Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BX0202

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
11-04-2012
Datum publicatie
03-07-2012
Zaaknummer
597009 VV 12-23
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Arbeidszaak. Kort geding. Loonvordering. Niet voldoende aannemelijk dat werkneemster ontslag heeft genomen en als dat al anders is, kan werkgever werkneemster niet aan zo'n ontslag houden, gelet op de voor haar kenbare mentale gesteldheid van werkneemster.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2012-0639

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

sector kanton – locatie Zwolle

zaaknummer : 597009 VV 12-23

datum : 11 april 2012

Vonnis in het kort geding van:

[EISENDE PARTIJ],

wonende te [woonplaats],

eisende partij, hierna te noemen: ‘[eisende partij]`’,

gemachtigde mw. F. Slinkert, verbonden aan DAS Rechtsbijstand te Rijswijk,

tegen

de besloten vennootschap [GEDAAGDE PARTIJ],

gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats],

gedaagde partij, hierna te noemen: ‘[gedaagde partij]’,

gemachtigde mr. M.B. Tol, arbeidsjurist te Zwolle.

De procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:

- het exploot d.d. 19 maart 2012 houdende een vordering tot het treffen van een voorziening bij voorraad met bijlagen.

- de producties behorende bij het voorwaardelijk verzoekschrift d.d. 22 maart 2012,

- de bij brief van 26 maart 2012 nader door [gedaagde partij] ingezonden producties en

- de bij faxbrief van 27 maart 2012 nader door [eisende partij] ingezonden aanvullende producties.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 maart 2012, waarbij tevens is behandeld de door [gedaagde partij] jegens [eisende partij] verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst voor het geval deze nog mocht blijken te bestaan (601576 HA VERZ 12-68). Verschenen zijn:

- [eisende partij], bijgestaan door mw. Slinkert voormeld, en

- namens [gedaagde partij] haar directeur, de heer [N], bijgestaan door mr. Tol voormeld.

[eisende partij] en [gedaagde partij] hebben op deze zitting hun standpunten doen toelichten (beiden aan de hand van pleitaantekeningen, die aan de kantonrechter zijn overgelegd) respectievelijk toegelicht en geantwoord op vragen van de kantonrechter.

Het geschil

De vordering van [eisende partij] tot het treffen van een voorlopige voorziening strekt ertoe dat [gedaagde partij] wordt veroordeeld tot wedertewerkstelling althans re-integratie van [eisende partij] op straffe van een dwangsom en tot doorbetaling van loon vanaf 22 december 2011 met bijkomende vorderingen, onder veroordeling van [gedaagde partij] in de proceskosten.

[gedaagde partij] heeft de vordering bestreden en de afwijzing daarvan bepleit.

De vaststaande feiten

Tussen partijen staat als gesteld en erkend dan wel niet (voldoende) betwist, mede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden bescheiden, het volgende vast.

a. [gedaagde partij] drijft een onderneming gericht op onder meer arbo-begeleiding en reintegratie.

b. [eisende partij], geboren op [datum], is op [datum] voor de bepaalde duur van één jaar in dienst getreden bij [gedaagde partij] in de functie van commercieel medewerker buitendienst. Het laatst door haar ontvangen salaris bedraagt € 2.287,00 bruto per maand exclusief emolumenten.

c. [eisende partij] is door [gedaagde partij] feitelijk tewerkgesteld bij [bedrijf], een samenwerkingsverband van drie bedrijven. Eén van die drie bedrijven is [bedrijf 2], welke vennootschap een zustervennootschap is van [gedaagde partij]. De directeur van [gedaagde partij] - [N] voormeld - is tevens de directeur van [bedrijf 2]

d. Op 20 december 2011 heeft [eisende partij] bij [N] (telefonisch) navraag gedaan naar de bij haar indiensttreding beloofde auto en mobiele telefoon van de zaak en visitekaartjes en naar de uitblijvende vergoedingen van gemaakte onkosten.

e. Op 21 december 2011 om omstreeks 11.00 uur heeft [eisende partij] met [N] gesproken. Tijdens dit gesprek is [eisende partij] emotioneel geworden. In dit gesprek is aan de orde gekomen de door [eisende partij] ervaren druk en een ontslag van [eisende partij].

