Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BW8720

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
19-06-2012
Datum publicatie
19-06-2012
Zaaknummer
07.620434-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld wegens zware mishandeling van zijn stiefzoon. De mishandelingen hebben in 2009 gedurende een periode van 8 maanden plaatsgevonden. Het kind was toen deels 3 en deels 4 jaar oud. Verdachte heeft ontkend, volgens hem deed het kind het zichzelf aan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector strafrecht

Parketnummer: 07.620434-09 (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer d.d. 19 juni 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres].

1. HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het onderzoek ter terechtzitting is aangevangen op 18 november 2010, voortgezet en aangehouden op 22 maart 2011 en 15 december 2011 te Lelystad. De inhoudelijke behandeling heeft plaatsgevonden op 5 juni 2012 te Lelystad. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. R.P.A. Kint, advocaat te Almere. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. C.J.W.M. Janssen en van de standpunten door de raadsman van verdachte naar voren gebracht.

2. DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 februari 2009 tot en met

08 oktober 2009 in de gemeente Lelystad tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) aan het minderjarige kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin, althans aan een persoon genaamd [slachtoffer] (geboortedatum), (telkens) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een bijtwond in de linkerbovenarm en/of een gebroken rechterpols en/of een gebroken linkerpols), heeft toegebracht, door (telkens) opzettelijk (met kracht) in de linkerbovenarm van die [slachtoffer] te bijten en/of die [slachtoffer] tegen de polsen/armen te slaan en/of schoppen en/of die [slachtoffer] van enige hoogte te duwen/gooien waardoor deze ten val is gekomen, althans enig uitwendig geweld uit te oefenen op/tegen het lichaam van die [slachtoffer];

althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte] en/of één of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 februari 2009 tot en met 08 oktober 2009 in de gemeente Lelystad tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) aan haar minderjarige kind, althans aan een persoon genaamd [slachtoffer] (geboortedatum), (telkens) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een bijtwond in de linkerbovenarm en/of een gebroken rechterpols en/of een gebroken linkerpols), heeft toegebracht, door (telkens) opzettelijk (met kracht) in de linkerbovenarm van die [slachtoffer] te bijten en/of die [slachtoffer] tegen de polsen/armen te slaan en/of schoppen en/of die [slachtoffer] van enige hoogte te duwen/gooien waardoor deze ten val is gekomen, althans enig uitwendig geweld uit te oefenen op/tegen het lichaam van die [slachtoffer], bij het plegen van welk misdrijf verdachte op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 februari 2009 tot en met 08 oktober 2009 in de gemeente Lelystad (telkens) opzettelijk gelegenheid heeft gegeven immers heeft hij, verdachte, (telkens), al dan niet aanwezig in dezelfde woning/ruimte waarin die [medeverdachte] en/of één of meer onbekend gebleven perso(o)n(en), naar hij (telkens) wist, althans had moeten weten, eerder die [slachtoffer] (meermalen) (zwaar) had mishandeld, die [medeverdachte] en/of één of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) (telkens) zonder (noemenswaardige) tegenstand (door daden en/of woorden) dat/die feit(en) heeft laten plegen, althans (telkens) niet belet/nagelaten dat die [medeverdachte] en/of één of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) die [slachtoffer] (zwaar) mishandelde(n); althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 februari 2009 tot en met

08 oktober 2009 in de gemeente Lelystad tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) opzettelijk mishandelend het minderjarige kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin, althans een persoon, te weten [slachtoffer] (geboortedatum), meermalen, althans éénmaal, (met kracht)

- in de bovenarm heeft gebeten en/of

- Vicks in de ogen heeft gesmeerd en/of

- met de pin van een zogenoemde Afro-kam in de voeten heeft gestoken en/of

- aan de oren heeft getrokken en/of

- de keel heeft dichtgeknepen en/of

- tegen de polsen heeft geschopt en/of geslagen en/of die [slachtoffer] van enige hoogte heeft geduwd/gegooid waardoor deze ten val is gekomen en/of

- tegen het hoofd en/of de rug en/of elders tegen het lichaam heeft geslagen en/of geschopt en/of geknepen en/of geduwd,

althans enig uitwendig geweld op/tegen het lichaam van die [slachtoffer] heeft uitgeoefend, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

3. DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

4.1 Inleiding

Bij de beoordeling van deze zaak stelt de rechtbank op basis van het voorliggende procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting het navolgende vast.

