Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BX1370

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
13-07-2012
Datum publicatie
13-07-2012
Zaaknummer
Awb 12/583
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2013:CA0639, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning in redelijkheid verleend aan camping in Vollenhove voor zwemvijver met strandje en bosstrook; beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht

Registratienummer: Awb 12/583

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[…] en […],

wonende te Vollenhove, eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland,

gevestigd te Steenwijk, verweerder,

en

de vennootschap onder firma,

Camping ’t Akkertien,

gevestigd te Vollenhove, vergunninghoudster,

gemachtigde: mr. R.H.M. Sipman.

Procesverloop

Bij besluit van 6 februari 2012 heeft verweerder aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor – kort gezegd – de uitbreiding van camping

’t Akkertien (hierna: de camping) en het (daarmee) afwijken van de geldende bestemmingsplannen. Eisers hebben tegen dit besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is ter zitting van 29 mei 2012 behandeld. Eisers zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door G.D. Klaren en E.S. Fijma. Vergunninghoudster heeft zich laten vertegenwoordigen door P. Spans, D.J. Spans en H. Spans, bijgestaan door de gemachtigde.

Voorgeschiedenis

Op 20 januari 2010 heeft verweerder aan vergunninghoudster vrijstelling verleend in de zin van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) ten aanzien van de bepalingen van het vigerende bestemmingsplan “Buitengebied Midden” en “Buitengebied Vollenhove” ten behoeve van het uitbreiden van de camping op de percelen kadastraal bekend gemeente Vollenhove, sectie K, nummers 544, gedeeltelijk 547, gedeeltelijk 667, en 545 plaatselijk bekend Noordwal 3 te Vollenhove.

Op 28 juni 2011 heeft verweerder – na een verzoek om handhaving van eisers – een last onder dwangsom opgelegd aan vergunninghoudster vanwege het, in strijd met de vrijstelling, niet aanwezig zijn van een beplantingsstrook van 50 meter breed en het aanleggen van een (zwem)vijver zonder omgevingsvergunning. Tegen deze last onder dwangsom is vergunninghoudster in bezwaar en beroep gekomen. Eisers hebben zich als derde partij in die procedure gevoegd.

Hangende de hiervoor genoemde last onder dwangsom-procedure heeft vergunninghoudster op 5 augustus 2011 een omgevingsvergunning aangevraagd voor de uitbreiding van de camping, waarna met toepassing van de uitgebreide voorbereidingsprocedure de besluitvorming zoals weergegeven onder procesverloop heeft plaatsgevonden.

Nadat de omgevingsvergunning aan vergunninghoudster is verleend, heeft verweerder de aan haar opgelegde last onder dwangsom ingetrokken omdat geen sprake meer is van (een) overtreding(en).

Overwegingen

1. Tussen partijen is in geschil of verweerder de omgevingsvergunning aan vergunninghoudster had mogen verlenen.

2. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Eisers zijn woonachtig op het adres […] te Vollenhove. Het woonperceel van eisers ligt aan de noordoostkant van de camping van vergunninghoudster en is het meest nabij gelegen woonhuis in de omgeving van de camping.

3. Ingevolge artikel 2.1, eerst lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is het, voor zover hier van belang, verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3, van de Wabo kan, voor zover hier van belang, een omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit in strijd is met het geldende bestemmingsplan en de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

4. Omdat aan het geldende bestemmingsplan “Buitengebied Midden” goedkeuring is onthouden voor zover sprake is van de bestemming verblijfsrecreatieve doeleinden, is ter plaatse van de uitbreiding van de camping de bestemming uit het bestemmingsplan “Buitengebied Vollenhove” van toepassing. Krachtens laatstgenoemd bestemmingsplan rust op het gebied van de uitbreiding de bestemming Agrarisch gebied met Landschappelijke waarden. De rechtbank stelt vast, zoals tussen partijen ook niet in geschil is, dat de uitbreiding van de camping in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan.

5. Ingevolge artikel 2.27, eerste lid, van de Wabo in samenhang met artikel 6.5, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht is een verklaring van geen bedenkingen (van in dit geval de gemeenteraad) vereist voor het afwijken van een bestemmingsplan. Volgens het derde lid van ditzelfde artikel kan de gemeenteraad categorieën van gevallen aanwijzen waarvoor geen verklaring van geen bedenkingen vereist is. Zoals ook in de verleende omgevingsvergunning is opgenomen, heeft in dit geval ten aanzien van de aangevraagde activiteiten de gemeenteraad van de gemeente Steenwijkerland aan verweerder overgelaten of voor het betrokken project van het geldende bestemmingsplan kan worden afgeweken.

6. Eisers hebben niet gesteld dat de uitbreiding van de camping op deze locatie op zich in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank ziet geen aanleiding daar anders over te oordelen.

7. De verleende omgevingsvergunning gaat vergezeld van een ruimtelijke onderbouwing met onder andere terreintekeningen, een bedrijfsnatuurplan, een watertoets en een welstandsadvies. Mede gelet op de inhoud van de hiervoor genoemde stukken, is de rechtbank van oordeel dat de verleende omgevingsvergunning een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

8. Uit het voorgaande vloeit voort dat de vraag ter beoordeling aan de rechtbank voorligt of verweerder in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen de omgevingsvergunning aan vergunninghoudster te verlenen.

9. Zoals ter zitting is komen vast te staan richt het beroep van eisers zich met name op de aanwezigheid van een zwemvijver met strandje en op de breedte van de bosstrook aan de noordoostzijde van de camping.

