Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BX1222

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
27-06-2012
Datum publicatie
11-09-2012
Zaaknummer
96673 - HZ ZA 04-596
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Lang slepende zaak over bestuurdersaansprakelijkheid en garantieverklaringen. Zaak heeft stil gelegen in verband met onderzoek door ondernemingskamer. Rechtbank volgt oordeel ondernemingskamer dat sprake was van wanbeleid niet en acht deskundigenbericht noodzakelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2012/249
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

Locatie Zwolle

zaaknummer / rolnummer: 96673 / HZ ZA 04-596

Vonnis van 27 juni 2012

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MEEPO HOLDING B.V.,

gevestigd te Zwolle,

2. MR. DINGENIS MEULENBERG,

kantoorhoudende te Zwolle,

in zijn hoedanigheid van curator in de faillissementen van:

- de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MEEPO BEHEER B.V.,

- de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

URSUS UTILITIES B.V., voorheen MEEPO FABRICAGE B.V.,

- de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

URSUS ATMOTECH B.V., voorheen MEEPO MONTAGE B.V.,

- de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

REGENT-ECO B.V.,

alle statutair gevestigd te Zwolle,

eisers,

advocaat mr. J.A. Voerman te Amsterdam,

tegen

1. [A],

wonende te [plaats],

gedaagde,

advocaat mr. R.K.E. Buysrogge te Zwolle,

2. [B],

wonende te [plaats],

gedaagde,

advocaat mr. C. Borstlap te Zwolle.

In het hierna volgende zullen eisers als Meepo worden aangeduid dan wel afzonderlijk als de Holding onderscheidenlijk de curator. Gedaagden worden als [A] en [B] aangeduid. De vennootschappen in welker faillissement de curator optreedt, zullen onderscheidenlijk als Beheer, Fabricage, Montage en Regent-Eco of, gezamenlijk, als de dochtervennootschappen worden aangeduid.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 4 februari 2009

- de akte houdende uitlating voortgang enquêteprocedure van Meepo van 16 september 2009

- de akte tot referte van [A] van 30 september 2009

- de akte tot referte van [B] van 30 september 2009.

1.2. Vervolgens is de zaak naar de parkeerrol verwezen in afwachting van de procedure bij de ondernemingskamer.

1.3. Daarna zijn de volgende processtukken gewisseld:

- de akte uitlating voortzetting procedure tevens akte overlegging producties en verzoek tot het houden van een comparitie van Meepo van 26 oktober 2011

- de antwoordakte van [B] van 7 december 2011

- de antwoordakte van [A] van 7 december 2011.

1.4. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

De verdere beoordeling

2.1. De rechtbank heeft in haar tussenvonnis van 4 februari 2009 overwogen dat door het rapport van PricewaterhouseCoopers Corporate Finance & Recovery N.V. (hierna: PWC) van 3 maart 2004 op zijn minst aannemelijk is dat er in de administratie van Meepo en/of een of meer van haar dochtermaatschappijen onregelmatigheden hebben plaatsgevonden, hetgeen door [A] en [B] ook niet is bestreden. Of [A] en [B] daar zelf bij betrokken zijn geweest en, zo nee, of er dan onregelmatigheden hebben plaatsgevonden in zodanige mate en/of op zodanige wijze dat de bestuurders daarvan een ernstig verwijt kan worden gemaakt, kon de rechtbank op grond van de vaststaande feiten nog niet vaststellen.

De rechtbank achtte het noodzakelijk om het verslag van het onderzoek van de door de ondernemingskamer benoemde deskundigen C.M. Kroes RA en mr. H.F. Doeleman af te wachten. Omdat de Holding geen (aanvullende) fondsen ter beschikking heeft gesteld, is het onderzoek van genoemde deskundigen op 21 januari 2011 zonder rapportage beëindigd.

2.2. Vervolgens heeft de ondernemingskamer bij beschikking van 13 juli 2011 geconcludeerd - samengevat - dat het bestuur van Meepo in strijd heeft gehandeld met elementaire beginselen van verantwoord ondernemerschap en dat in zoverre - in ieder geval in de jaren 2000 en 2001 - sprake was van wanbeleid, welk wanbeleid per 17 juli 2001 is geëindigd. De ondernemingskamer acht aannemelijk dat de tot het wanbeleid leidende handelingen niet door [C] zijn verricht, maar houdt [B] en [A] hiervoor verantwoordelijk, waarbij de ondernemingskamer aannemelijk acht dat [A] aan een en ander beduidend meer deel heeft gehad dan [B].