4.2 Ten aanzien van de ten laste gelegde feiten

Op 13 oktober 2009 wordt door de casemanager van Bureau Jeugdzorg Flevoland, zijnde [aangever], aangifte gedaan van mishandeling van [slachtoffer] (hierna te noemen: [slachtoffer]), geboren op 22 juni 2005. [slachtoffer] is de zoon van [medeverdachte] en wordt door haar en haar vriend, verdachte, opgevoed in een woning in Lelystad.

Naar aanleiding van voornoemde aangifte wordt [slachtoffer] op 15 oktober 2009 gehoord in een kindvriendelijke studio. [slachtoffer] verklaart tijdens dit studioverhoor onder meer dat zijn papa [verdachte] hem elke dag overal slaat en dat zijn moeder erbij was als zijn papa hem pijn deed. Tevens zijn er op de dag van het studioverhoor foto’s gemaakt van het letsel dat bij [slachtoffer] aangetroffen werd.

Door [medeverdachte] is toestemming gegeven tot de verstrekking van de medische informatie betreffende haar zoon. Hieruit komt naar voren dat [slachtoffer] op 16 februari 2009 voor het eerst bij de huisarts is verschenen met letsel aan zijn duim. De dag erna wordt op de spoedeisende hulp een fractuur in de rechteronderarm van [slachtoffer] geconstateerd. Er volgen meerdere bezoeken aan de huisarts en twee AMK-meldingen totdat [slachtoffer] op 8 oktober 2009 wordt opgenomen in het Zuiderzeeziekenhuis in Lelystad alwaar het volgende letsel bij [slachtoffer] wordt geconstateerd: een gebroken linkerpols, een rood en opgezwollen linkeroogkas, meerdere blauwe plekken, een schaafwond en bloeduitstortingen.

Op diezelfde dag zijn er ook foto’s gemaakt van het letsel dat bij [slachtoffer] aangetroffen werd waarop onder meer een bijtwond te zien is.

Diverse getuigen, waaronder familieleden, een gezinsvoogd en leerkrachten, zijn gehoord.

Verdachte wordt op 31 mei 2010 aangehouden. Hij is tweemaal door de politie gehoord waarbij hij ontkende zijn stiefzoon [slachtoffer] mishandeld te hebben. Deze ontkennende verklaring heeft hij op de zitting van 5 juni 2012 herhaald.

4.3 Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair en subsidiair ten laste gelegde zal worden vrijgesproken, nu niet bewezen kan worden verklaard dat verdachte de polsbreuken bij [slachtoffer] heeft veroorzaakt en een bijtwond niet aan te merken valt als zwaar lichamelijk letsel.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het meer subsidiair ten laste gelegde zal worden veroordeeld. Hij heeft daartoe verwezen naar het studioverhoor van [slachtoffer], de verklaringen van forensisch geneeskundige S. van den Berg (hierna: Van den Berg), kinderarts W.B. Hofstra (hierna: Hofstra) en huisarts P.E.F.M. Dassen (hierna: Dassen), alsmede naar het aangetroffen letsel bij het slachtoffer. Dit letsel is zoals Van den Berg heeft vastgesteld ook deels veroorzaakt door het slachtoffer zelf, aldus de officier van justitie. Naast voornoemde verklaringen heeft de officier van justitie gewezen op de vele de auditu-verklaringen die zich in het dossier bevinden. Daarbij dient in ogenschouw te worden genomen dat het slachtoffer een gedragsverandering heeft laten zien nàdat verdachte bij medeverdachte [medeverdachte] introk en [slachtoffer] geen letsel had ten tijde dat hij bij zijn oma verbleef.

4.4 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft een algehele vrijspraak bepleit. Daartoe heeft hij, zoals vervat in een pleitnota, zakelijk weergegeven, het navolgende aangevoerd.

Ten aanzien van het primair en subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman opgemerkt dat niet vaststaat hoe de polsbreuken zijn veroorzaakt. [slachtoffer] heeft zelf verklaard dat hij uit bed is gevallen en ook Van den Berg geeft geen duidelijkheid omtrent de oorzaak van de polsbreuken.

