefent, te weten Bureau Jeugdzorg en/of Stichting MEE, althans enig instelling.

VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

BEWIJSMOTIVERING

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd wegens het plegen van ontuchtige handelen met iemand beneden de zestien jaren en het onttrekken van een minderjarige aan het wettig gezag, zoals onder 1 en 2 ten laste is gelegd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat er wettig bewijs is voor het plegen van ontuchtige handelingen door verdachte met (slachtoffer) omdat zowel verdachte als (slachtoffer) hierover verklaard hebben, maar er is geen overtuigend bewijs. Uit het dossier blijkt dat (slachtoffer) niet heel betrouwbaar is en met betrekking tot bepaalde onderdelen van haar verklaring aanwijsbaar gelogen heeft. Daarnaast is door verdachte wel een bekennende verklaring afgelegd, maar de vraag is of verdachte zich geheel bewust was van hetgeen hem overkwam en wellicht wenselijke antwoorden aan de verbalisanten heeft gegeven.

Voorts heeft de raadsman bepleit dat de feitelijkheden zoals ten laste gelegd niet als ontuchtig in de zin van artikel 247 van het Wetboek van Strafrecht moeten worden beschouwd tegen de achtergrond van de persoon van verdachte en (slachtoffer), de omstandigheden van de situatie waarbij geen sprake was van enige dwang of onevenwichtigheid in het niveau van functioneren, alsmede de relatief onschuldige aard van de handelingen. Er kan niet zonder meer worden gezegd dat het gedrag van verdachte sociaal-ethisch onaanvaardbaar was.

Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde refereert de raadsman van verdachte zich aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt, op grond van de hierna in voetnoten vermelde bewijsmiddelen , het navolgende.

Op vrijdag 29 april 2011 omstreeks 23:00 uur meldde zich de vader van (slachtoffer) bij de politie te Zwolle. Hij gaf aan dat zijn dochter (slachtoffer), 13 jaar oud, niet thuis was gekomen. De volgende ochtend is de telefoon van (slachtoffer) onderzocht en hieruit bleek dat in maart 2011 een langdurig telefoongesprek had plaatsgevonden met een bepaald telefoonnummer. De verbalisant heeft contact opgenomen met dit telefoonnummer. Tijdens dit gesprek heeft de verbalisant aan degene die de telefoon beantwoordde – naar later bleek: verdachte - gemeld dat de politie op zoek was naar een 13-jarig vermist meisje genaamd (slachtoffer) uit Zwolle. Verdachte gaf aan dat hij haar kende via het chatten, maar dat hij niet wist waar zij was. Op het verzoek van de verbalisant om zijn identiteitsgegevens gaf verdachte een valse naam op. Uit onderzoek in de politiesystemen bleek het betreffende telefoonnummer in gebruik te zijn bij verdachte.

Verdachte is woonachtig in een woning van JP van den Bentstichting waarbij hij dagelijks wordt begeleid. Getuige (getuige), locatiecoördinator bij de JP van den Bentstichting, heeft (slachtoffer) op vrijdagavond 29 april 2011 tijdens een begeleidingsmoment bij verdachte ontmoet. Op zondagochtend 1 mei 2011 zag de getuige (getuige) een Twitter-bericht van de politie IJsselland dat (slachtoffer), 13 jaar, vermist was. De getuige legde de link met de (slachtoffer) die bij verdachte verbleef en nam daarom contact op met de dienstdoende begeleider van verdachte. Hij is naar het appartement van verdachte gegaan en heeft (slachtoffer) bij verdachte weggehaald en de politie gebeld.