2.3. Meepo heeft de hiervoor vermelde beschikking (met twee andere beschikkingen van de ondernemingskamer) bij haar laatste akte overgelegd en op hoofdlijnen weergegeven wat deze beschikking inhield. Vervolgens heeft zij verzocht een regiezitting/comparitie van partijen te gelasten. Tot welke gevolgen de inhoud van de overgelegde productie(s) volgens haar zou moeten leiden, heeft zij in haar akte niet toegelicht, terwijl anderzijds [A] en [B] daarop wel uitgebreid inhoudelijk hebben gereageerd. Mogelijk heeft Meepo gemeend hiertoe op een comparitie van partijen in staat te worden gesteld, doch op hierna te vermelden gronden acht de rechtbank het thans niet opportuun een dergelijke comparitie te gelasten. Het had niettemin hoe dan ook op de weg van Meepo gelegen om haar standpunt aangaande de overgelegde producties in haar akte toe te lichten. De rechtbank concludeert uit de omstandigheid dat Meepo de inhoud van de beschikking heeft weergegeven en geciteerd, mede in het licht van haar eerder ingenomen standpunt, dat zij de inhoud ervan onderschrijft en als onderbouwing ziet van door haar - kennelijk - gehandhaafde stellingen.

[A] heeft in zijn antwoordakte aangegeven niet aansprakelijk te kunnen worden gehouden voor een gebrekkige administratie. De handelingen zijn na overdracht van de aandelen verricht. PWC heeft slechts gedeelten van de - door Meepo aangeleverde - administratie van Meepo ontvangen. Inmiddels is de administratie niet meer beschikbaar voor onderzoek. Voorts heeft [A] gesteld dat hij eind 2007 in het bezit is gekomen van een aantal moederbanden/back-ups van de administratie van Meepo. Omdat het aanvullende onderzoek van de ondernemingskamer is beëindigd, heeft hij zelf een onderzoek laten doen door AF&T Invest. Het rapport van P.G. Kelderman van AF&T Invest van 23 november 2011 is getiteld:

“Rapport inzake administratie onderzoek van Meepo Montage B.V. en Meepo Fabricage B.V. over de periode 1 januari 2001 t/m 4 juli 2001 aan de hand van een back-up van 4 juli 2001 van de administraties van de gehele Meepo groep”.

Omdat Meepo nog niet op dit rapport heeft kunnen reageren, zal de rechtbank op dit rapport nu nog geen acht kunnen slaan.

[B] heeft in zijn antwoordakte gesteld dat de door de rechtbank in haar tussenvonnis van 4 februari 2009 geformuleerde vragen onbeantwoord zijn gebleven. Verder mag aan de beschikkingen van de ondernemingskamer geen doorslaggevende betekenis worden toegekend, en deugt de beschikking van 13 juli 2011 niet.

Bestuurdersaansprakelijkheid?

2.4. Aan de orde is nog steeds de vraag of [A] en [B] als (voormalig) bestuurders van Meepo aansprakelijk zijn jegens Meepo voor geleden schade wegens onbehoorlijke taakvervulling. Voor aansprakelijkheid op de voet van artikel 2:9 BW is vereist dat aan de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt van de tekortkoming, hetgeen dient te worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval (HR 10 januari 1997, NJ 1997, 360). Op Meepo rust de stelplicht en de bewijslast terzake.

Volgens vaste rechtspraak kan aan de beschikkingen van de ondernemingskamer geen directe betekenis worden toegekend voor de rechtsverhouding tussen partijen in een civiele procedure. Uit de beschikkingen van de ondernemingskamer volgt derhalve niet noodzakelijkerwijs dat [A] en [B] jegens Meepo aansprakelijk zijn. De rechtbank zal zelf een oordeel dienen te vellen over de vraag of [A] en [B] hun bestuurstaak onbehoorlijk hebben vervuld, waarbij onderhavige enquêteprocedure wel een rol kan spelen.

