Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BW9591

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
22-06-2012
Datum publicatie
27-06-2012
Zaaknummer
Awb 11/1920
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Watersysteemheffing; natuurterrein; inrichting

Eiser heeft verklaard dat de percelen reeds als natuur worden beheerd, maar dat ze wel nog als natuurterrein nader dienen te worden ingericht. Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat door eiser nog niet wordt voldaan aan de in artikel 116, aanhef en onder c, van de Waterschapswet opgenomen voorwaarde dat (naast het beheer) de inrichting geheel of nagenoeg geheel moet zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur. Verweerder heeft de percelen dan ook terecht als “ongebouwd buitendijks” aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/1615
Belastingblad 2012/428
V-N 2012/54.21.24
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht, Enkelvoudige Belastingkamer

Registratienummer: Awb 11/1920

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 26 Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[eiser],

wonende te Dalfsen,

en

de heffingsambtenaar van het Gemeenschappelijke Belastingkantoor Oost Nederland (Lococensus),

verweerder.

1.Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft eiser bij aanslag met dagtekening 30 juni 2011 aangeslagen in de watersysteemheffing gebouwd, ongebouwd en natuur over het belastingjaar 2011 voor een bedrag van in totaal € 696,31. Bij brief van 2 augustus 2011 heeft eiser tegen deze aanslag bezwaar gemaakt.

Bij uitspraak op bezwaar van 9 augustus 2011 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak op bezwaar is bij brief van 8 september 2011 beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 12 april 2012 ter zitting behandeld. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M. Vliegenthart.

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2.Het geschil

In geschil is de vraag of verweerder de in de aanslag betrokken percelen DSN01 X336, X338, X339 en X345 terecht als “ongebouwd buitendijks” heeft aangemerkt.

Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat voormelde percelen als “natuur” moeten worden aangemerkt. De percelen zijn op basis van een kwalitatieve verplichting onttrokken aan de landbouw en hebben geen agrarische bestemming meer. Er is geen ruimte meer voor agrarische activiteiten zoals bemesten, begrazen en maaien. Het gehele beheer van de percelen is volledig ten dienste van de natuur en het weidevogelbeheer. Voor zover nog sprake is van een landbouwkundige functie, speelt dit een zeer ondergeschikte rol. Met betrekking tot perceel X336 heeft eiser daarnaast aangevoerd dat het gaat om een strook van vier meter breed onder langs de dijk dat niet door het dijklichaam wordt ingenomen.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de aanslag correct is opgelegd.

Voor een meer uitvoerige weergave van de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

3.Beoordeling van het geschil

Ingevolge artikel 116, aanhef en onder c, van de Waterschapswet wordt – voor zover thans van belang – voor de toepassing van hoofdstuk XVII en de daarop berustende bepalingen onder natuurterreinen verstaan ongebouwde onroerende zaken waarvan de inrichting en het beheer geheel of nagenoeg geheel en duurzaam zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur. Onder natuurterreinen worden mede verstaan bossen en open wateren met een oppervlakte van ten minste één hectare.

In de Verordening op de watersysteemheffing Waterschap Groot Salland 2011 (hierna: de Verordening) is in artikel 1, aanhef en sub g, voor wat betreft de definitie van het begrip natuurterreinen aansluiting gezocht bij de definitie zoals opgenomen in artikel 116, aanhef en onder c, van de Waterschapswet.

Eiser heeft ter zitting verklaard dat de percelen wel reeds als natuur worden beheerd, maar dat ze wel nog als natuurterrein nader dienen te worden ingericht. Zo moeten natte stroken worden aangelegd, moet een poel worden ingericht en moet een soort strandje worden aangelegd voor kikkers. Deze inrichtingswerkzaamheden zullen plaatsvinden op het moment dat het Waterschap de daarvoor benodigde vergunningen heeft afgegeven.

Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat door eiser nog niet wordt voldaan aan de in artikel 116, aanhef en onder c, van de Waterschapswet opgenomen voorwaarde dat (naast het beheer) de inrichting geheel of nagenoeg geheel moet zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur. Verweerder heeft de percelen dan ook terecht als “ongebouwd buitendijks” aangemerkt.

Het beroep is ongegrond.

4.Proceskosten

De rechtbank acht geen termen aanwezig voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

5.Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.C. van Rijckevorsel-Besier, rechter, en door deze en

H. Blekkenhorst als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op

Afschrift verzonden op: