Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BX0758

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
26-06-2012
Datum publicatie
10-07-2012
Zaaknummer
07.660075-12; 07.690293-12 (gev.ttz.); 07.660025-11 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat de aangetroffen vingerafdrukken en bloedsporen duidelijke dadersporen zijn. Een alternatief scenario is denkbaar, maar op geen enkele wijze aannemelijk geworden. Oplegging ISD-maatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector strafrecht

Parketnummers: 07.660075-12; 07.690293-12 (gev.ttz.); 07.660025-11 (tul) [P]

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 26 juni 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende [adres],

thans verblijvende in de P.I. Almere, Huis van Bewaring Almere Binnen te Almere.

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het onderzoek heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 12 juni 2012 te [Lelystad], waarbij de verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. T. de Bont, advocaat te Haarlem.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. W.S. Ludwig en van de standpunten door de raadsman van verdachte naar voren gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

Parketnummer 07.660075-12.

1.

hij op of omstreeks 4 maart 2012 in de gemeente Lelystad opzettelijk mishandelend [slachtof[slachtoffer 1]

- (met kracht) (met gebalde vuist) heeft geslagen en/of gestompt in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd en/of

- (met kracht) heeft geschopt en/of getrapt in/op/tegen de zij/onderrug, althans het lichaam en/of

- (met kracht) aan/bij het haar heeft vastgepakt en/of (vervolgens) (mee)getrokken en/of meegesleurd,

waardoor deze [slachtoffer 1] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 4 maart 2012 in de gemeente Lelystad [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 1] (meermalen) dreigend de woorden toegevoegd: "Ik maak je dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3.

hij op of omstreeks 3 maart 2012 in de gemeente Lelystad met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een bedrijfspand (gelegen aan de [adres]) heeft weggenomen een scheerapparaat (merk Philips) en/of een rol Age Coins, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachto[slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

4.

hij op of omstreeks 4 maart 2012 in de gemeente Lelystad wederrechtelijk is binnengedrongen in een woning gelegen aan [adres] en in gebruik bij [slachtoffer 1], althans bij een ander of anderen dan bij verdachte;

Parketnummer 07.690293-12.

1.

hij in of omstreeks de periode van 3 maart 2012 tot en met 4 maart 2012 in de gemeente Lelystad met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een bedrijfspand (gelegen aan de [adres]) heeft weggenomen onder andere één of meerdere (3) computerscherm(en) en/of een computer en/of één of meerdere computeronderde(e)l(en) en/of een kluis en/of een geldbedrag van 300 Euro en/of een telefoon (serienummer CBT 152008) en/of één of meerdere etenswa(a)r(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

2.

hij op of omstreeks 28 februari 2012 in de gemeente Lelystad tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan de [adres]) heeft weggenomen onder andere een televisie (merk LG, type plasma) en/of één of meerdere (2) laptop(s) (merk Acer en/of Packard Bell) en/of een koffiezetapparaat (merk Senseo) en/of één of meerdere sleutel(s) en/of een spelcomputer met toebehoren (merk Playstation 2) en/of en geldbedrag van 510,50 Euro en/of één of meerdere eet- en/of drinkwa(a)r(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

3.

hij in of omstreeks de periode van 20 november 2010 tot en met 21 november 2010 in de gemeente Lelystad ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een (bestel)auto (merk Peugeot, gekentekend [kenteken]) weg te nemen één of meer goed(eren) naar zijn, verdachtes, gading, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zich daarbij de toegang tot voornoemde auto te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming,

- de/een (rechterzij)ruit heeft ingeslagen en/of

- (vervolgens) een dashboardkasje heeft geopend en/of heeft doorzocht,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank verbetert in de tenlastelegging een aantal kennelijke schrijffouten. De verdachte wordt blijkens het onderzoek ter terechtzitting daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank nummert de bij dagvaarding met parketnummer 07.660075-12 onder 1 tot en met 4 en het met parketnummer 07.690293-12 onder 1 tot en met 3 ten laste gelegde feiten als de feiten 1 tot en met 7.