10. Aan eisers kan worden toegegeven dat – op grond van de reeds in 2010 verleende artikel 19 WRO vrijstelling – het niet aan vergunninghoudster was toegestaan een vijver aan te leggen op het uitbreidingsgedeelte van de camping. Los van de vraag of deze vijver in het verleden is gebruikt als zwemvijver, volgt uit de thans bestreden omgevingsvergunning en de daarbij behorende ruimtelijke onderbouwing dat het aan vergunninghoudster is vergund een visvijver of retentievijver aanwezig te hebben op het uitbreidingsgedeelte van de camping. Uit de ruimtelijke onderbouwing volgt niet dat sprake is van een zwemvijver en ook heeft vergunninghoudster ter zitting verklaard dat er geen sprake is van een zwemvijver. In de vijver is een bord geplaatst met de tekst ‘verboden te zwemmen’, aldus vergunninghoudster. De rechtbank ziet geen aanleiding aan het voorgaande te twijfelen. Voor zover het beroep van eisers zich richt tegen de vergunning van een zwemvijver, wordt het verworpen. Voor zover het beroep van eisers zich richt op het – in eisers woorden – strandje, overweegt de rechtbank dat volgens de ruimtelijke onderbouwing, zoals vergunninghoudster ook ter zitting heeft verklaard, slechts sprake is van (een) speeltoestel(len) op zand. Het zand dient ter valbescherming, aldus vergunninghoudster. Tussen partijen is niet in geschil dat het speelterrein op een afstand van ongeveer 100 meter van de woning van eisers ligt. Verweerder heeft onbestreden gesteld dat het daardoor buiten de van toepassing zijnde geluidszonering valt. Omdat eisers overigens geen bedenkingen hebben opgeworpen, heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt gesteld dat het speelterrein kan worden vergund.

Ter zitting heeft verweerder nog aangevoerd dat – indien de vergunde vijver in de toekomst toch gebruikt zal worden als zwemvijver – het op de weg van verweerder ligt om door middel van een handhavingsprocedure een strijdig gebruik te (doen) beëindigen.

Voor zover het beroep van eisers zich richt tegen de rententievijver of visvijver, zijn door hen geen omstandigheden opgeworpen die tot het oordeel kunnen leiden dat verweerder niet in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen de omgevingsvergunning te verlenen. Het betoog van eisers faalt.

11. Voorts richt het beroep van eisers zich op de breedte van de vergunde bosstrook aan de noordoostzijde van de camping. Ter zitting hebben eisers toegelicht dat volgens hen de bosstrook, in overeenstemming met de eerder aan vergunninghoudster verleende vrijstelling en overeenkomstig hetgeen verweerder tijdens de handhavingsprocedure vanwege het niet naleven van die vrijstelling heeft geproclameerd, 50 meter breed dient te zijn. De bosstrook dient ter voorkoming van geluidsoverlast van- en zicht op de camping, en volgens eisers wordt dat beter gewaarborgd indien de strook 50 meter breed is.

Uit de bij de omgevingsvergunning gevoegde ruimtelijke onderbouwing, de daarbij behorende tekeningen en hetgeen ter zitting is besproken, is de rechtbank gebleken dat een goede landschappelijke inpassing volgens verweerder een bosstrook met een minimale breedte van 6 meter vereist. De minimale breedte van de bosstrook aan de uiterst noordoostelijke zijde van de camping heeft verweerder beoordeeld aan de hand van een (geluids)hindercirkel met een straal van 50 meter – gemeten vanaf de woning van eisers – welke hindercirkel als minimale afstand in acht genomen dient te worden met betrekking tot verblijfsrecreatieve doeleinden. Zoals verweerder onbestreden heeft gesteld wordt met de nu vergunde bosstrook van ongeveer 25 meter breed in elk geval een afstand van meer dan 50 meter van de woning van eisers tot de dichtstbijzijnde chalets of- stacaravanplaatsen in acht genomen. Ter zitting heeft verweerder nog toegelicht dat hij het belang van vergunninghoudster, die zijn terrein zo efficiënt mogelijk wil gebruiken, heeft afgewogen tegen het belang van eisers om zicht- en geluidsoverlast van de camping tot een minimum te beperken. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid op het standpunt gesteld dat de bosstrook aan de uiterste noordoostelijke zijde van de camping op deze wijze vergund kon worden.

Dat verweerder tijdens de handhavingsprocedure heeft gesteld dat de bosstrook conform de op dat moment nog geldende vrijstelling 50 meter breed diende te zijn, doet daar niet aan af. Alhoewel aan eisers toegegeven kan worden dat verweerder, zoals deze zelf ter zitting ook heeft erkend, meer duidelijkheid had kunnen verschaffen over de consequenties van het eventueel verlenen van de tijdens de handhavingsprocedure aangevraagde omgevingsvergunning, leidt deze vaststelling er niet toe dat verweerder niet in redelijkheid de omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen. Overigens is het op zichzelf genomen juist dat op verweerder in beginsel een handhavingsplicht rust, tenzij concreet zicht is op legalisatie.

12. De omgevingsvergunning is verleend met toepassing van de openbare voorbereidingsprocedure. Na indiening van een zienswijze is de ruimtelijke onderbouwing aangepast. Eisers stelling dat verweerder niet serieus is ingegaan op hetgeen eisers tegen verlening van de omgevingsvergunning hebben opgeworpen, gaat daarom niet op.

13. Al met al heeft verweerder in redelijkheid de omgevingsvergunning aan vergunninghoudster kunnen verlenen. Het beroep is daarom ongegrond.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, rechter, en door hem en mr. P.A.M. Spreuwenberg als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

U kunt ook digitaal hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Kijk op www.raadvanstate.nl voor meer informatie over het indienen van digitaal beroep