f. In een e-mailbericht van 21 december 2011 van 15.05 uur heeft een collega van [eisende partij] haar gevraagd: ‘Hallo [eisende partij], Ik hoop dat een beetje met je gaat… en dat we (ik) je volgende week nog even zie. Want zo is het wel erg vreemd hoor!!! (…) Doe kalm aan, pas goed op jezelf en we zien je hopelijk volgende week. Ondanks alles ook heel erg fijne dagen gewenst. Ik hoop dat je toch een leuke Kerst tegemoet gaat. (…)’

[eisende partij] heeft daar in een e-mailbericht van 17.38 uur op geantwoord: ‘(…) Ik red me wel, komt goed. Morgen even naar de huisarts, die geeft me maar iets zodat ik weer rust krijg in mijn hoofd. Voelt alsof ik ergens geparkeerd sta, de vraag is alleen waar……?! Ik wilde veel geven en dat heb ik gedaan. (…) Ik voel dat niet iedereen op dezelfde golflengte lag. Dat blokkeerde mij omdat het geen zekerheid geeft met het oog op de toekomst. Het maakte mij alleen onzeker! Ik ben nu bij familie, die vangen me goed op. Het is wel even slikken. Ik focus me op het positieve. (…)

Volgende week woensdag kom ik langs om gegevens te overhandigen waar jullie mee aan de slag kunnen in 2012. (…)

Ik ga alles netjes afhandelen met [N]. Per 1 januari word ik niet meer opgeroepen. [N] attendeerde mij er nog even op dat ik een oproepcontract heb, dat hij een brief stuurt dat het niet gewenste resultaat heeft opgeleverd en dat ik daarom niet meer word opgeroepen per 1 januari. Nu neem ik dus mijn reeds opgebouwde vakantiedagen op. Dit heb ik zo afgesproken met [N]. (…)’

g. Op 22 december 2011 heeft op verzoek van [N] een vervolggesprek plaatsgevonden tussen [eisende partij] en [N], waarbij onder meer is gesproken een overdracht van zaken en klanten en over een mogelijk vervolg van de samenwerking.

h. Per brief gedagtekend op 21 december 201 heeft [gedaagde partij] aan [eisende partij] onder meer medegedeeld: Heden hadden wij een gesprek over uw toekomst bij onze organisatie. Op basis van uw resultaten heeft u zelf de conclusie getrokken dat uw functioneren onvoldoende zou zijn. Tevens heeft u aangegeven dat de werkwijze met een direct communicerende leidinggevende en meerdere partijen in de vorm van aandeelhouders voor u onwerkbaar is gebleken.

U heeft daarop op 21 december 2011 om 11.00 uur vrijwillig uw ontslag ingediend. Deze hebben wij ondanks onze positieve instelling geaccepteerd. (…)

Wij delen uw mening aangaande uw functioneren niet. (…) Dat u dan tot een dergelijke conclusie komt, is voor onze organisatie uiterst teleurstellend. (…)

Wel betreuren wij uw beslissing, die voor ons verstrekkende gevolgen heeft. (…) Wij leiden daadwerkelijk schade door uw besluit. Immers op korte termijn kunnen wij geen nieuwe verkoper zoeken en wij kunnen onze relaties niet of onvolledig informeren (…).

Of wij respectvol zullen terugkijken op de relatief korte duur van uw aanwezigheid zal dus grotendeels afhangen van medewerking bij de overdracht van ONZE informatie.

Formeel heeft u zelfstandig ontslag ingediend en zal er geen sprake zijn van beëindiging van de oproep, maar van ontslag op eigen verzoek per 21 december 2011. Van rechten op uitbetaling van uren na 21 december 2011 kan dan ook geen sprake zijn.