De vader van (slachtoffer) heeft op 3 mei 2011 aangifte gedaan van het ontrekken van een minderjarige aan het ouderlijk gezag en hij verklaart daartoe onder meer:

“(…) Tussen vrijdag 29 april 2011 en zondag 1 mei 2011 werd op (adres) te Hardenberg het feit gepleegd. Ik ga aangifte doen namens mijn dochter (slachtoffer), geboren (geboortejaar) te Zwolle, wonend (adres) te Zwolle. Ik doe aangifte omdat mijn minderjarige dochter is weggelopen en een aantal nachten is verbleven zonder mijn toestemming bij een 33-jarige man.(…)”

Op donderdag 9 juni 2011 heeft (slachtoffer) een verklaring als slachtoffer afgelegd en zij heeft onder meer het volgende verklaard:

“(…) Die vrijdag hebben we elkaar voor het eerst ontmoet. (…) Hij stelde mij voor om mij op te komen halen uit Zwolle. (…) We hadden afgesproken op het station in Zwolle. (…) Ondertussen heb ik steeds rondgekeken of ik mijn vader zag aankomen. Ik zei ook tegen (naam) dat ik bang was dat mijn vader eraan zou komen en dat hij dan zou zien dat ik daar met een oude man zou staan. (…) Ik was om 17: 00 uur in Hardenberg. (…) Op een gegeven moment kwam er een mevrouw, zij was leiding. (…) (naam) zei toen nog wel dat ik moest zeggen dat ik 18 jaar oud was. Op het moment dat de leiding kwam heb ik gezegd dat ik 18 jaar was. (…)

We zijn laat naar bed gegaan. Ik was eerst bang dat hij in mijn slaap iets seksueels zou gaan doen. Ik heb dit ook tegen hem gezegd. (naam) zei toen dat hij niets zou doen en dat ik gewoon kon gaan slapen. We zijn toen in zijn eenpersoonsbed gaan liggen. Ik had een t-shirt en joggingbroek aan (…). (naam) had zijn onderbroek aan. (…) Ik kon eerst niet slapen, maar op een gegeven moment viel ik wel in slaap.(…)

(naam) wilde naar de stad omdat het Koninginnedag was. Ik wilde dat niet omdat ik bang was dat de politie mij zou zien omdat ze mijn kleding kenden. We hebben toen bedacht dat ik kleding van (naam) aan zou doen. Dit was een idee van (naam), maar ik vond dit ook goed. (…) Op een gegeven moment begon hij mij te zoenen in mijn nek. Ik zei dat ik dat niet wilde. (…) Op zondagmorgen lagen we nog in bed toen er op de deur werd geklopt. Er stond groepsleiding voor de deur. (…) Ik ben toen door de politie opgehaald. (…)“

Voorts heeft (slachtoffer) verklaard dat verdachte op die zaterdagavond van Koninginnedag na het zoenen in haar nek aan haar borsten heeft gevoeld.

Verdachte heeft bij de politie een verklaring afgelegd en onder meer het volgende verklaard:

“(…)We hebben toen met elkaar afgesproken. Zij zou op Koninginnedag bij mij komen. (…) We hadden afgesproken dat ze een weekend bij mij zou blijven. (…) (slachtoffer) heeft mij verteld dat zij 16 jaar was. (…) Toen ik haar aantrof op het station en zij heel zenuwachtig was en zei dat ze bang was voor haar vader omdat hij haar niet zou zien, toen had ik haar terug moeten brengen. (…) Ik had nooit een meisje van zestien jaar mee moeten nemen. (…)

In het gesprek met de politieman zei hij dat (slachtoffer) gezocht werd. (…) Ik kan mij niet meer herinneren welke naam ik heb gezegd maar ik weet nog wel dat ik gezegd heb dat ik niet uit Hardenberg kwam. (…) Ik wist inmiddels dat ze zestien jaar was en dat ze minderjarig was. (…) Ze heeft tegen de groepsleiding gezegd dat ze 18 jaar was. Dat had ik bedacht. Ik heb gezegd dat ze moest vertellen dat ze 18 jaar was en geen 16 jaar. (…) De politie vertelde mij aan de telefoon dat (slachtoffer) gezocht werd en dat ze van huis gelopen was. Ik kan me herinneren dat hij vertelde dat ze 13 jaar was. (…)

Daarnaast heeft verdachte verklaard dat (slachtoffer) op Koninginnedag een trainingsbroek van hem droeg, omdat zowel (slachtoffer) als verdachte bang waren dat (slachtoffer) in haar eigen kleding zou worden herkend. Voorts heeft verdachte bij de politie verklaard:

“(…) Ik heb haar alleen gezoend op haar wang en op haar mond. (…) Terwijl ze haar nachthemd aan had heb ik haar linkerborst aangeraakt. (…) Ik heb over haar linkerborst gestreken. (…) Dit was over haar kleding. (…)”

Bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij meent dat hij alleen de eerste avond de borst van (slachtoffer) heeft aangeraakt.