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Inleiding

Feit 1, 2 en 4.

Op 4 maart 2012 omstreeks 20.15 uur kregen verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] de melding dat een man een woning aan [adres] te Lelystad was binnengedrongen, en meldster heeft bedreigd en mishandeld. Ter plaatse doet de meldster, te weten [slachtoffer 1], aangifte van voornoemde gedragingen die volgens haar begaan zijn door haar ex, te weten verdachte. Hierna is verdachte in zijn woning aan [adres] te [woonplaats] aangehouden.

Feit 3.

Op 3 maart 2012 doet [slachtoffer 2] aangifte van inbraak uit het [slachtoffer 2]. De camerabeelden van het restaurant zijn door aangever aan de politie verstrekt. Bij het bekijken van de camerabeelden herkent verbalisant [verbalisant 3] verdachte als de manspersoon die bij het restaurant inbreekt.

Feit 5, 6 en 7.

Op 9 maart 2012 is de woning van verdachte aan [adres] te [woonplaats] doorzocht, waarbij diverse goederen in beslag zijn genomen. Een aantal van de in beslag genomen goederen is mogelijk afkomstig van een inbraak aan de [adres] te Lelystad. Tevens is DNA-materiaal afkomstig van verdachte aangetroffen bij een woninginbraak aan de [adres] te Lelystad en bij een poging tot diefstal uit een auto (merk Peugeot met kenteken [kenteken]).

Het standpunt van de officier van justitie

Feit 1, 2 en 4.

De officier van justitie acht het onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, gelet op de gelijkluidende verklaringen van [slachtoffer 1] en [getuige 1].

Feit 3.

De officier van justitie acht het feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op de aangifte van [slachtoffer 2] en de herkenning van verdachte op de camerabeelden.

Feit 5.

De officier van justitie acht het feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op de aangifte van [slachtoffer 3], het proces-verbaal van herkenning van de gestolen goederen en de aangetroffen vingerafdrukken van verdachte op de vuilniszakken in het bedrijfspand.

Feit 6.

De officier van justitie acht het feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op de aangifte van [slachtoffer 4] en het in de woning aangetroffen bloed van verdachte.

Feit 7.

De officier van justitie acht het feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op de aangifte van [slachtoffer 5] en het op het op de glassplinters aangetroffen bloed van verdachte.

Het standpunt van de verdediging

Feit 1, 2 en 4.

De raadsman heeft primair vrijspraak bepleit van de ten laste gelegde feiten. Zowel [slachtoffer 1] en [getuige 1] hebben tegenover de politie een andere verklaring afgelegd dan daarna bij de rechter-commissaris. Daarbij komt dat de verklaringen van [slachtoffer 1] en [getuige 1] niet met elkaar overeenkomen. De raadsman heeft daarom bepleit de verklaringen van [slachtoffer 1] en [getuige 1] ongeloofwaardig te achten.

Subsidiair heeft de raadman ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde vrijspraak bepleit van het eerste gedachtenstreepje, aangezien enkel [getuige 1] hierover verklaart.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman subsidiair vrijspraak bepleit, omdat uit de verklaring van [getuige 1] blijkt dat [slachtoffer 1] de vermeende bedreiging niet heeft gehoord.

Feit 3.

De raadsman heeft vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit. Gelet op de slechte kwaliteit van de camerabeelden is een herkenning van de dader als zijnde verdachte uitgesloten. Slechts de vaststelling dat verdachte binnen het signalement van de dader past is mogelijk. Het aangetroffen rolletje Age Coins is onvoldoende specifiek om te dienen als bewijs. Daarbij komt dat meer mensen toegang hebben tot de kamer van verdachte en de Age Coins door een ander dan verdachte op zijn kamer is gelegd.

Feit 5.