Uw verzoek om mee te werken aan een andere ontslagregeling is juridisch onrechtmatig. Wij kunnen aan uw verzoek dan ook geen gehoor geven. (…)’

i. Per e-mailbericht van 23 december 2011 heeft [eisende partij], refererend aan voormelde brief, aan [N] onder meer medegedeeld: ‘Je begrijpt toch wel dat ik mijn ontslag niet heb ingediend. Zoals je weet heb ik gezegd: ‘misschien moet je me wel ontslaan’. Daar heb ik niet mee aangegeven: ‘Ik neem mijn ontslag’. (…)’ Per brief van 24 december 2011 heeft [eisende partij] voorts aan [N] geantwoord: ‘(…) Afgelopen vrijdag, 23-12-2011, heb ik van u een brief ontvangen waarin u stelt dat ik op 21 december jl. om 11.00 uur in de ochtend vrijwillig mijn ontslag heb ingediend. Ik heb absoluut geen vrijwillig ontslag genomen. Het bevreemdt mij dan ook zeer dat u tot deze conclusie bent gekomen. Onze dienstbetrekking duurt daarom voort. Dat betekent dat u verplicht bent mijn loon door te betalen (…).’

j. Op 23 december 2011 heeft [eisende partij] haar huisarts geraadpleegd die haar slaapmedicatie heeft voorgeschreven. Daarnaast is [eisende partij] op 27 december 2011 een kalmeringsmiddel voorgeschreven.

k. Op 27 december 2011 heeft [eisende partij] zich bij [gedaagde partij] ziek doen melden. Per brief van 27 december 2011 heeft [gedaagde partij] aan [eisende partij] medegedeeld deze ziekmelding niet te accepteren en deze te beschouwen als een uiting van non-bereidheid tot medewerking aan een zorgvuldige overdracht. [gedaagde partij] heeft tot slot gepersisteerd in haar standpunt dat de arbeidsovereenkomst per 21 december 2011 is geëindigd op verzoek van [eisende partij].

l. Op 29 december 2011 heeft [gedaagde partij] bij het UWV Werkbedrijf om een ontslagvergunning gevraagd voor zoveel nodig. Dit verzoek is gegrond op bedrijfseconomische omstandigheden, te weten het door [bedrijf] opzeggen van de inleenovereenkomst met [gedaagde partij] aangaande [eisende partij]. Per beslissing van 27 februari 2012 is de gevraagde toestemming verleend, waarna [gedaagde partij] per brief van 28 februari 2012 voor zover vereist de arbeidsovereenkomst per 1 april 2012 heeft opgezegd. Per brief van haar gemachtigde d.d. 9 maart 2012 heeft [eisende partij], zich beroepend op haar arbeidsongeschiktheid en het opzegverbod bij ziekte, de nietigheid van de opzegging ingeroepen.

m. Op 3 januari 2012 heeft [N] [eisende partij] thuis bezocht. [N] heeft daarbij de vader van [eisende partij] gesproken en is een op 30 november 2011 gedateerde beëindigingsovereenkomst voorgelegd, samengevat inhoudende dat de arbeidsovereenkomst eindigt per 31 december 2011 op basis van wederzijds goedvinden. Per e-mailbericht van 4 januari 2012 heeft [gedaagde partij] daaromtrent aan [eisende partij] medegedeeld:

‘(…) Bij herhaling heb je de afspraken om de overdracht te komen doen niet nageleefd.

Bijgaande overeenkomst om tot een voor u gunstige oplossing te komen ligt tot maandagmiddag 17.00 uur op ons kantoor (…) klaar voor ondertekening. Indien u voor die tijd niet tot ondertekening bent overgegaan, geeft u daarmee blijk van het feit dat u er kennelijk voor kiest te volharden in uw eigen ontslagaanvraag. Wij zullen daarna geen medewerking meer verlenen aan een ontslag met wederzijds welbevinden en zullen het UWV informeren over uw eigen ontslag aanvraag per 21 december 2011.’

n. [eisende partij] is in het kader van haar aanvraag om een uitkering op 12 maart 2012 gezien door een verpleegkundige van het UWV. In het daarvan nadien door deze verpleegkundige in samenspraak met een verzekeringsarts opgemaakte Plan van Aanpak d.d. 26 maart 2012 is onder meer weergegeven dat [eisende partij] is uitgevallen met psychische klachten, waarbij 21 december 2011 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag wordt aangemerkt, dat de verwachting is dat de belastbaarheid binnen 3 maanden aanzienlijk zal verbeteren doch dat op dat moment de uit de ziekte voortvloeiende beperkingen nog zodanig zijn dat er onvoldoende mogelijkheden zijn voor re-integratieactiviteiten.

