Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BX1349

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
03-07-2012
Datum publicatie
13-07-2012
Zaaknummer
Awb 12/416
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering exploitatiebijdrage voor Genemuider Veer; gemeenteraad bevoegd; beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht

Registratienummer: Awb 12/416

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

Connexxion Water B.V.,

gevestigd te Alkmaar, eiseres,

gemachtigde: mr. M.Y.C.L. de Wit,

en

het college van burgemeester en wethouders van Zwartewaterland,

verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft per brief van 17 oktober 2011 geweigerd een door eiseres aangevraagde financiële tegemoetkoming te verlenen.

Het daartegen gemaakte bezwaar is bij het besluit van 3 januari 2012, verzonden op 19 januari 2012 niet-ontvankelijk verklaard. Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Het beroep is ter zitting van 29 mei 2012 behandeld. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.J. van Dijk, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Koffeman.

Overwegingen

1. Partijen zijn verdeeld over de vraag of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de beslissing van 17 oktober 2011 geen besluit is, in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), ten gevolge waarvan het bezwaar van eiseres

niet-ontvankelijk is verklaard.

2. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Tussen Genemuiden en Zwartsluis vaart een overzetveer (hierna: Genemuider Veer) over het Zwarte Water. De gemeente Zwartewaterland bezit het veerrecht daarvan. Verweerder heeft op 3 november 2006 een overeenkomst gesloten met eiseres, waardoor laatstgenoemde vanaf die datum de exploitant is van het Genemuider Veer. In de hiervoor genoemde overeenkomst is als artikel 13 opgenomen, voor zover hier van belang:

1. Indien zich structurele tekorten voordoen in de exploitatie, kan de veerexploitant een verzoek tot exploitatiebijdrage indienen bij de veergerechtigde.

(…)

4. Gedurende de periode tussen het ontvangen van het verzoek tot een exploitatiebijdrage en het nemen van het besluit, moet de veerexploitant de mogelijkheid worden geboden om zijn verzoek mondeling toe te lichten.

Per brief van 28 februari 2011 heeft eiseres aan verweerder verzocht om een exploitatiebijdrage aan haar te verlenen, vanwege structureel verliesgevende exploitatie. Nadat verweerder op 12 april 2011 schriftelijk heeft geweigerd de exploitatiebijdrage te verlenen, heeft eiseres haar verzoek per brief van 9 juni 2011 aangevuld. Hierna heeft op 19 september 2011 een gesprek plaatsgevonden tussen eiseres en verweerder. Vervolgens heeft de besluitvorming plaatsgevonden zoals hiervoor onder procesverloop is weergegeven.

3. Artikel 1:3, eerste lid, van de Awb bepaalt dat onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Ingevolge het tweede lid van ditzelfde artikel wordt onder beschikking verstaan: een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van de aanvraag daarvan.

4. Als eerste vraag ligt aan de rechtbank voor of de schriftelijke beslissing van 17 oktober 2011 een publiekrechtelijke rechtshandeling betreft. Hiervan is sprake indien het bestuursorgaan de bevoegdheid tot het nemen van die beslissing ontleent aan een speciaal voor het openbaar bestuur bij of krachtens de wet geschapen grondslag.

5. Artikel 1 van de Verenwet bepaalt dat voor het ondernemen van een overzetveer, geen voorafgaande vergunning of bekrachtiging van tarieven wordt gevorderd.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Verenwet zijn de provinciale staten bevoegd met betrekking tot door hen bepaald aan te duiden wateren of gedeelten daarvan bij verordening voor overzetveren voorschriften vast te stellen ter verzekering van de veiligheid van reizigers en goederen, ter oplegging van de verplichting tot bekendmaking van dienstregeling en tarief, tot het tegengaan van heffingen zonder of in strijd met een bekend gemaakt tarief, ter bepaling van de gevallen waarin van de dienstregeling en van het tarief kan worden afgeweken, en tot het treffen van verdere in het provinciaal belang nodig geoordeelde voorzieningen.

Artikel 4 van de Verenwet bepaalt dat met betrekking tot overzetveren gelegen in andere gebieden dan de ingevolge artikel 2 aangeduide wateren, de bevoegdheid tot regeling, omschreven in dat artikel, toe komt aan de raad van de gemeente, binnen welke het veer wordt uitgeoefend.

Ingevolge artikel 7 van de Verenwet wordt, voor zover hier van belang, onder veerrecht verstaan: het recht om, met uitsluiting van ieder ander, personen en goederen over te zetten

6. Ingevolge de Verenwet worden overzetveren dus ingedeeld in zogenoemde ‘vrije’ veren, waarvoor geen voorafgaande vergunning is vereist, en overzetveren die op grond van een (historisch) veerrecht worden uitgeoefend met uitsluiting van ieder ander. Los van de vraag of sprake is van de uitoefening van een veerrecht of van een ‘vrije’ veer, volgt uit de systematiek van de Verenwet dat de provinciale staten bevoegd zijn tot regeling van het in artikel 2 van deze wet bepaalde. Immers, in de memorie van toelichting bij de Verenwet (kamerstukken II 1917, 198, nr. 3) is in paragraaf 1 van hoofdstuk II opgenomen, voor zover hier van belang: “zeer waarschijnlijk heeft de omstandigheid, dat een veerrecht een monopolie verleent, bij de uitoefening waarvan de belangen van de gemeenschap in hooge mate betrokken zijn, invloed geoefend op het oude recht betreffende de veerrechten, en ongetwijfeld moet zij dat doen op de voorschriften dezer wet. De nadeelen, welke het niet of niet behoorlijk uitoefenen van veerrechten voor de gemeenschap met zich brengt, moeten zooveel doenlijk worden te keer gegaan. Tegenover het recht van de gerechtigde tot het veerrecht om ieder ander te beletten personen en goederen over te zetten moet zijne verplichting worden gesteld om het veer op behoorlijke wijze te bedienen en de nakoming dier verplichting moet op afdoende wijze verzekerd zijn, wil met het langer voorbestaan van dit monopolie van vervoer genoegen kunnen worden genomen.”