Met betrekking tot de ten laste gelegde bijtwond heeft de raadsman betoogd dat een dergelijke wond niet aan te merken is als zwaar lichamelijk letsel. Bovendien verklaart [slachtoffer] niet in welke arm hij is gebeten.

Ten aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat:

• niet vaststaat dat de bijtwond in de bovenarm van [slachtoffer] is veroorzaakt door verdachte. [slachtoffer] heeft weliswaar verklaard dat zijn (stief)vader hem heeft gebeten, maar forensisch onderzoek heeft daarover geen duidelijkheid verschaft. Bovendien is de mogelijkheid dat [slachtoffer] bij zichzelf de bijtwond heeft toegebracht niet onderzocht;

• [slachtoffer] tegenstrijdig verklaart over wie er Vicks in zijn ogen heeft gesmeerd, enerzijds verklaart [slachtoffer] dit zelf te doen, anderzijds dat verdachte dit zou hebben gedaan;

• het tegenstrijdige verklaren door [slachtoffer] geldt eveneens voor het ten laste gelegde prikken met een Afro-kam. Daarnaast zijn de bevindingen van prof. dr. Van Koppen (hierna: Van Koppen) op dit punt ontlastend voor verdachte;

• [slachtoffer] in het studioverhoor niet heeft verklaard over het ten laste gelegde trekken aan de oren / het dichtknijpen van de keel / het schoppen, slaan, duwen of gooien tegen het lichaam van [slachtoffer]. Er is geen letsel geconstateerd;

• het alternatieve ten laste gelegde veroorzaken van enig uitwendig geweld op/tegen het lichaam van [slachtoffer] onvoldoende bepaald is en van (voorwaardelijk) opzet niet is gebleken.

4.5 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud van de stukken van het onderliggende strafdossier en van hetgeen bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gebracht.

Algemene overwegingen

Alvorens in te gaan op het ten laste gelegde overweegt de rechtbank het navolgende.

De rapportage van Van Koppen

Zoals de rechtbank reeds bij de behandeling ter terechtzitting op 15 december 2011 heeft vastgesteld, roept het rapport van Van Koppen bij de rechtbank vragen op. Om verheldering daaromtrent te krijgen is Van Koppen opgeroepen om als deskundige ter terechtzitting te verschijnen. Nu de deskundige hier - aanvankelijk wegens onduidelijkheid over zijn financiële vergoeding en naderhand bij telefonische navraag op de zittingsdag alsmede vanwege verhindering - geen gevolg aan heeft gegeven, is de onduidelijkheid met betrekking tot de inhoud van zijn rapportage niet opgehelderd. De rechtbank overweegt hierbij dat ter terechtzitting van 05 juni 2012 is gebleken dat ook bij de officier van justitie en de raadsman van verdachte onduidelijkheden met betrekking tot de rapportage van de deskundige bestonden en dat de officier van justitie en de raadsman evenmin als de rechtbank aan de deskundige vragen hebben kunnen stellen, zodat ook voor deze procesdeelnemers geldt dat zij geen opheldering hebben verkregen. Daarbij komt dat de verdediging Van Koppen ter zitting had willen ondervragen over de aan hem na de terechtzitting van 15 december 2011 toegezonden stukken (zijnde kopieën van de bij de rechter-commissaris afgelegde getuigenverhoren en het rapport van psychiater R.J. Douma d.d. 9 februari 2011) waarover Van Koppen niet de beschikking had ten tijde van het opstellen van zijn rapport.

De rechtbank heeft met instemming van partijen geoordeeld dat juist in onderhavige zaak voortvarendheid betracht dient te worden en heeft het belang van een spoedige voortzetting groter geacht dan het belang bij schorsing van de behandeling ter terechtzitting om alsnog te trachten de deskundige op zitting te horen. Temeer nu de behandeling van de zaak reeds in november 2010 is aangevangen en het een verdenking van feiten uit 2009 betreft. Dit heeft tot gevolg dat de rechtbank de rapportage van Van Koppen niet zal betrekken in haar oordeelsvorming.

Studioverhoor van [slachtoffer]

Op 15 oktober 2009 is [slachtoffer] in een kindvriendelijke studio gehoord. Ten tijde daarvan was hij slechts vier jaar oud. Ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer] overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank stelt vast dat het verhoor van [slachtoffer] voldoet aan de daaraan gestelde eisen.