o. Op 19 maart 2012 is [eisende partij] gezien door de door [gedaagde partij] ingeschakelde bedrijfsarts. In het daarvan door hem opgemaakte ‘spreekuurverslag’ is bij ‘geschiktheid voor eigen werk’ weergegeven: ‘Mw [eisende partij] is onder begeleiding en ook beoordeeld door de verzekeringsarts van het UWV. Deze zullen ook binnenkort uitspraak doen over arbeidsongeschiktheid. Duidelijk is wel dat de gezondheidsklachten samenhangen met het vermelde arbeidsconflikt.’ en bij ‘Plan/Doel/Advies’: ‘Afwachten rechtzaak. Werknemer is reeds beoordeeld en onder begeleiding van het UWV. Een uitspraak van ondergetekende over de arbeidsgeschiktheid is derhalve niet aan de orde.’

De standpunten van partijen

Op wat [eisende partij] aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd en [gedaagde partij] in reactie daarop heeft aangevoerd, zal, voor zover van belang, in het navolgende worden ingegaan.

De beoordeling

1.

Uit de aard van de vordering vloeit de spoedeisendheid daarvan in voldoende mate voort.

2.

Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of [gedaagde partij] gehouden is om ook vanaf 22 december 2011 aan [eisende partij] loon te betalen, zoals zij vordert en [gedaagde partij] bestrijdt.

3.

Een dergelijke vordering is in het kader van een kort geding procedure alleen toewijsbaar als (ten minste) met een redelijke mate van zekerheid kan worden aangenomen dat de bodemrechter, als het gaat om de periode vanaf 22 december 2011, het bestaan van een arbeidsverhouding tussen [gedaagde partij] en [eisende partij] zal aannemen. Er zal dan ook - voorlopig - moeten worden beoordeeld de vraag of de arbeidsovereenkomst is beëindigd als gevolg van de ontslagname van [eisende partij] per 21 december 2011, zoals [gedaagde partij] stelt en [eisende partij] bestrijdt.

4.

Daarbij moet, wat betreft de tussen partijen in geschil zijnde feiten, voorts voorop worden gesteld dat, gelet op de aard van deze procedure, voor een verhoor van getuigen, al dan niet op basis van artikel 186 e.v. Rv, en/of voor een onderzoek door een door de kantonrechter benoemde deskundige in deze procedure geen plaats is. De kantonrechter kan het geschil dan ook slechts beoordelen aan de hand van de feiten die naar zijn oordeel op basis van de voorliggende stukken en wat daarover ter zitting is aangevoerd, in voldoende mate aannemelijk zijn geworden.

5.

Bij voormelde beoordeling geldt als uitgangspunt dat een werkgever niet te snel mag aannemen dat de werknemer zelf ontslag neemt, gezien de ernstige gevolgen die een dergelijke vrijwillige beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor de werknemer als regel heeft. Dit betekent dat de wilsverklaring duidelijk en ondubbelzinnig op beëindiging van de arbeidsovereenkomst moet zijn gericht en dat op de werkgever de plicht rust om te onderzoeken of de werknemer het ontslag daadwerkelijk wil. Indien aldus de werkgever zo’n verklaring te goeder trouw heeft opgevat als een gewilde verklaring, kan bij discrepantie tussen wil en verklaring geen beroep worden gedaan op het ontbreken van een met de verklaring overeenstemmende wil. Het kan echter naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn dat de werkgever, hoezeer hij de betreffende uitlatingen als een ontslagname heeft opgevat en mocht opvatten, de werknemer toch aan die ontslagname houdt, indien niet aan de zijde van de werkgever sprake is van relevant nadeel.

6.

Tegen de achtergrond van de hiervoor ontwikkelde uitgangspunten, is de kantonrechter voorshands van oordeel dat in een bodemprocedure niet zal standhouden het betoog van [gedaagde partij] dat de arbeidsovereenkomst als gevolg van de ontslagname door [eisende partij] met onmiddellijke ingang per 21 december 2011 is geëindigd.

7.