De raadsman heeft vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit. De door verbalisanten waargenomen fietser met de kluis is door hen niet herkend als zijnde verdachte. Daarbij komt dat het signalement van de fietser niet overeenkomt met het signalement van verdachte. De herkenning van de gestolen goederen kan niet voor het bewijs worden gebruikt, omdat de etenswaren zeer algemeen voorkomen en niet overeenkomen met de etenswaren waarvan in eerste instantie aangifte is gedaan. De expertise van de vingerafdrukdeskundigen kan niet worden gecontroleerd. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat niet uitgesloten kan worden dat andere personen de inbraak hebben gepleegd en dat de verdachte na deze inbraak het bedrijfspand heeft betreden.

Feit 6.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde. Het DNA rapport vermeldt als aanvraagdatum 23 januari 2007, te weten een datum voor de ten laste gelegde datum. Daarbij komt dat niet blijkt dat verbalisant Van der Kruit als forensisch onderzoeker is opgeleid en daartoe bevoegd is. Er kan niet worden vastgesteld of volgens de geldende normen is gehandeld.

Feit 7.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde. Gelet op het tijdsverloop kan niet worden vastgesteld of aan de geldende normen met betrekking tot DNA bewijs is voldaan. Derhalve dient het rapport met betrekking tot het DNA uitgesloten te worden van het bewijs.

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1 en 2.

[slachtoffer 1] heeft bij de politie verklaard dat zij op 4 maart 2012 in haar woning te Lelystad verbleef. Verdachte schopte haar tegen haar onderrug, trok haar aan haar haren door de woonkamer en heeft tweemaal geroepen “ik maak je dood” of woorden van gelijke strekking.

[slachtoffer 1] heeft tegenover de rechter-commissaris verklaard dat zij zich er niet bewust van is geweest dat zij tegen haar hoofd is geslagen. Wel verklaart zij dat zij pijn had aan haar kaak. Voorts verklaart zij dat zij door verdachte tegen haar rug is geschopt, aan haar haren is vastgepakt en door het huis is gesleept.

[getuige 1] heeft bij de politie verklaard dat verdachte [slachtoffer 1] met kracht schopte, met gebalde vuist in haar gezicht sloeg, aan haar haren trok en zei “ik maak haar dood”.

[getuige 1] heeft tegenover de rechter-commissaris verklaard dat hij zag dat verdachte [slachtoffer 1] in het gezicht sloeg, aan haar haren trok en haar een stukje door de woning trok, tegen haar heupen schopte en zei “ik ga haar dood maken”.

De rechtbank heeft geen onverklaarbare tegenstrijdigheden in de door [slachtoffer 1] en [getuige 1] afgelegde verklaringen kunnen vaststellen, op grond waarvan zou kunnen worden geconcludeerd dat hun verklaringen niet op waarheid berusten. Dat de door hen afgelegde verklaringen bij de politie niet in detail stroken met de verklaringen bij de rechter-commissaris doet daaraan niet af. Nu de verklaringen van [slachtoffer 1] en [getuige 1] op belangrijke punten eensluidend zijn, is niet aannemelijk geworden dat zij hun verklaringen in strijd met de waarheid hebben afgelegd. De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen omtrent de betrouwbaarheid van de door hen afgelegde verklaringen. De rechtbank acht dan ook de verklaringen, in onderlinge samenhang gelezen, betrouwbaar.

De verklaring van [slachtoffer 1] dat zij pijn had aan haar kaak in samenhang met de verklaring van [getuige 1] dat zij tegen haar gezicht is geslagen, acht de rechtbank voldoende wettig en overtuigend bewijs om te komen tot een bewezenverklaring van het eerste gedachtenstreepje.

De rechtbank acht derhalve de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

Feit 3.

Uit de aangifte van [slachtoffer 2] en de camerabeelden blijkt dat een manspersoon op 3 maart 2012 het raam van de voordeur van [slachtoffer 2] ingooit en daarna het raam van een tweede deur. Vervolgens klimt de man door beide ramen naar binnen en loopt het restaurant in. Blijkens de aangifte en het nadien opgestelde proces-verbaal is een scheerapparaat en een rol Age Coins weggenomen.

