Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BX1221

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
13-06-2012
Datum publicatie
03-09-2012
Zaaknummer
186555 - HZ ZA 11-728
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Perikelen rond vervalste kredietovereenkomsten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

Locatie Zwolle

zaaknummer / rolnummer: 186555 / HZ ZA 11-728

Vonnis van 13 juni 2012

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VOORDEELBANK B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

advocaat mr. D.K. Greveling,

tegen

1. [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats]

gedaagde,

advocaat mr. G.M. Volkerink,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna eiseres en gedaagden tezamen als ‘gedaagden’, c.q. gedaagde sub 1 als ‘gedaagde’ dan wel ‘[gedaagde sub 1]’ en gedaagde sub 2 als ‘[gedaagde sub 2]’ (de rechtbank houdt daarbij de spelling aan van gedaagde) genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Gedaagde heeft gedurende een periode van tien jaar, met een onderbreking van anderhalf jaar, een relatie gehad met [gedaagde sub 2], waarbij zij een duurzame huishouding hebben gevoerd. Vlak voor zijn vertrek naar [woonpl[plaats] - waar hij werkzaam was bij een bouwonderneming ([bedrijf]) - heeft gedaagde de relatie beëindigd, waarbij gedaagden hebben afgesproken dat [gedaagde sub 2] nog enige tijd in de huurwoning van gedaagde mocht verblijven (zij beschikte niet over vervangende woonruimte).

2.2. Gedaagde heeft van [datum] tot [datum] in [plaats] verbleven.

2.3. Eiseres heeft in het kader van een door haar in het geding gebracht doorlopend krediet-contract van [datum] EUR 20.000,00 uitbetaald op de gezamenlijke en/of rekening (nummer: [nummer]) ten name van gedaagde en [gedaagde sub 2], hierna ‘de en/of rekening’, alsmede EUR 3.514,00 voldaan ter zake van twee verzekeringen ten name van gedaagde. Uit hoofde van een door eiseres overgelegd doorlopend krediet-contract - tot een maximum bedrag van EUR 28.500,00 - van [datum] is voormeld totaalbedrag ad

EUR 23.514,00 afgelost en is het restant ad EUR 4.986,00 uitbetaald op de en/of rekening.

2.4. Bij terugkomst van gedaagde uit [woonpl[plaats] bedroeg het saldo op de en/of rekening

EUR 4.524,48 debet.

2.5. Gedaagde heeft op [datum] bij Regiopolitie IJsselland aangifte gedaan tegen [gedaagde sub 2] wegens onder meer valsheid in geschrift .

3. Het geschil

3.1. Eiseres vordert samengevat - primair de veroordeling van gedaagde tot betaling aan haar van EUR 40.568,54, vermeerderd met de overeengekomen rente en in de proceskosten en tevens dit vonnis te waarmerken als Europese executoriale titel. Subsidiair vordert zij de veroordeling van [gedaagde sub 2] tot betaling aan eiseres van EUR 40.568,54, vermeerderd met de overeengekomen rente en in de proceskosten en tevens dit vonnis te waarmerken als Europese executoriale titel. Meer subsidiair vordert eiseres de hoofdelijke veroordeling van gedaagden om aan eiseres te betalen EUR 35.933,70, vermeerderd met de wettelijke rente en in de proceskosten en tevens dit vonnis te waarmerken als Europese executoriale titel.

3.2. Gedaagde voert gemotiveerd verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Ten aanzien van [gedaagde sub 1]

4.1. Eiseres houdt gedaagde primair als kredietnemer aansprakelijk voor terugbetaling van voormelde kredietschuld die volgens haar is ontstaan door de ondertekening door gedaagde van gemelde kredietovereenkomsten d.d. [datum] en [datum]. Per [datum] bedraagt deze schuld in hoofdsom EUR 28.925,21 te vermeerderen met de overeengekomen rente vanaf [datum] tot en met [datum] ad EUR 11.643,33, derhalve in totaal EUR 40.568,54, onder verwijzing naar de financiële historie van beide kredietovereenkomsten die als productie 4a en 4b aan de dagvaarding zijn gehecht. Voorts betoogt eiseres dat gedaagde (en [gedaagde sub 2]) - meer subsidiair (indien de rechtbank de valselijke ondertekening van de kredietovereenkomst door [gedaagde sub 2] niet bewezen zou achten, ter zake waarvan wordt verwezen naar onderstaande rechtsoverwegingen 4.4 en verder) - (hoofdelijk) aansprakelijk is (zijn) voor terugbetaling van de verstrekte kredietsom op grond van onverschuldigde betaling en/of ongerechtvaardigde verrijking, nu de kredietgelden gedaagde (en [gedaagde sub 2]) via bijschrijving op de en/of rekening hebben gebaat; alsdan bedraagt de hoofdsom EUR 28.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf [datum] tot en met [datum] ad EUR 7.433,70, in totaal EUR 35.933,70.