Dat [eisende partij] op 21 december 2011 met onmiddellijke ingang ontslag heeft genomen, is wel als zodanig door [gedaagde partij] per brief van 21 december 2011 bevestigd doch die stelling is consequent door [eisende partij] weersproken, getuige haar e-mailbericht van 23 december 2011 en haar brief van 24 december 2011. Uit [eisende partij]s e-mailbericht aan een collega van 21 december 2011 van 17.38 uur, zoals weergegeven in sub f. van de vaststaande feiten, blijkt ook duidelijk dat zij uitgaat van een voortbestaan van de arbeidsovereenkomst, in ieder geval tot 1 januari 2012. Daar komt bij dat [gedaagde partij] - ook al op 21 december 2011 - volgens eigen stelling verlangde van [eisende partij] dat zij mee zou werken aan een overdracht van zaken en klanten, in welk kader [gedaagde partij] ervan uitging dat [eisende partij] daarvoor nog tenminste éénmaal op kantoor zou komen. Dit past niet goed bij een onmiddellijk eindigen van de arbeidsrelatie, zoals door [gedaagde partij] wordt bepleit. Daarnaast blijkt uit het slot van de in sub h. van de vaststaande feiten weergegeven brief van [gedaagde partij] al dat tijdens het gesprek op 21 december 2011, zoals [gedaagde partij] die weergeeft, niet alleen het nemen van ontslag door [eisende partij] aan de orde is geweest maar ook haar ‘verzoek om mee te werken aan een andere ontslagregeling’. Ook uit het in sub m. van de vaststaande feiten weergegeven e-mailbericht van 4 januari 2012 blijkt in voldoende mate dat een onmiddellijke ontslagname van [eisende partij] voor [gedaagde partij] niet zo zeker was als zij nu ingang wil doen vinden.

8.1

Ook indien ervan uitgaat zou moeten worden gegaan, zoals [gedaagde partij] stelt en [eisende partij] bestrijdt, dat [eisende partij] in het gesprek van 21 december 2011 heeft medegedeeld met onmiddellijke ingang ontslag te nemen, geldt dat er op dat moment al voor [gedaagde partij] voldoende concrete aanwijzingen bestonden dat er wat betreft de mentale gesteldheid van [eisende partij] meer aan de hand was. Zo heeft [gedaagde partij] erkend dat [eisende partij] het gesprek van 21 december 2011 is begonnen met verhaal dat zij de vorige dag ‘door alle stress en spanningen’ bijna een verkeersongeluk had veroorzaakt en dat [eisende partij] toen is gaan huilen. Ook in de e-mail van een collega van 21 december 2011 van 17.38 uur - in reactie op de aan [eisende partij] gestelde vraag of het ‘nog een beetje met haar gaat’ - blijkt duidelijk dat het met [eisende partij] op psychisch vlak niet goed ging. Dit vindt verdere bevestiging in de verklaring van mw. [B], management-assistente bij [gedaagde partij], over het gesprek van 22 december 2011. Zij heeft onder meer verklaard dat [eisende partij] heeft gezegd dat zij de druk van het werk te groot vond, het gevoel had dat zij aan het lijntje werd gehouden, er niet meer tegen kon, doodongelukkig was in haar baan, niet meer at en sliep, iedere dag met loon in de schoenen naar het werk ging en het niet meer zag zitten. Uit de verklaring van [B] blijkt verder dat [eisende partij] in dat gesprek van 22 december 2011 meermalen in huilen is uitgebarsten en dat aan de orde is gekomen dat zij - d.i. [eisende partij] - professionele hulp zou gaan zoeken. In dat verband is van belang dat [gedaagde partij] evenmin heeft weersproken dat [eisende partij] in de periode voorafgaand aan het gesprek van 21 december 2011 werkweken maakte van 60 uur, dat [eisende partij] vanaf haar indiensttreding per 12 september 2011 nog geen verlofdag had opgenomen en dat [eisende partij] onvrede had over het uitblijven van een auto van de zaak, een mobiele telefoon van de zaak en visitekaartjes, zoals bij de indiensttreding wel met haar was besproken.