Gebleken is dat [slachtoffer] op 15 oktober 2009 conform de richtlijnen, zoals vervat in de Aanwijzing Opsporing en Vervolging inzake Kindermishandeling en - de daarin opgenomen verwijzing voor het horen van minderjarige slachtoffers naar - de Aanwijzing Auditief en Audiovisueel registreren van verhoren van aangevers, getuigen en verdachten in een studio, is gehoord in een kindvriendelijke studio. Van dit verhoor is ingevolge het bepaalde in artikel 152 van het Wetboek van Strafvordering een proces-verbaal opgemaakt in de vorm van een samenvatting.

In voornoemd verhoor verklaart [slachtoffer] naar het oordeel van de rechtbank spontaan en gedetailleerd. Vrijwel direct nadat de verhoorder uitleg heeft gegeven aan [slachtoffer] over de kindvriendelijke studio en dat in deze ruimte ‘geheimpjes’ verteld kunnen worden, verklaart [slachtoffer] dat: “Mijn papa mij soms slaat“. Dit spontane verklaren van [slachtoffer] herhaalt zich als de verhoorder met [slachtoffer] spreekt over een prikje in het ziekenhuis en [slachtoffer] verklaart: “En toen zag ik een keer heel veel, heel grote tanden van mijn papa”.

[slachtoffer] verklaart uitvoerig en zorgvuldig gedurende het verhoor. Als hij het antwoord niet weet, geeft hij dat duidelijk en herhaaldelijk aan. [slachtoffer] verklaart meerdere malen dat hij het niet weet en blijft daar consequent in.

Nu [slachtoffer] ook consistent is in zijn verklaring dat papa hem pijn deed, acht de rechtbank de verklaring van [slachtoffer] betrouwbaar. Dit geldt temeer, daar zijn verklaring op verschillende punten steun vindt in andere verklaringen in het dossier.

Zo verklaart getuige [gezinsvoogd] (tijdelijke gezinsvoogd) onder meer dat op het moment dat zij [slachtoffer] overbracht naar het crisispleeggezin [slachtoffer] in de auto verklaarde dat papa [verdachte] - zijnde verdachte - hem sloeg.

In het studioverhoor verklaart [slachtoffer] ook over het bijten in de arm door papa. [X] (leerkracht van [slachtoffer]) verklaarde dat [slachtoffer] tijdens een kringgesprek op 24 september 2009 vertelde dat zijn vader hem sloeg en beet.

Aan het einde van het studioverhoor verklaarde [slachtoffer] dat verdachte hem billenkoek gaf. Dit zou gebeuren met een slipper. [slachtoffer] verklaarde daarover: “Paf! Paf! Met een slipper”. Dit slaan met een slipper wordt ondersteund door de verklaring van pleegouder [X]. Hij verklaarde dat [slachtoffer] hem had verteld dat [verdachte] hem wel eens met een slipper op zijn blote kont had geslagen.

Voorts wordt de verklaring van [slachtoffer] zoals afgelegd in de studio ondersteund door de voorhanden zijnde foto’s van onder andere de bijtwond en blauwe plekken die bij [slachtoffer] zijn aangetroffen.

Het oordeel over de betrouwbaarheid wordt niet anders, nu is gebleken dat [slachtoffer] ten aanzien van specifieke verwondingen niet consistent verklaart. Zo verklaart [slachtoffer] wisselend ten aanzien van onder meer het smeren van Vicks in zijn ogen waarbij hij soms zichzelf en soms verdachte aanwijst. De rechtbank neemt daarbij in ogenschouw dat [slachtoffer] op de vraag wat papa zegt als [slachtoffer] door papa geslagen wordt antwoordt: “dat je niet pijn moet, dat je, dat jij dat zelf gedaan heb, dat jij mij zelf pijn gedaan heb”. Gelet hierop valt naar het oordeel van de rechtbank niet uit te sluiten dat dit [slachtoffer] heeft beïnvloed hetgeen tot gevolg kan hebben gehad dat hij wisselend heeft verklaard, in die zin dat hij soms zichzelf aanwijst en op andere momenten verdachte als de veroorzaker van het door hem opgelopen letsel.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen zal de rechtbank de verklaring van [slachtoffer] als uitgangspunt nemen bij de beoordeling van het ten laste gelegde.