7. Gesteld noch gebleken is dat provinciale staten ten aanzien van het Genemuider veer van de bevoegdheid van artikel 2 van de Verenwet gebruik hebben gemaakt. Ter zitting heeft verweerder verklaard – zoals overigens ook in de memorie van toelichting van de tussen verweerder en eiseres gesloten overeenkomst is opgenomen – dat het Reglement Overzetveren Overijssel niet meer van kracht is. Hieruit vloeit voort dat het Genemuider veer gelegen is in een ander gebied dan de ingevolge artikel 2 van de Verenwet aangeduide wateren, zodat de gemeenteraad van de gemeente Zwartewaterland – binnen welke gemeente het Genemuider veer wordt uitgeoefend – bevoegd is tot regeling van het in artikel 2 van de Verenwet bepaalde. Omdat verweerder ter zitting heeft verklaard dat er geen delegatiebesluit is genomen op grond waarvan de gemeenteraad zijn bevoegdheid heeft overgedragen aan verweerder, is de rechtbank van oordeel dat slechts de gemeenteraad van de gemeente Zwartewaterland op grond van de Verenwet bevoegd is tot regeling van hetgeen in artikel 2 van de Verenwet is omschreven.

7. Klaarblijkelijk vervult het Genemuider veer een dermate belangrijke regionale functie dat verweerder – ter garantie dat het veer blijft varen, zoals ter zitting door hem is verklaard – in de tussen hem en eiseres gesloten overeenkomst een bepaling als artikel 13 heeft opgenomen, waarin de mogelijkheid voor eiseres wordt gecreëerd om een exploitatiebijdrage van de gemeente Zwartewaterland te vragen voor het geval dat sprake is van structurele verliezen in de exploitatie van de overzetveer.

Aldus is een voorziening getroffen zoals bedoeld in artikel 2, laatste zin, van de Verenwet, zodat de rechtbank van oordeel is dat de brief van 17 oktober 2011 een schriftelijke beslissing is, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling, ten gevolge waarvan het een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

8. De stelling van verweerder dat het besluit van 17 oktober 2011 dient te worden aangemerkt als een blote herhaling van zijn eerdere brief van 12 april 2011 – waartegen eiseres geen bezwaar heeft ingediend – wordt door de rechtbank verworpen. Immers, zoals volgt uit het vierde lid van artikel 13 van de overeenkomst moet, gedurende de periode tussen de ontvangst van het verzoek tot een exploitatiebijdrage en het nemen van een besluit, aan eiseres de mogelijkheid worden geboden om haar verzoek mondeling toe te lichten. Gelet op het feit dat na de aanvraag om een exploitatiebijdrage pas op 19 september 2011 het hiervoor bedoelde gesprek heeft plaatsgevonden, terwijl overigens in de afwijzende brief van 12 april 2011 geen rechtsmiddelenverwijzing staat, heeft eiseres er op mogen vertrouwen dat verweerder conform de overeenkomst eerst op 17 oktober 2011 het formele besluit tot afwijzing van het verzoek om een exploitatiebijdrage heeft genomen.

9. Ten onrechte heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de beslissing van 17 oktober 2011 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb, zodat verweerder ten onrechte het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep is daarom gegrond. Het bestreden besluit zal worden vernietigd.

10. Uit hetgeen de rechtbank hiervoor onder 7. heeft overwogen vloeit voort dat, bij gebreke van een delegatiebesluit, slechts de gemeenteraad kan beslissen op de aanvraag om een exploitatiebijdrage. Verweerder heeft daarom in strijd met zijn bevoegdheid een besluit genomen, zodat ook op deze grond de bestreden beslissing dient te worden vernietigd. De rechtbank wijst verweerder er op dat hij een nieuw besluit dient te nemen op bezwaar, met inachtneming van deze uitspraak.

11. Verweerder zal worden veroordeeld in de proceskosten zoals bedoeld in artikel 8:75 van de Awb. Deze kosten worden begroot op € 874,00 (1 punt voor het beroepschrift + 1 punt voor het verschijnen ter zitting x wegingsfactor 1 x € 437,00 per punt). Tevens dient verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 310,00 aan haar te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank

?verklaart het beroep gegrond;

?vernietigt het bestreden besluit;

?draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op bezwaar, met inachtneming van deze uitspraak;

?veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 874,00 te betalen aan eiseres;

?draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 310,00 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, rechter, en door hem en mr. P.A.M. Spreuwenberg als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

U kunt ook digitaal hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Kijk op www.raadvanstate.nl voor meer informatie over het indienen van digitaal beroep.