2.5. De rechtbank ziet geen aanleiding om het oordeel van de ondernemingskamer dat van wanbeleid sprake is over te nemen. Daarvoor is het volgende redengevend.

2.5.1. De ondernemingskamer heeft in de beschikking van 24 juni 2005 overwogen dat de bevindingen van PWC gegronde redenen opleveren aan een juist beleid van Meepo gedurende de periode van 1 januari 1998 tot en met 17 juli 2001 te twijfelen. De ondernemingskamer heeft een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van Meepo over de genoemde periode bevolen, in het bijzonder naar de financiële administratie, het debiteurenbeleid en de besluiten tot het vaststellen van de jaarrekeningen en tot decharge van het bestuur. De onderzoeker mocht ook vaststellen wie voor mogelijk te constateren wanbeleid verantwoordelijk is te houden. Vervolgens heeft de daartoe benoemde deskundige T. Hotsma RA gerapporteerd op 5 december 2005.

2.5.2. Bij beschikking van 19 juni 2006 heeft de ondernemingskamer geoordeeld dat het onderzoek van Hotsma in het licht van het debat dat na het rapport tussen partijen heeft plaatsgevonden onvoldoende grondslag biedt om te kunnen vaststellen of sprake is van onjuist (financieel) beleid van Meepo, en zo ja, van wanneer dat beleid dateert en wie daarvoor verantwoordelijk is. Zij heeft een aanvullend onderzoek bevolen dat in het bijzonder moest strekken tot het verkrijgen van inzicht in de oorzaken voor de sterke daling van de bankontvangsten onderscheidenlijk de sterke stijging van de saldi afgeboekte handelsvorderingen in 2001. De onderzoeker diende een opstelling te vervaardigen van het specifieke verloop van de gefactureerde omzet, de bankontvangsten, het debiteurensaldo en de afboekingen van handelsvorderingen in de eerste helft van 2001 (tot en met 17 juli 2001, de datum van verkoop van de aandelen van [A] aan KDB) enerzijds en de tweede helft van het boekjaar anderzijds. Hij mocht als daarvoor aanleiding was ook de jaren 1998 tot en met 2000 en de eerste helft van 2002 onderzoeken. Ten slotte mocht hij bij geconstateerde onregelmatigheden een standpunt geven wie daarvoor verantwoordelijk is te houden.

2.5.3. Vervolgens heeft mr. A.R.Ph. Boddaert op 19 november 2006 gerapporteerd.

Ondanks de opdracht daartoe heeft hij niet de door de ondernemingskamer genoemde opstelling gemaakt, daaraan toevoegend dat hem niet relevant voorkomt of handelsvorderingen voor of na 17 juli 2001 zijn afgeboekt, omdat de afboekingen geschiedden omdat de vorderingen ten onrechte als volwaardig in de boeken stonden vermeld. Boddaert heeft dit niet nader toegelicht.

Voorts heeft hij geen cijfermatig onderzoek gedaan, terwijl daarvoor zijn specifieke deskundigheid was ingeroepen, maar daarentegen wel verklaringen van de verschillende betrokkenen gewogen, zonder daarbij objectieve maatstaven te hanteren.

Zo bagatelliseert hij de ziekteperiodes van [D], kennelijk alleen omdat [E] verklaard heeft dat [D] tijdens zijn ziekteperiode de noodzakelijke administratieve werkzaamheden thuis verrichtte. Verder concludeert hij aan de hand van verklaringen van [C] en [E] dat (in tegenstelling tot wat de ondernemingskamer in haar beschikking van 19 juni 2006 als vaststaand had aangenomen) [C] pas in de tweede helft van 2001 door [D] is geïnstrueerd over de administratie, hetgeen [B] heeft bevestigd. Op welke grond Boddaert meent dat de verklaringen van [C], [E] en [B] geloofwaardiger zijn dan die van [D], licht hij niet toe.

Ten slotte concludeert Boddaert dat de verantwoordelijkheid voor de onregelmatigheden feitelijk berust bij [D], maar juridisch bij [A]. Zijn argumentatie is dat hij het volstrekt onaannemelijk acht dat [D] de manipulaties in de boekhouding heeft verricht zonder overleg met zijn schoonvader [A]. Hij laat na deze redenering verder handen en voeten te geven.