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde

De rechtbank ziet zich voor de vraag geplaatst of verdachte letsel bij [slachtoffer] heeft veroorzaakt dan wel betrokken is geweest bij het veroorzaken van letsel bij [slachtoffer].

De rechtbank overweegt daartoe het navolgende.

Feiten

De rechtbank stelt voorop dat vaststaat dat er bij [slachtoffer] in de periode van 16 februari 2009 tot en met 8 oktober 2009 letsel - variërend van blauwe plekken, schaafwonden, een bezeerde duim, polsbreuken, anale wratten, oogontstekingen, bijtwonden, een gescheurde bovenlip, een rode wang en bloeduitstortingen in de oorschelpen - is geconstateerd. [slachtoffer] woonde in die periode bij zijn moeder - tevens medeverdachte - aan de [adres]. Verdachte heeft sinds 2008 een relatie met medeverdachte en verbleef vanaf eind 2008 gemiddeld 3 à 4 keer per week bij haar. In 2009 verbleef verdachte voor het merendeel in [woonplaats] bij medeverdachte. Ter terechtzitting heeft verdachte, gevraagd naar zijn op

31 mei 2010 afgelegde verklaring tegenover de politie dat hij op enig moment [X], zijnde medeverdachte, in de gaten ging houden, verklaard dat er geen anderen dan hijzelf, medeverdachte en [slachtoffer] bij betrokken waren als er bij [slachtoffer] letsel werd geconstateerd.

Voorts staat vast dat [slachtoffer] in de periode vóór 16 februari 2009 geen verwondingen had en dat hij evenmin verwondingen opliep op de momenten dat hij in de periode van 16 februari 2009 tot en met 8 oktober 2009 niet thuis, op de [adres], verbleef. Vaststaat dat [slachtoffer] in april 2009 een tijdje bij zijn oma, zijnde mevrouw [X], moeder van medeverdachte, heeft verbleven, alsook in juni 2009 voor een periode van

5 weken.

Medische informatie polsbreuk 17 februari 2009

Op 17 februari 2009, een dag nadat [slachtoffer] voor het eerst met letsel was verschenen bij zijn huisarts, althans een huisarts in opleiding die de huisarts van [slachtoffer] - zijnde Dassen - daarover consulteerde, werd [slachtoffer] op de spoedeisende hulp van het Zuiderzeeziekenhuis aangemeld waarbij aan de rechterpols een breuk werd geconstateerd. De huisarts is hierover gebeld en hem werd meegedeeld dat er een vermoeden was van lichamelijk geweld. Ook werd verteld dat niet goed kon worden uitgelegd hoe [slachtoffer] aan het letsel was gekomen.

Op 18 februari 2009 werd een verslag ter beschikking gesteld aan de huisartsenpraktijk, afkomstig van het Zuiderzeeziekenhuis en opgesteld door P.Z. Feczko, orthopaedisch chirurg. In dit verslag stond onder meer: “X-pols re: (…) Diagnose: Antebrachii fractuur met dislocatie distale radius rechts.” Naar aanleiding van deze breuk heeft het ziekenhuis een AMK-melding gedaan.

Dassen heeft hierover tegenover verbalisanten op 19 november 2009 desgevraagd verklaard dat de distale radius de onderarm betreft van [slachtoffer]. Het woord dislocatie betreft de stand van de botten in de onderarm. Dit wijst volgens hem op geweld en een grote impact. Verbalisanten hebben Dassen hierop gevraagd of een kind van de leeftijd en conditie van [slachtoffer] grote kans had op het oplopen van dit omschreven trauma bij normaal spel of een val vanuit stand, (hard) lopen of geringe hoogte. Hierop verklaarde Dassen dat dit niet aannemelijk was en dat dit omschreven trauma in deze omstandigheden naar grote waarschijnlijkheid ontstaat door geweld van buitenaf of door een val van grotere hoogte waarbij hij als voorbeeld een schutting noemde.