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat het mogelijk is dat het aanraken van de borst van (slachtoffer) op zaterdagavond 30 april 2011 heeft plaatsgehad.

De raadsman heeft betoogd dat verdachte – gelet op zijn gebrekkige ontwikkeling – zich niet bewust was van het ontuchtig karakter van zijn handelingen. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Zowel verdachte als (slachtoffer) verklaren dat het zoenen door verdachte van (slachtoffer) op zaterdagavond 30 april 2011 heeft plaatsgehad. Met betrekking tot het betasten van de borst van (slachtoffer) overweegt de rechtbank dat (slachtoffer) ten aanzien van het gebeuren op vrijdagavond 29 april 2011 vrij specifiek heeft verklaard dat zij bang was dat verdachte iets seksueels zou gaan doen, dat zij dit bespreekbaar heeft gemaakt en dat verdachte vervolgens zou hebben geantwoord dat zij daar niet bang voor hoefde te zijn. (slachtoffer) heeft daarbij verklaard dat ze zijn gaan slapen en dat zij maar moeilijk in slaap kon komen. Verdachte is in zijn verklaringen ten aanzien van die vrijdagavond 29 april 2011 veel minder specifiek en heeft ter terechtzitting verklaard dat het ook mogelijk is dat het betasten van de borst van (slachtoffer) op zaterdagavond 30 april 2011 heeft plaatsgehad. Gelet op de meer gedetailleerde verklaring van (slachtoffer) op dit onderdeel – die door verdachte op zichzelf genomen niet is bestreden – ziet de rechtbank geen grond de verklaring van (slachtoffer) op dit punt niet betrouwbaar te achten en gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte op zaterdagavond 30 april 2011 de borst van (slachtoffer) over haar kleding heen heeft betast.

De rechtbank ziet zich voorts gesteld voor de vraag of deze handelingen van verdachte een ontuchtig karakter hebben.

Verdachte verkeerde op het moment dat hij met (slachtoffer) had afgesproken in de veronderstelling dat zij 16 jaar was. Op zaterdag 30 april 2011 is verdachte in de loop van de ochtend telefonisch benaderd door de politie en tijdens dit gesprek is hem verteld dat (slachtoffer) 13 jaar was. Verdachte heeft in dit telefoongesprek met de verbalisant bewust verzwegen dat (slachtoffer) bij hem verbleef. Hij heeft zelfs een valse naam opgegeven bij de politie om te voorkomen dat (slachtoffer) bij hem zou worden weggehaald. De rechtbank is van oordeel dat verdachte vanaf dat moment in ieder geval doordrongen is geweest van het feit dat (slachtoffer) 13 jaar oud was en van huis was weggelopen. Verdachte heeft daarover nagedacht en heeft daar ook naar gehandeld. Zo heeft verdachte niet alleen een valse identiteit aan de politie opgegeven maar heeft hij (slachtoffer) die zaterdagmiddag vervolgens ook nog naar de braderie in Hardenberg meegenomen, waarbij zij zijn kleding aan had om herkenning te voorkomen.

Gelet op voornoemde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het ontuchtig karakter van het zoenen en ook van het betasten van de borst van (slachtoffer) op zaterdagavond 30 april 2011 duidelijk was voor verdachte.