8.2

[gedaagde partij] heeft voorts niet weersproken dat [eisende partij] zich op 23 december 2011 tot haar huisarts heeft gewend en dat deze op basis van de gepresenteerde klachten achtereenvolgens slaapmedicatie en kalmeringsmedicatie aan [eisende partij] heeft voorgeschreven. Het staat daarnaast vast dat [eisende partij] zich op 27 december 2011 bij [gedaagde partij] ziek heeft doen melden. In het per 26 maart 2012 in het kader van [eisende partij]s aanvraag om een uitkering krachtens de Ziektewet opgemaakte plan van aanpak is voorts weergegeven dat de psychische klachten van [eisende partij] als plausibel zijn beoordeeld, waarbij de datum van 21 december 2011 is genoteerd als eerste dag van arbeidsongeschiktheid, terwijl [eisende partij] in haar aanvraag expliciet heeft aangegeven dat zij zich op 27 december 2011 heeft ziekgemeld.

Deze omstandigheden bieden bevestiging dat er al op 21 december 2011 voor [gedaagde partij] kenbaar meer met [eisende partij] aan de hand was.

8.3

Uit de hiervoor in overweging 8.1 weergegeven feitelijkheden had [gedaagde partij] naar het voorshands oordeel van de kantonrechter redelijkerwijs al het vermoeden moeten krijgen dat een uitlating als door [gedaagde partij] gesteld, te weten een ontslagname met onmiddellijke ingang, (in de eerste plaats) voortkwam uit een bijzondere psychische gesteldheid van [eisende partij]. Tegen die achtergrond is dan ook niet te begrijpen dat [gedaagde partij] de door haar gestelde ontslagname van [eisende partij] onmiddellijk in dat gesprek van 21 december 2011 heeft geaccepteerd.

Dit geldt te meer voor [gedaagde partij]’s volharding in die acceptatie in het licht van de nadien gebleken feitelijkheden als hiervoor weergegeven en tegen de achtergrond van [eisende partij]s mededeling in het gesprek van 22 december 2011 dat ‘zij alles wilde terugdraaien’, zoals weergegeven in de verklaring van [B].

Van [gedaagde partij] had, juist vanwege de aard en expertise in haar onderneming, mogen worden verwacht dat zij er rekening mee zou houden dat [eisende partij] niet goed in staat was haar belangen redelijk te waarderen en dat zij nader (medisch) onderzoek naar een en ander had gedaan / laten doen, in plaats van het zonder meer accepteren van een ontslagname als gesteld, zonder [eisende partij] de voorziene consequenties van een ontslagname met onmiddellijke ingang voor te houden, een gelegenheid te bieden om een ontslagname nog eens te overdenken en/of externe raad te adviseren.

8.4

Uit het voorgaande volgt, zo er al tot een ontslagname van [eisende partij] met onmiddellijke ingang kan worden geconcludeerd, dat er vooralsnog voor [gedaagde partij] voldoende aanleiding was om te twijfelen of het wel [eisende partij]s bedoeling was om onmiddellijk ontslag te nemen, zodat het er voor gehouden moet worden dat [gedaagde partij] een daartoe strekkende verklaring van [eisende partij] niet als zodanig heeft mogen opvatten. Er kan daardoor niet worden gesproken van gerechtvaardigd vertrouwen als hiervoor in overweging 5. bedoeld.

8.5

Uit de brief van [gedaagde partij] van 21 december 2011 blijkt, zoals overwogen, dat [eisende partij] kennelijk ook heeft verzocht om ‘mee te werken aan een andere ontslagregeling’. Uit de verklaring van [B] blijkt dat [eisende partij] al in het gesprek van 22 december 2011 heeft gevraagd om ‘alles terug te draaien. Uit [eisende partij]s e-mailbericht van 23 december 2011 blijkt duidelijk dat zij stelde geen ontslag te hebben genomen en daardoor niet instemde met een beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

9.

Gelet op wat in de overwegingen 7. en 8. is overwogen, is het dan ook naar grote mate van waarschijnlijkheid te verwachten dat een eventuele vordering van [eisende partij], gebaseerd op de stelling dat de arbeidsovereenkomst op en na 21 december 2011 is blijven bestaan, in een bodemprocedure toegewezen zal worden.