4.2. De rechtbank overweegt ten aanzien van de primaire vordering als volgt.

4.2.1. Gedaagde betoogt uitgebreid dat hij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij de totstandkoming van de litigieuze kredietovereenkomsten. In het bijzonder betwist hij stellig en gemotiveerd de ondertekening van de betreffende contracten, die volgens hem zijn ondertekend door [gedaagde sub 2]. Gedaagde beroept zich daarbij op zijn ononderbroken verblijf in [woonpl[plaats] - hetgeen wordt erkend door eiseres -, en stelt voorts dat hem eerst na terugkomst in Nederland is gebleken dat [gedaagde sub 2] het plaatsen van zijn handtekening meerdere malen heeft geoefend (productie 5 bij conclusie van antwoord) en dat de aanvraagformulieren tijdens zijn verblijf in [woonpl[plaats] door middel van toezending door DHL op [datum] door [gedaagde sub 2] zijn ingediend bij de Kredietshopper (productie 8 bij conclusie van antwoord). De door gedaagde voor de aanvraag van een hypotheek bij de Rabobank ingediende werkgeversverklaring van [bedrijf] d.d. [datum] en de salarisafrekeningen, c.q. stortingsbewijzen van zijn salaris van december 2005, januari en februari 2006 heeft hij per post verzonden naar zijn huisadres; een kopie daarvan is door [gedaagde sub 2] - die tevens toegang had tot kopieën van het identiteitsbewijs van gedaagde - gebruikt ten behoeve van de kredietovereenkomsten, aldus gedaagde.

4.2.2. De rechtbank stelt vast dat eiseres - die blijkens het bepaalde in artikel 159 lid 2 Rv ter zake stelplicht en bewijslast heeft - tegenover het concludente en met schriftelijke bescheiden gestaafde betoog van gedaagde volstaat met de enkele bewering dat het “geenszins is uitgesloten” dat die overeenkomsten door gedaagde zijn ondertekend en de algemene, niet nader geconcretiseerde opmerking dat het middels internet, e-mail en scanapparatuur of post eenvoudig is om ook vanuit verafgelegen oorden een overeenkomst te sluiten, zónder evenwel onomwonden te stellen dat de handtekening van gedaagde afkomstig is (ook niet na een soortgelijke opmerking van gedaagde onder randnummer 9 van diens conclusie van antwoord) en zónder voldoende gemotiveerd in te gaan op voormelde stellingen van gedaagde, hetgeen wel van eiseres verlangd mocht worden. Nu eiseres aldus is tekort geschoten in haar stelplicht is voor een te gelasten onderzoek door een schriftkundige of getuigenverhoren, zoals eiseres bepleit, geen plaats. De rechtbank houdt het er bij gevolg voor dat niet gedaagde maar [gedaagde sub 2] de betreffende contracten heeft ondertekend. Die handelwijze van [gedaagde sub 2] is ontegenzeglijk te kwalificeren als een onrechtmatige daad jegens eiseres.

4.2.3. Volgens vaste rechtspraak geldt verder het volgende. Wanneer iemand door valselijk een handtekening van een ander te plaatsen iets voor die ander verklaart, kan deze ander - in dit geval: gedaagde - zich in het algemeen tegen degene tot wie de verklaring is gericht - hier: eiseres -, erop beroepen dat de handtekening en daarmee de verklaring niet van hem afkomstig is, ook wanneer degene tot wie de verklaring was gericht, heeft aangenomen en redelijkerwijs mogen aannemen dat de handtekening echt was. Uit het beginsel dat ten grondslag ligt aan de artikelen 3:35 en 3:36 BW - en bijvoorbeeld ook aan artikel 3:61 BW, dat hier verder geen rol speelt - vloeit evenwel voort dat dit anders kan zijn onder bijzondere omstandigheden, die van dien aard zijn dat zij tot de slotsom nopen dat aan degene wiens handtekening is vervalst, valt toe te rekenen dat de wederpartij de handtekening voor echt heeft gehouden en redelijkerwijs mocht houden (HR [datum], NJ 1992, 809). Van zodanige bijzondere omstandigheden is echter niet gebleken. Het enkele gegeven dat [gedaagde sub 2] na gedaagdes vertrek naar [woonpl[plaats] in diens huis is blijven wonen (waarbij zij zich klaarblijkelijk de toegang heeft verschaft tot voormelde bescheiden van gedaagde) en dat de en/of rekening vooralsnog is aangehouden, leidt niet tot de slotsom dat eiseres bedoelde kredietovereenkomsten thans aan gedaagde kan tegenwerpen.