Hoewel verdachte ontkent dat hij het ten laste gelegde heeft begaan heeft verbalisant [verbalisant 3] op de camerabeelden verdachte herkend als de dader. Verbalisant heeft de verdachte herkend aan zijn postuur, de gezichtsvorm, de magere gelaatstrekken en de haarlijn. Op grond van de artikelen 344, eerste lid en tweede lid van het Wetboek van Strafvordering is het mogelijk dat het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd enkel wordt aangenomen op grond van het proces-verbaal van een opsporingsambtenaar. De wetgever heeft aan ambtsedig opgemaakte processen-verbaal sterke bewijskracht toegekend, mede omdat verbalisanten over het algemeen er geen belang bij hebben om een voorstelling van zaken te geven die niet of niet volledig overeenstemt met de werkelijkheid.

In de tijdens de ter terechtzitting van 12 juni 2012 bekeken camerabeelden ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding om het door verbalisant [verbalisant 3] opgemaakte proces-verbaal van bevindingen voor onjuist te houden en niet voor bewijs te gebruiken. De rechtbank acht het ten laste gelegde derhalve wettig en overtuigend bewezen.

Feit 4.

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het ten laste gelegde, aangezien het belastend bewijsmateriaal louter bestaat uit de verklaring van [slachtoffer 1] en hetgeen verdachte ten laste is gelegd geen steun vindt in de overige inhoud van het procesdossier. De getuige [getuige 1] heeft enkel verklaard dat [slachtoffer 1] de verdachte een aantal malen heeft verzocht de woning te verlaten, hetgeen geen steunbewijs oplevert voor het ten laste gelegde wederrechtelijke binnendringen.

Feit 5.

Op 4 maart 2012 omstreeks 2:07 uur zien verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] een man uit de nooduitgang van het pand van [slachtoffer 3] fietsen met een voorwerp, naar later blijkt een kluis, op de bagagedrager. Tijdens de achtervolging ontdoet de man zich van de kluis en de fiets en weet aan de verbalisanten te ontkomen. Omstreeks 2:17 uur zien verbalisanten in de nabijheid van [slachtoffer 3] een man lopen, te weten verdachte.

Uit de aangifte van [slachtoffer 3] blijkt dat in het bedrijf [slachtoffer 3] op 4 maart 2012 is ingebroken waarbij de in de tenlastelegging genoemde goederen zijn weggenomen, waaronder een kluis en etenswaren.

In de woning van verdachte aan [adres] te Lelystad zijn de volgende etenswaren in beslag genomen; twee zakken chips, snacks van het merk Crusti Croc, twee pakken thee (merk: Pickwick) en een pak koffie (merk: Kanis & Gunnink). Deze etenswaren zijn soortgelijk aan de gestolen etenswaren en zijn door [slachtoffer 3] herkend als de goederen die zijn weggenomen .

Uit het forensische sporenonderzoek aan het bedrijfspand blijkt dat de dader het bedrijfspand is binnengekomen via een ruit naast de hoofdingang. Op een kastje in het pand treft men een rol vuilniszakken die blijkens de verklaring van [slachtoffer 3] uit de verpakking is gehaald. Hierop zijn de rol vuilniszakken en de verpakking in beslag genomen en veiliggesteld met SIN: AADM0619NL. Op de vuilniszak zijn drie dactyloscopische sporen aangetroffen met de nummers AAEN0727NL, AAEN0728NL en AAEN0729NL. De dactyloscopische sporen met de nummers AAEN0728NL en AAEN0729NL zijn geïdentificeerd als afkomstig van verdachte.

Naar het oordeel van de rechtbank is het aantreffen van vingerafdrukken (voornoemde dactyloscopische sporen) van verdachte, gelet op de verklaring van [slachtoffer 3], een duidelijk daderspoor. Een alternatief scenario voor het aantreffen van de vingerafdrukken van verdachte op de plaats van het delict is in theorie denkbaar, maar in het onderhavige geval op geen enkele wijze aannemelijk geworden.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat het aantreffen van de vingerafdruk van verdachte in samenhang met de aangifte, het aantreffen van verdachte in de nabijheid van het bedrijfspand [slachtoffer 3] kort na de inbraak en het bij verdachte aangetroffen etenswaar voldoende wettig en overtuigend bewijs is om tot een bewezenverklaring te komen.