De rechtbank is van oordeel dat aan deze rapportage in onderhavig civielrechtelijke geschil geen waarde kan worden gehecht, omdat deze niet aan de minimaal daartoe te stellen motiveringsvereisten voldoet en Boddaert bovendien niet datgene heeft gedaan wat hem was opgedragen.

2.5.4. Op 26 juni 2007 heeft de ondernemingskamer andermaal een aanvullend onderzoek bevolen. Volgens de ondernemingskamer vormen de rapporten van PWC, Hotsma en Boddaert voldoende grondslag om te kunnen constateren dat sprake is van onjuist (financieel) beleid van Meepo. De verslagen van Hotsma en Boddaert bieden echter, aldus de ondernemingskamer, onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen vaststellen vanaf wanneer dit onjuiste beleid dateert en - in samenhang daarmee - welke persoon of personen daarvoor verantwoordelijk gehouden moeten worden.

2.6. Zoals in rechtsoverweging 2.1 is overwogen hebben de onderzoekers Kroes en Doeleman wel een start gemaakt met het onderzoek, maar omdat de Holding niet in staat was de aanvullende onderzoekskosten te betalen is het aanvullende onderzoek op 21 januari 2011 zonder rapportage beëindigd. Ondanks haar eerdere oordeel dat er onvoldoende aanknopingspunten waren om vast te stellen wie verantwoordelijk diende te worden gehouden voor het onjuiste (financieel) beleid, komt de ondernemingskamer - zonder nieuwe aanknopingspunten - in de beschikking van 13 juli 2011 tot het oordeel dat [A], en [B] in mindere mate, verantwoordelijk zijn.

Anders dan de ondernemingskamer, die op grond van aannemelijkheden beslissingen neemt, heeft de rechtbank in een civiele bodemprocedure uit te gaan van de op de voet van het burgerlijk procesrecht vast te stellen feiten. Bovendien zijn in geval van bewijslevering door middel van een deskundigenbericht, bij uitblijven van zulk een bericht, op grond van de ‘non liquet-regel’ de nadelige gevolgen hiervan voor degene die terzake de bewijslast heeft en het daarbij behorende risico. Omdat de ondernemingskamer niet dezelfde maatstaven en processuele regels tot uitgangspunt heeft genomen als die voor de rechtbank gelden, ziet de rechtbank geen aanleiding de beslissing van de ondernemingskamer aan haar oordeel ten grondslag te leggen.

2.7. Omdat Kroes en Doeleman niet hebben gerapporteerd is de situatie ten opzichte van die ten tijde van het tussenvonnis onveranderd. Op dit moment is nog steeds ongewis of [A] en/of [B] zelf betrokken zijn geweest bij onregelmatigheden in de administratie en, zo nee, of er onregelmatigheden hebben plaatsgevonden in zodanige mate en/of op zodanige wijze dat de bestuurders daarvan een ernstig verwijt kan worden gemaakt. In dat verband is van belang dat nog steeds onduidelijkheid bestaat over onder meer de vragen:

- per wanneer [C] precies actief werd (in de administratie). Immers, hoewel de ondernemingskamer er uiteindelijk vanuit is gegaan dat [C] niet voor augustus 2001 met [D] over de financiële administratie heeft gesproken, staat dat in deze procedure – gelet op de stellingen over en weer – niet vast;

- per wanneer [A] feitelijk zijn werkzaamheden/betrokkenheid bij Meepo heeft stopgezet;

- of alleen [D] toegang had tot de administratie waar het in deze zaak om gaat dan wel of andere personen ook boekingen in de administratie hebben kunnen doen, en gedurende welke periode die mogelijkheid heeft bestaan;

- wanneer de afboekingen precies hebben plaatsgevonden. PWC schrijft in haar rapport dat in de periode 1998-2001 betalingen zijn gebruikt voor het afboeken van andere debiteuren. Onder meer een betaling door Hatch Tech van 25 december 1998 is gedeeltelijk (voor een bedrag van f. 13.577,50) aangewend om handelsvorderingen van andere debiteuren af te boeken. Anderzijds hebben er ook opmerkelijke boekingen plaatsgevonden na overdracht van de aandelen op 17 juli 2001. Afhankelijk van wanneer precies onregelmatigheden hebben plaatsgevonden, komen andere personen als mogelijke veroorzaker in aanmerking. Daarbij is voorts relevant dat administrateur [D] na 17 juli 2001 in dienst is gebleven, maar in 2001 zeer frequent vanwege ziekte afwezig is geweest.

Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat Gibo Accountants, de toenmalige accountant van Meepo, niets vreemds heeft gemerkt en het due diligence onderzoek door PWC voorafgaande aan de overname geen onregelmatigheden aan het licht heeft gebracht. Ten slotte is van belang dat de moederbanden die zijn ‘opgedoken’ andere informatie schijnen te bevatten dan de stukken die PWC heeft ontvangen van [C].

2.8. De rechtbank acht het voorshands nodig een deskundigenbericht in te winnen.

De door de rechtbank te benoemen deskundige zal, met een kritische blik voortbouwend op de deskundigenrapporten die in deze procedure zijn ingebracht, wederom de administratie van Meepo aan een grondig onderzoek dienen te onderwerpen en – zo mogelijk – antwoord moeten geven op de vraag welke relevante onregelmatigheden in de administratie van Meepo aan te wijzen zijn, wanneer deze hebben plaatsgevonden en wie deze onregelmatigheden al dan niet in samenspraak met een ander of anderen heeft verricht.

De rechtbank gaat ervan uit dat de gehele administratie van Meepo nog beschikbaar is, en dat ook de door [A] genoemde back-ups bij het onderzoek zullen worden betrokken.

De deskundige zal tevens het rapport van AF&T bij zijn onderzoek dienen te betrekken. Weliswaar heeft Meepo daarop in deze procedure nog niet gereageerd, maar aangezien de deskundige alle partijen de kans dient te bieden opmerkingen te maken, is Meepo alsdan in de gelegenheid desgewenst haar kanttekeningen bij het AF&T-rapport te plaatsen en kan op deze wijze in wederhoor worden voorzien.

2.9. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt van de wet, dat het voorschot op de kosten van de deskundige(n) in beginsel door de eisende partij moet worden gedeponeerd. Dit voorschot zal daarom door Meepo moeten worden betaald. Voordat de rechtbank ertoe overgaat een deskundige te benoemen, zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen zich bij akte hierover uit te laten, dit mede in het licht van de omstandigheid dat de Holding eerder niet in staat was het onderzoek van Kroes en Doeleman te betalen.

2.10. De rechtbank benadrukt dat, indien om welke reden dan ook het uitbrengen van een deskundigenbericht achterwege blijft, niet komt vast te staan dat [A] en [B] hun bestuurstaak onbehoorlijk hebben vervuld, zodat in dat geval de vordering van Meepo voor zover deze is gebaseerd op bestuurdersaansprakelijkheid zal worden afgewezen.

2.11. Partijen zullen zich voorts bij akte dienen uit te laten over het aantal en het specialisme van de te benoemen deskundige(n), de persoon van de deskundige(n) en over de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen. Partijen wordt in overweging gegeven hierover met de wederpartij in overleg te treden, waarna zij de rechtbank het resultaat daarvan bij akte dienen te laten weten. Indien partijen niet tot overeenstemming komen, dienen zij dit de rechtbank te berichten, waarbij zij dienen aan te geven over welke deskundige(n) zij het eens zijn, dan wel tegen wie zij gemotiveerd bezwaar hebben.

Daarnaast dienen zij ook een voorstel te doen over de vraagstelling.

Garantieverklaringen

2.12. Meepo heeft zich voorts op schending van garantieverklaringen beroepen, waartegen [B] en [A] verweer hebben gevoerd. Hierover heeft evenwel geen uitvoerig debat plaatsgevonden.

2.13. Bijlage 5 bij de “overname overeenkomst door middel van aandelenoverdracht van aandelen in Meepo Holding B.V. van 17 juli 2001” bevat de garantieverklaringen waarop Meepo een beroep doet. Artikel 2.18 ziet, kort gezegd, op de juistheid van boeken en bescheiden van Meepo, artikel 3.1 op de juistheid en rechtmatigheid van de jaarrekening en artikel 8 op de courantheid van de vorderingen die uit de jaarrekening blijken.