De rechtbank tekent daarbij aan dat eiseres ook zelf toegeeft - kennelijk in reactie op de opmerking van gedaagde dat veel banken een dergelijk contract op hun kantoor laten ondertekenen - dat een en ander niet in het bijzijn van een van haar medewerkers is ondertekend. Van die gang van zaken heeft eiseres het risico te dragen. Niet valt voorts in te zien op grond waarvan zou moeten worden geconcludeerd dat gedaagde deze kredietovereenkomsten achteraf zou hebben ‘bekrachtigd’. Dat gedaagde in [woonpl[plaats] kennis zou hebben kunnen nemen van de omstreden transacties die via de en/of rekening hebben plaatsgevonden, zoals eiseres stelt, heeft gedaagde bij conclusie van antwoord gemotiveerd weersproken, waarna eiseres daarop bij repliek niet meer steekhoudend heeft gereageerd. Al met al verwerpt de rechtbank de primaire grondslag van de vorderingen van eiseres.

4.2.4. In onderstaande rechtsoverweging 4.4.1 overweegt de rechtbank dat de subsidiaire vorderingen van eiseres tegen [gedaagde sub 2] voor toewijzing gereed liggen. De meer subsidiaire vorderingen tegen gedaagde, gestoeld op onverschuldigde betaling, c.q. ongerechtvaardige verrijking behoeven bij gevolg geen behandeling. Dat daarvan overigens sprake zou zijn, valt op grond van het door eiseres gestelde niet in te zien. In ieder geval is geenszins aannemelijk geworden dat gedaagde door de litigieuze betalingen van eiseres op enigerlei wijze is gebaat.

4.3. Eiseres zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van gedaagde worden veroordeeld.

4.3.1. De kosten aan de zijde van gedaagde worden begroot op:

- griffierecht EUR 588,00

- salaris advocaat 1.788,00 (2,0 punten × tarief EUR 894,00)

Totaal EUR 2.376,00

4.3.2. De gevorderde nakosten zullen worden toegewezen tot een (forfaitair) bedrag van EUR 131,00 aan salaris advocaat zonder dat betekening van het vonnis heeft plaatsgehad, verhoogd met een bedrag van EUR 68,00 indien en voor zover de veroordeelde partij niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan de veroordeling heeft voldaan en het vonnis om die reden is betekend.

Ten aanzien van [gedaagde sub 2]

4.4. Eiseres betoogt subsidiair - indien en voor zover gedaagde niet aansprakelijk is voor terugbetaling als kredietnemer, hetgeen blijkens het hiervoor overwogene inderdaad niet het geval is - dat [gedaagde sub 2] aansprakelijk is voor terugbetaling van gemelde kredietschuld ad EUR 40.568,54 - te vermeerderen met rente - uit hoofde van onrechtmatige daad, bestaande uit het valselijk ondertekenen van onderhavige kredietovereenkomsten.

4.4.1. [gedaagde sub 2] - die in het buitenland woonachtig is - is niet verschenen en tegen haar is verstek verleend. Nu de subsidiaire vordering niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt - zie ook het slot van rechtsoverweging 4.2.2 -, terwijl is gebleken dat is voldaan aan het bepaalde in artikel 15 van het Betekeningsverdrag en de leden 1 en 2 van artikel 19 van de EG-betekeningsverordening, zal de rechtbank deze toewijzen als in het dictum vermeld.

4.4.2. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 9 lid 1 van de EET-verordening zal de Europese executoriale titel worden verstrekt in de vorm van het in de Bijlage I van deze verordening opgenomen standaardformulier, zoals aan dit vonnis gehecht.

4.5. [gedaagde sub 2] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van eiseres worden begroot op:

- dagvaarding EUR 97,81

- griffierecht 1.181,00

- salaris advocaat 894,00 (1,0 punt × tarief EUR 894,00)

Totaal EUR 2.172,81

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen tegen [gedaagde sub 1] af,

5.2. veroordeelt eiseres in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde sub 1] tot op heden begroot op EUR 2.376,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na dagtekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3. veroordeelt eiseres in de na dit vonnis ontstane kosten aan de zijde van [gedaagde sub 1], begroot op EUR 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, indien eiseres niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van EUR 68,00 aan salaris advocaat,

5.4. veroordeelt [gedaagde sub 2] om aan eiseres te betalen een bedrag van EUR 40.568,54 (veertig duizendvijfhonderdachtenzestig euro en vierenvijftig eurocent), vermeerderd met de overeengekomen rente over het toegewezen bedrag met ingang van [datum] tot de dag van volledige betaling,

5.5. veroordeelt [gedaagde sub 2] in de proceskosten, aan de zijde van eiseres tot op heden begroot op EUR 2.172,81,

5.6. verklaart dit vonnis, met uitzondering van het onder 5.1 bepaalde, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.R. Hidma en in het openbaar uitgesproken op 13 juni 2012.