Feit 6.

Uit de aangifte van [slachtoffer 4] blijkt dat op 28 februari 2012 in zijn woning aan de [adres] te Lelystad is ingebroken, waarbij onder meer de in de tenlastelegging genoemde goederen zijn weggenomen.

Uit het forensisch sporenonderzoek aan de woning blijkt dat de dader de woning is binnengekomen via het bovenlicht boven de achterdeur. Op de deurpost van de woonkamer en het kozijn van het inklimraam zijn bloedsporen aangetroffen, waarvan de monsters zijn genummerd: AADC1107NL, AADC1108NL en AADC1109NL. Alle bloedsporen worden geïdentificeerd op donor met het DNA-profielcluster 1844, te weten verdachte. De kans dat een willekeurig gekozen persoon hetzelfde DNA-profiel had, was kleiner dan 1 op 1 miljard.

De rechtbank acht de bloedsporen van verdachte op de deurpost van de woonkamer en het kozijn van het inklimraam duidelijke dadersporen. Een alternatief scenario voor het aantreffen van het bloed van verdachte is in theorie denkbaar, maar in het onderhavige geval op geen enkele wijze aannemelijk geworden. Verdachte heeft geen opheldering gegeven voor het aantreffen van zijn bloed in de woning aan de [adres] te Lelystad.

Het spoornummer AADC1108NL wordt expliciet genoemd in het NFI rapport van 3 april 2012. De rechtbank acht de datum van 23 januari 2007 vermeld in het NFI rapport te dezen niet relevant.

Gelet op voorgaande bewijsmiddelen, te weten de aangifte, het proces-verbaal van sporenonderzoek en de rapportages omtrent de bloedsporen, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de woninginbraak op de wijze als weergegeven in de bewezenverklaring.

Feit 7.

Uit de aangifte van [slachtoffer 5] blijkt dat tussen 20 november 2010 om 21:30 uur en 21 november 2010 om 10:00 uur een rechterzijruit is vernield van haar auto (Peugeot met kenteken [kenteken]). Tevens is het dashboardkastje geopend.

Uit het forensische sporenonderzoek blijkt dat er op de bijrijderstoel glasscherven met bloed zijn aangetroffen en veiliggesteld met nummer 539786. De veiliggestelde glasscherven zijn bemonsterd op de mogelijke aanwezigheid van DNA (met nummer AADG4832NL). Uit het NFI rapport d.d. 3 april 2012 blijkt dat het sporenmateriaal met nummer AADG4832NL matcht met het DNA-profielcluster 1844, zijnde van verdachte. De kans dat een willekeurig gekozen persoon hetzelfde DNA-profiel had was kleiner dan 1 op 1 miljard.

De rechtbank acht het aangetroffen bloedspoor van verdachte op de glasscherven een duidelijk daderspoor. Een alternatief scenario voor het aantreffen van het bloed van verdachte is in theorie denkbaar, maar in het onderhavige geval op geen enkele wijze aannemelijk geworden. Verdachte heeft geen opheldering gegeven voor het aantreffen van zijn bloed.

Hoewel enige tijd tussen de verschillende onderzoeken is verstreken, ziet de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de uitkomsten van de onderzoeken.

Gelet op voorgaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot inbraak uit een auto op de wijze zoals is weergegeven in de bewezenverklaring.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

hij op 4 maart 2012 in de gemeente Lelystad opzettelijk mishandelend [slachtoffer 1]

- heeft geslagen en/of gestompt tegen het hoofd en

- heeft geschopt tegen het lichaam en

- bij het haar heeft vastgepakt en (vervolgens)(mee)getrokken,

waardoor deze [slachtoffer 1] pijn heeft ondervonden.

2.

hij op 4 maart 2012 in de gemeente Lelystad [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 1] (meermalen) dreigend de woorden toegevoegd: "Ik maak je dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

3.

hij op 3 maart 2012 in de gemeente Lelystad met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een bedrijfspand (gelegen aan de [adres]) heeft weggenomen een scheerapparaat (merk Philips) en een rol Age Coins, toebehorende aan [slachtoffer 2], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak en inklimming.