Verdachte was zich na het telefoongesprek met de politie terdege bewust van het feit dat hij te maken had met een 13-jarig meisje, dat hij die dag welbewust heeft gezoend en bij wie hij de borst heeft betast. Daarnaast heeft verdachte wel stil gestaan bij de door (slachtoffer) zelf opgegeven leeftijd van 16 jaar en is hij daarover, blijkens zijn eigen verklaring daarover bij de politie, zelfs aan het twijfelen gebracht en kan voorts uit het feit dat hijzelf aan (slachtoffer) over zijn eigen leeftijd een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven worden afgeleid dat hij zich van het bestaande (aanzienlijke) verschil in leeftijd bewust is geweest. Hoewel enerzijds op grond van het verrichte persoonlijkheidsonderzoek aangenomen kan worden dat verdachte geestelijk functioneert op een niveau dat beduidend onder het niveau van iemand van zijn kalenderleeftijd ligt, kan er anderzijds niet aan voorbij gegaan worden dat uit het in de vorige en in deze alinea omschreven gedrag dat verdachte bij het plegen van de hem verweten handelingen heeft laten zien, blijkt dat hij zich van het ontoelaatbare daarvan - en daarmee voor wat betreft het onder 1 ten laste gelegde dan ook het ontuchtige karakter daarvan - bewust is geweest. In dat verband acht de rechtbank nog relevant dat hij in de loop van het verhoor bij de politie er blijk van heeft gegeven zich van een zekere seksuele moraal bewust te zijn toen hij – bevraagd op het punt of er al dan niet sprake is geweest van daadwerkelijke seks – onder andere het volgende heeft verklaard: “Ik wist dat ze zestien jaar was en ik ben niet gek om dan seks met iemand te hebben.”

Gelet op voornoemde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 en 2 ten laste gelegde.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 en 2 ten laste is gelegd, met dien verstande dat

1.

hij op 30 april 2011 in de gemeente Hardenberg, met (slachtoffer) (geboortejaar), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het

- zoenen/kussen op de wang en/of mond en/of de nek/hals van die (slachtoffer) en/of

- (terwijl die (slachtoffer) een nachthemd/t-shirt droeg) betasten/strelen van/over de borst van die (slachtoffer);

2.

hij in de periode van 29 april 2011 tot en met 1 mei 2011 in de gemeente(n) Hardenberg en/of Zwolle, opzettelijk een minderjarige te weten (slachtoffer) (geboortejaar) heeft onttrokken aan het wettig over haar gesteld gezag.

Van het onder 1 en 2 meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

DE STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Het bewezen verklaarde levert op:

1. met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen, strafbaar gesteld bij artikel 247 van het Wetboek van Strafrecht.

2. opzettelijk een minderjarige ontrekken aan het wettig over haar gestelde gezag, strafbaar gesteld bij artikel 279 van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Dit levert de genoemde strafbare feiten op.

DE STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er zijn ook geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is derhalve strafbaar.

OPLEGGING VAN STRAF EN/OF MAATREGEL

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van twee jaar met als voorwaarden:

- reclasseringstoezicht, ook als dat inhoudt huisbezoeken;

- meewerken aan een behandeling bij een Forensische ambulante behandelinstelling voor verstandelijk gehandicapten, zoals Trajectum of een soortgelijke instelling;

- meldingsplicht bij de reclassering, inhoudende het verschijnen op afspraken bij de reclassering, en zich aan de aanwijzingen van de reclassering houden;

- verblijven bij de JP van den Bentstichting te Hardenberg en zich houden aan hun aanwijzingen en programma, ook als dit inhoudt geen contact met meisjes onder de achttien jaar zonder toestemming van de JP van den Bentstichting.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde vrijspraak bepleit. Bij een bewezenverklaring verzoekt de raadsman rekening te houden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte. Verdachte heeft een blanco strafblad. De raadsman verzoekt de rechtbank bij een strafoplegging te volstaan met een geheel voorwaardelijke werkstraf met als bijzondere voorwaarden verplicht reclasseringscontact en de verplichting om de behandeling bij Trajectum te voltooien. Voorts verzoekt de raadsman het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend. De rechtbank heeft daarbij de geldende oriëntatiepunten van het Landelijk overleg van voorzitters van de strafsectoren van de gerechtshoven en de rechtbanken (LOVS) als uitgangspunt genomen.