9.1

De kantonrechter begrijpt de stellingname van [gedaagde partij] aldus dat zij tevens aanvoert dat [eisende partij] vanaf 21 althans 27 december 2011 niet arbeidsongeschikt was, zodat hij op grond van het bepaalde in artikel 7:629a BW - ambtshalve - dient te beoordelen of het ontbreken van een deskundigenoordeel van het UWV niet al aan een toewijzing van de voorlopige voorziening in de weg staat. Nu niet is gesteld of is gebleken dat [eisende partij] voldoende tijd heeft gehad om een dergelijk oordeel aan te vragen én te verkrijgen, staat het ontbreken van dat oordeel niet in de weg aan de ontvankelijkheid van haar loonvordering in een procedure als deze. Overigens valt tegen de achtergrond van het hiervoor bedoelde plan van aanpak niet in te zien dat een deskundigenoordeel van het UWV steun zou geven voor [gedaagde partij]’s betwisting van [eisende partij]s arbeidsongeschiktheid.

9.2

De door [eisende partij] gevorderde wedertewerkstelling, althans medewerking tot re-integratie is niet toewijsbaar nu uit het plan van aanpak blijkt dat zij thans niet in staat is tot arbeid of tot re-integratie-activiteiten en dienaangaande pas op 1 juni 2012 een nadere (arbeidsmedische) beoordeling zal worden gemaakt. Er is dan ook onvoldoende aanleiding ter zake een voorlopige voorziening te treffen.

9.3

Op grond van het bovenstaande is de bij wege van voorlopige voorziening gevorderde doorbetaling van loon toewijsbaar, met dien verstande dat, gezien de bepaalde duur van de arbeidsovereenkomst tot 12 september 2012, het loon toewijsbaar is tot laatstgenoemde datum. Het door [gedaagde partij] aangehaalde restitutierisico kan daar niet aan afdoen. Gesteld noch gebleken is dat [eisende partij] bij arbeidsongeschiktheid aanspraak heeft op volledige doorbetaling van haar loon, zodat dienaangaande het in lid 1 van artikel 7:629 BW neergelegde uitgangspunt van 70% van het loon bij arbeidsongeschiktheid zal worden gevolgd.

9.4

Het is voorshands niet waarschijnlijk te achten dat de gevorderde wettelijke verhoging in een eventuele bodemprocedure integraal toegewezen zal worden, zodat er geen aanleiding bestaat om op dit punt een voorziening te treffen. Dit geldt eveneens voor de door [eisende partij] gevorderde betaling van vakantietoeslag, nu vaststaat dat die toeslag thans niet opeisbaar is.

9.5

De door [eisende partij] gevorderde wettelijke rente is voorshands toewijsbaar als nader te melden. Hetzelfde geldt voor de niet afzonderlijk weersproken gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke kosten, door [eisende partij] gesteld op een bedrag van € 535,50.

10.

Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij dient [gedaagde partij] verwezen te worden in de kosten van de procedure als hierna te melden.

11.

Wellicht ten overvloede zij nog opgemerkt dat wat wordt toegewezen tot voorschot strekt op wat [gedaagde partij] in een eventuele hoofdzaak verschuldigd zal blijken.

De beslissing in kort geding

De kantonrechter:

- veroordeelt [gedaagde partij] tegen bewijs van kwijting aan [eisende partij] te betalen:

a. een bedrag van € 2.287,00 bruto per maand, althans 70% daarvan bij arbeidsongeschiktheid en zolang deze arbeidsongeschiktheid voortduurt, tot het eindigen van de arbeidsovereenkomst;

b. de wettelijke rente over voormelde loonbedragen per maand vanaf de opeisbaarheid tot de dag van algehele voldoening;

c. een bedrag van € 535,50 aan vergoeding van buitengerechtelijke kosten.

- veroordeelt [gedaagde partij] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [eisende partij] begroot op:

• € 400,00 voor salaris gemachtigde (2,0 punten × tarief € 200,00)

• € 100,16 voor explootkosten

• € 207,00 voor griffierecht;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mr. W.F. Boele, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 11 april 2012, in tegenwoordigheid van de griffier.