5.

hij op 4 maart 2012 in de gemeente Lelystad met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een bedrijfspand (gelegen aan de [adres]) heeft weggenomen onder andere computerschermen en een computer en computeronderdelen en een kluis en een geldbedrag van 300 euro en een telefoon (serienummer CBT 152008) en etenswaren, toebehorende aan [slachtoffer 3], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak en inklimming.

6.

hij op 28 februari 2012 in de gemeente Lelystad met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning (gelegen aan de [adres]) heeft weggenomen onder andere een televisie (merk LG, type plasma) en laptops (merk Acer en/of Packard Bell) en een koffiezetapparaat (merk Senseo) en sleutels en een spelcomputer met toebehoren (merk Playstation 2) en een geldbedrag van 510,50 euro en eet- en drinkwaren, toebehorende aan [slachtoffer 4], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak en inklimming.

7.

hij in de periode van 20 november 2010 tot en met 21 november 2010 in de gemeente Lelystad ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een (bestel)auto (merk Peugeot, gekentekend [kenteken]) weg te nemen goederen van zijn, verdachtes, gading, toebehorende aan [slachtoffer 5], en zich daarbij de toegang tot voornoemde auto te verschaffen door middel van braak,

- een (rechterzij)ruit heeft ingeslagen en

- (vervolgens) een dashboardkasje heeft doorzocht,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Van het onder 1, 2, 3, 5, 6 en 7 meer of anders ten laste gelegde zal verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6 KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

Feit 1.

Mishandeling.

Feit 2.

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Feit 3, 5 en 6 (telkens).

Diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming.

Feit 7.

Poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

7 STRAFBAARHEID

De feiten en verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

8 STRAFOPLEGGING

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot oplegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) voor de duur van 2 jaren. De officier van justitie heeft voorts aangegeven ervan uit te gaan dat er capaciteit is in een ISD-instelling.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit af te zien de oplegging van een ISD-maatregel, aangezien er sprake dient te zijn van een ultimum remedium. Een voorwaardelijke ISD-maatregel is echter een mogelijkheid. Verdachte is gemotiveerd om zijn leven te veranderen en heeft zich aangemeld bij De Waag en Exodus. Bovendien ontbreekt een concreet plan van aanpak.

Subsidiair heeft de raadsman verzocht de duur van het voorarrest in mindering te brengen op de duur van de ISD-maatregel en te beslissen tot een tussentijdse toetsing na zes maanden, omdat er geen plan van aanpak is.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan drie inbraken, een poging tot inbraak uit een auto, een mishandeling en een bedreiging. Aldus heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten.

Uit het uittreksel justitiële documentatie d.d. 14 mei 2012 blijkt dat verdachte zich zeer regelmatig schuldig maakt aan vooral vermogensdelicten. Deze feiten veroorzaken grote overlast voor de samenleving en brengen schade toe aan de direct getroffenen. Voorts blijkt uit voornoemd uittreksel dat verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het onderhavige door hem begane misdrijf ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een vrijheidsbeperkende maatregel of taakstraf is veroordeeld. Onderhavig feit is begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen of maatregelen.

Uit de rapportage van Reclassering Nederland (opgesteld door L. Hermans, reclasseringswerker) blijkt onder meer dat het risico dat verdachte zal recidiveren als hoog ingeschat moet worden. Er dient derhalve ernstig rekening mee te worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Uit het hiervoor genoemde rapport blijkt onder meer dat meerdere (ambulante) hulpverleningstrajecten voortijdig negatief zijn beëindigd, omdat verdachte zich niet aan de afspraken en aanwijzingen van de reclassering hield. Voorts komt naar voren dat verdachte problemen heeft om het vinden van duurzaam werk, stabiel inkomen en duurzame huisvesting. De persoonlijkheidsproblematiek ligt hieraan ten grondslag. Verdachte heeft een externaliserende houding. Reclassering Nederland ziet geen kans om verdachte in een ambulant kader te begeleiden, omdat verdachte zijn afspraken niet nakomt. Reclassering Nederland ziet geen andere mogelijkheid dan begeleiding van verdachte vanuit een gedwongen en gestructureerd kader. Reclassering Nederland heeft derhalve geadviseerd verdachte de ISD-maatregel op te leggen.