Verdachte heeft een jong meisje via een chat-programma op de computer benaderd en vervolgens heeft hij contact met haar onderhouden. Op een gegeven moment heeft hij het meisje ontmoet. Hij was eerst in de veronderstelling dat zij 16 jaar was, terwijl hij zelf 32 jaar was. Dat leeftijdsverschil heeft verdachte er niet van weerhouden contact met haar te hebben, haar naar zijn woning te laten komen en haar daar te laten verblijven. Op de tweede dag van het verblijf van (slachtoffer) bij verdachte is hij telefonisch benaderd door de politie in welk gesprek hem is verteld dat de politie op zoek was naar een meisje (slachtoffer) en dat zij 13 jaar was. Ook na deze kennisneming heeft verdachte het meisje bij hem laten verblijven terwijl haar ouders niet wisten waar zij verbleef. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij door zijn handelen onder andere de ouders van het meisje grote zorgen heeft bezorgd. Tijdens het verblijf in zijn woning heeft verdachte ontuchtige handelingen gepleegd met het 13-jarige meisje. Hij heeft hiermee inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van zijn jonge slachtoffer.

Uit het psychologisch onderzoek komt naar voren dat verdachte functioneert op licht zwakzinnig intelligentieniveau met in het verlengde daarvan een forse sociaal-emotionele ontwikkelingsachterstand met narcistische en pervasieve trekken. Daarnaast heeft hij een sterke seksuele preoccupatie ontwikkeld. Verdachte is lijdende aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens welke aanwezig was ten tijde van de ten laste gelegde feiten. De gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens is ernstig genoeg om van beslissende invloed te zijn op het gedrag van verdachte, derhalve is het delict verdachte slechts in verminderde mate toe te rekenen. De rechtbank concludeert mede op grond van dit rapport dat de bewezen verklaarde feiten in verminderde mate aan hem kunnen worden toegerekend. De rechtbank acht verdachte in zoverre strafbaar.

De rechtbank heeft in het voordeel van verdachte er rekening mee gehouden dat uit het justitieel documentatieregister d.d. 4 juni 2012 blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf. De rechtbank is van oordeel dat de op te leggen straf de ernst van het bewezenverklaarde voldoende tot uitdrukking brengt en ook dat van die straf een voor verdachte – gezien zijn persoon – afdoende recidivebeperkende prikkel zal uit gaan.

Toepasselijke wetsartikelen

De beslissing berust, naast de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, op de artikelen 22c, 22d, 27, 57 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Ten aanzien van de tenlastelegging

Het onder 1 en 2 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het onder 1 en 2 meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank legt aan de verdachte op een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 120 uren.

De rechtbank beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 60 dagen hechtenis, althans een aantal dagen hechtenis dat evenredig is aan het niet verrichte aantal uren taakstraf.

De tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht wordt bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf in mindering gebracht, berekend naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag.

De taakstraf zal niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders zal gelasten omdat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of omdat de verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of omdat verdachte geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast wanneer verdachte gedurende een proeftijd van twee jaren de volgende bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Als bijzondere voorwaarden worden gesteld dat:

- de verdachte zich op eerste uitnodiging van de reclassering aldaar zal melden en zich vervolgens zal blijven melden zo frequent als reclassering dat gedurende de proeftijd nodig acht;

- de verdachte zich zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen van of namens de reclassering gedaan, zolang de reclassering of een door haar aan te wijzen andere reclasseringsinstelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt, met opdracht aan die instelling als bedoeld in artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht, ook als dat inhoudt het volgen van een ambulante behandeling bij Trajectum of een soortgelijke instelling;

- de verdachte zich op uitnodiging meldt bij de reclassering en zich daarna gedurende door de reclassering bepaalde perioden zal blijven melden zo frequent als de reclassering dat gedurende deze perioden nodig acht;

- de verdachte zal verblijven bij de JP van den Bentstichting en zal zich houden aan het (dag-) programma van deze voorziening in samenspraak met de reclassering.

Het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis wordt opgeheven.

Aldus gewezen door mr. L.J. Bosch, voorzitter mrs. G.A, Versteeg en H.H.J. Harmeijer, rechters, in tegenwoordigheid van W. van Goor als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 juli 2012.