2.14. In de overnameovereenkomst zelf staat in artikel 7 onder het kopje “Garantieverklaringen” het volgende, voor zover relevant:

7.1 Verkoper (lees: [A]) en de heer [B] garanderen ieder afzonderlijk jegens Koper ([E] Beheer B.V.) dat de verklaringen zoals opgenomen in Bijlage 5 op Overdrachtsdatum juist, volledig en niet misleidend zijn. (...)

7.2 In geval van schending van de Garantieverklaringen (…) zal ter vrije keuze van Koper (i) Verkoper en de heer [B] ieder bij helfte alle hieruit voortvloeiende schade vergoeden danwel (ii) Verkoper en de heer [B] ieder bij helfte, de Vennootschap en/of de Deelnemingen in een positie brengen als waarin zij zou zijn geweest indien de Garantieverklaringen wel juist volledig, en niet misleidend zouden zijn geweest, onverminderd eventuele overige rechten die aan Koper en/of de Vennootschap en/of de Deelnemingen mochten toekomen vanwege zulke schending.(…)

7.4 Aan artikel 3 en 4 van de Garantieverklaringen kunnen geen rechten worden ontleend, indien de kennisgeving van de schending van de desbetreffende Garantieverklaringen niet uiterlijk 30 april 2002 per aangetekende brief aan Verkoper en/of de heer [B] is verzonden. (...)

7.5 De beperking van de aansprakelijkheid zoals genoemd in artikel 7.4 is echter niet van toepassing indien de schending van de desbetreffende Garantieverklaring ten tijde van de overdracht van de aandelen aan Verkoper en/of de heer [B] bekend was of had kunnen of moeten zijn. (...)

7.7 De in dit artikel en in bijlage 5 bedoelde garantieverklaringen worden mede gegeven ten behoeve van de Vennootschap. (...)

2.15. Nu met de “Vennootschap” in artikel 7.7 de Holding is bedoeld, kan van Meepo alleen de Holding een beroep doen op deze garantieverklaringen. De curator kan deze niet inroepen ten behoeve van de dochtermaatschappijen.

2.16. Meepo heeft gesteld dat de vervaltermijn op grond van de tekst van artikel 7.4 niet ten nadele van de Holding geldt. Verder heeft [B] betoogd dat de vervaltermijn geldt voor elke schending van een garantieverplichting, dus ook voor schending van de garantieverklaringen 2.18 en 8.

2.17. De rechtbank stelt voorop dat het voor het antwoord op de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding tussen partijen is geregeld aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, waarbij van belang kan zijn tot welke maatschappelijk kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht; vgl. HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635 (Haviltex). Daarbij zijn telkens van beslissende betekenis alle concrete omstandigheden van het geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. Dit betekent onder meer dat de uitleg van een schriftelijk contract niet dient plaats te vinden op grond van alleen maar de taalkundige betekenis van de bewoordingen waarin het is gesteld. In praktisch opzicht is de taalkundige betekenis die deze bewoordingen, gelezen in de context van dat geschrift als geheel, in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben, bij de uitleg van dat geschrift echter vaak wel van groot belang (vgl. HR 20 februari 2004, NJ 2005, 493). Voor een taalkundige/grammaticale uitleg bestaat eerder aanleiding indien het een zuiver commerciële transactie betreft tussen professionele partijen (HR 19 januari 2007, NJ 2007, 575 en HR 29 juni 2007, NJ 2007, 576).

2.18. Naar het oordeel van de rechtbank is in dezen sprake van een zuiver commerciële transactie tussen professionele partijen en brengt vooromschreven taalkundige/grammaticale uitleg met zich dat artikel 7.4 niet anders kan worden gelezen dan dat deze ook ten nadele van de koper, of (via artikel 7.7) van de Holding geldt. Niet in geschil is dat de Holding de kennisgeving niet tijdig heeft verzonden. In zoverre kan een beroep van de Holding op garantieverklaring 3.1 niet slagen. Echter, zulks is anders indien komt vast te staan dat deze schending ten tijde van de overdracht van de aandelen bij [A] en/of [B] bekend was of in redelijkheid bekend had kunnen zijn, zoals artikel 7.5 bepaalt. Tot dusverre staat dit niet vast.