De rechtbank neemt de opvatting met betrekking tot de recidivekans en alle overige bevindingen uit genoemd rapport over en maakt die tot de hare. Op basis hiervan is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van goederen de oplegging van de maatregel eist.

Nu, zoals uit het hiervoor overwogene blijkt, is voldaan aan de wettelijke vereisten ex artikel 38m, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, zal de rechtbank verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders opleggen.

De rechtbank zal verdachte de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen. De rechtbank ziet geen aanleiding om de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht in mindering te brengen op de duur van de ISD-maatregel. Tevens ziet de rechtbank geen aanleiding en noodzaak de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel tussentijds te beoordelen, aangezien eerst een plan van aanpak opgesteld dient te worden.

Ten aanzien van het onder 7 bewezen verklaarde heeft de rechtbank gelet op het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank acht de toepassing van voornoemd artikel geen beletsel voor de oplegging van voornoemde ISD-maatregel.

10 DE BENADEELDE PARTIJ

Voor aanvang van de terechtzitting heeft [slachtoffer 1] zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van het aan verdachte onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde feiten. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partij begroot op een bedrag van € 339,93.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd tot toewijzing van een bedrag van € 307,50 (bestaande uit € 300,00 immateriële schade en € 7,50 aan materiële schade) aan de benadeelde partij, alsmede de schadevergoedingsmaatregel ex. artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair verzocht de vordering van de benadeelde partij af te wijzen, aangezien deze onvoldoende onderbouwd is. Subsidiair heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten. De hoogte van die schade is genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 100,00, vermeerderd met de kosten die – tot op heden – worden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij, die in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege toewijsbaar.

De vordering van de benadeelde partij levert naar het oordeel van de rechtbank voor wat betreft het meer gevorderde een onevenredige belasting op van het strafgeding. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij in de vordering voor dat deel niet ontvankelijk is en dat de vordering ter zake dit deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Als extra waarborg voor betaling aan de benadeelde partij zal de rechtbank overeenkomstig artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom ten behoeve van de benadeelde partij.

11 DE VORDERING TENUITVOERLEGGING

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen, omdat het alsnog ondergaan van de voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een ISD-maatregel niet wenselijk is zoals blijkt uit de richtlijn voor straf bij meerderjarige veelplegers.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan nieuwe strafbare feiten en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop kan de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

De rechtbank acht echter, gelet op het bepaalde in artikel 14f van het Wetboek van Strafrecht, termen aanwezig de bij vonnis van de meervoudige strafkamer in deze rechtbank d.d. 24 mei 2011 aan de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf (voor de duur van drie maanden) verbonden proeftijd te verlengen met één jaar.

12 TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 36f, 38m, 38n, 45, 57, 63, 285, 300, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

13 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart niet bewezen hetgeen onder 4 aan verdachte is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1, 2, 3, 5, 6 en 7 ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat onder 1, 2, 3, 5, 6 en 7 meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart de bewezen verklaarde feiten strafbaar;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- gelast de plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor

2 jaar;

Benadeelde partij

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], wonende te Lelystad, van een bedrag van € 100,00 (zegge: honderd euro);

- veroordeelt de verdachte voorts in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt op aan de verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 100,00 ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] voornoemd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 2 dagen hechtenis;

- bepaalt dat, indien de verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] (in zoverre) komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat (in zoverre) komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor wat het meer gevorderde betreft in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat zij haar vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

Vordering tenuitvoerlegging

- verlengt de bij vonnis van de meervoudige strafkamer in deze rechtbank d.d. 24 mei 2011 aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf verbonden proeftijd met één jaar.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.H.J. Harmeijer, voorzitter, mr. R.M. van Vuure en mr. B. Fijnheer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.G. Dees, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 juni 2012.

Mr. H.H.J. Harmeijer is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.