2.19. De rechtbank acht termen aanwezig om een oordeel hierover aan te houden totdat het deskundigenbericht als bedoeld in rechtsoverwegingen 2.8. e.v. heeft plaatsgevonden. De te benoemen deskundige zal in zijn onderzoek mede kunnen betrekken de vraag naar de juistheid en rechtmatigheid van de jaarrekening. Indien op grond van het deskundigenbericht komt vast te staan dat de jaarrekening aanmerkelijke gebreken vertoont en dit bij [A] en/of [B] bekend was, of had kunnen of moeten zijn, is daarmee de schending van de garantieverklaring gegeven en blijft de vervaltermijn buiten toepassing.

2.20. Dat de vervaltermijn uit artikel 7.4 ook zou gelden voor de andere twee garantieverklaringen waarop Meepo zich heeft beroepen, zoals [B] heeft betoogd, kan de rechtbank gelet op de specifieke bewoordingen ervan niet volgen, zodat de rechtbank vaststelt dat de vervaltermijn niet geldt voor de garantieverklaringen 2.18 en 8. Aan de deskundige kan een oordeel worden gevraagd over de juistheid van de boeken en bescheiden als bedoeld in garantieverklaring 2.18, alsmede de courantheid van de vorderingen als bedoeld in garantieverklaring 8.

2.21. [A] heeft nog aangevoerd dat de wijzigingen in de administratie van na de overdracht van de aandelen dateren. De rechtbank zal een beslissing hierover eveneens aanhouden tot na het deskundigenbericht, aangezien dit verweer in het deskundigenbericht aan de orde kan worden gesteld.

2.22. De rechtbank wijst er ten slotte op dat op de Holding overeenkomstig de hoofdregel van artikel 150 Rv de bewijslast, en daarmee het bewijsrisico, rust terzake schending van de garantieverklaringen en de bekendheid als bedoeld in rechtsoverweging 2.18. Mocht bewijs daarvan uitblijven, dan zal dit moeten leiden tot afwijzing van de vorderingen voor zover gegrond op schending van de garantieverklaringen.

2.23. Mocht wel komen vast te staan dat de garantieverklaringen zijn geschonden, dan dienen [A] en [B] ieder voor de helft (overeenkomstig artikel 7.2 van de overnameovereenkomst) de hieruit voor de Holding voortvloeiende schade te voldoen. De rechtbank tekent daarbij aan dat, zoals ook [B] terecht heeft betoogd, een ondergeschikte fout daaronder niet begrepen kan zijn.

Geen comparitie

2.24. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, bestaat naar oordeel van de rechtbank geen aanleiding op dit moment een comparitie van partijen te gelasten. De in rechtsoverwegingen 2.9 en 2.11 opgeworpen vragen kunnen bij akte worden beantwoord. Ook voor de overige, verwante, procedures geldt dat een comparitie op dit moment niet is aangewezen. De gevoegde procedure met rolnummer 117915/06-264, alsmede de procedure met rolnummer 140942/08-80 (waarin Meepo overigens geen partij is) staan op de parkeerrol in afwachting van een uitspraak in deze zaak. De zaak met rolnummer 117560/06-2012, waarin alleen nog maar een dagvaarding is uitgebracht, staat eveneens op de parkeerrol in afwachting van de enquêteprocedure.

Geen reconventionele eis

2.25. In zijn antwoordakte van 7 december 2011 heeft [A] een reconventionele vordering geformuleerd. Hij heeft deze vordering echter niet overeenkomstig artikel 137 Rv dadelijk bij antwoord ingesteld. De rechtbank zal de vordering daarom buiten beschouwing laten. Ter voorkoming van misverstanden tekent de rechtbank aan dat uit rechtsoverweging 4.5 van het tussenvonnis van 4 februari 2009 blijkt dat [A] bij zijn conclusie van antwoord niet heeft beoogd een eis in reconventie in te stellen.

Aanhouding

2.26. In afwachting van de aktewisseling wordt iedere verdere beslissing aangehouden.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 25 juli 2012 voor het nemen van een akte door beide partijen over hetgeen is vermeld onder de rechtsoverwegingen 2.9 en 2.11,

3.2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.R. Hidma, mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard en mr. M. Willemse en in het openbaar uitgesproken op 27 juni 2012.