Medische informatie polsbreuk 8 oktober 2009

De tweede botbreuk aan de linkerpols werd geconstateerd op 8 oktober 2009. Kinderarts Hofstra verklaarde hierover dat deze botbreuk eigenlijk onverklaarbaar was en dat het niet duidelijk was wat er gebeurd was. Van den Berg heeft een letselbeoordeling gemaakt aan de hand van de foto’s die van [slachtoffer] genomen zijn op 15 oktober 2009. Hij kan evenals Hofstra niet aangeven hoe de fractuur precies is ontstaan. Van den Berg heeft geconcludeerd “dat [slachtoffer] zich presenteert met nogal veel letsel. Meer dan gemiddeld bij kinderen van dezelfde leeftijd. Onder andere twee keer een polsfractuur in korte tijd. De keren dat [slachtoffer] in het ziekenhuis is geweest, zijn er ook steeds wel enkele bloeduitstortingen geconstateerd. Zeker een deel van de letsels kan [slachtoffer] niet zelf hebben veroorzaakt. Op de foto’s is nogal veel letsel tegelijkertijd aanwezig, ook van recente datum. Daarnaast zijn er ook restanten van ouder letsel aanwezig. In combinatie met de gegevens uit het ziekenhuis, met name ook de foto’s die op 8 oktober 2009 zijn gemaakt, presenteert zich een beeld wat minder passend is voor zelf toegebracht letsel of voor een simpele accidentele val.” Tegenover de rechter-commissaris heeft Van den Berg ten aanzien van de vraag welk deel van de letsels volgens hem niet door [slachtoffer] kan zijn veroorzaakt, verklaard: “in ieder geval het beetspoor en de pols”. Met betrekking tot de pols heeft hij verklaard dat als je valt je een dergelijk letsel niet zelf hebt veroorzaakt, maar hij kan daarvan niet zeggen dat dat door een ander is toegebracht, dat weet hij niet.

Op 9 oktober 2009 ontving Dassen een rapport van het Zuiderzeeziekenhuis met daarin onder meer vermeld: “X-onderarm distale radiusfractuur met acceptabele stand. Diagnose: verdenking mishandeling.” Op 19 november 2009 werd als aanvullende diagnostiek vermeld: “er wordt een fractuur van de distale radius waargenomen met enige dislocatie.” Uit de aanvullende rapportage komt voorts onder meer naar voren dat vanwege de aard van het letsel, waaronder de polsbreuk, sterk werd gedacht aan kindermishandeling.

Verklaringen verdachte en [medeverdachte] niet consistent en tegenstrijdig met elkaar

Verdachte heeft over een polsbreuk, waarvan hij volgens eigen zeggen denkt dat dat ging om de eerste polsbreuk, tegenover de politie verklaard dat hij stond te douchen toen hij opeens een klap hoorde waarop hij de medeverdachte de slaapkamer uit zag lopen. Medeverdachte vertelde hem toen dat [slachtoffer] uit zijn bed was gevallen. Desgevraagd heeft verdachte aangegeven dat [slachtoffer] een kinderbedje van zo’n 50 centimeter hoog heeft met daaronder een laminaatvloer en een speelkleedje. Op 1 juni 2010 heeft hij deze verklaring tegenover de politie herhaald, met dien verstande dat hij een doordreunende harde klap hoorde en dat [slachtoffer] op het laminaat is gevallen en niet op het speelkleedje. Dit laatste zou hem verteld zijn door medeverdachte.

Ter zitting heeft verdachte aangegeven dat hij niet thuis was op het moment dat er polsbreuken bij [slachtoffer] werden geconstateerd.

Medeverdachte heeft tegenover aangeefster over de eerste polsbreuk verklaard dat [slachtoffer] uit zijn bed was gevallen. Tegenover de politie heeft medeverdachte hierover verklaard dat ze niet wist hoe hij aan een gebroken pols kwam. Op 1 juni 2010 heeft medeverdachte tegenover de politie verklaard dat er in het ziekenhuis aan haar verteld is dat de pols waarschijnlijk gebroken was doordat [slachtoffer] was gevallen en dat hij zich waarschijnlijk heeft opgevangen met zijn pols. [slachtoffer] heeft later aan haar verteld dat hij was uitgegleden over zijn deken.

Medeverdachte heeft voorts op 20 oktober 2009 tegenover de politie verklaard dat zij verdachte gebeld heeft toen ze zag dat er iets met de arm van [slachtoffer] was, waarna ze naar het ziekenhuis is gegaan alwaar de polsbreuk werd geconstateerd. Verdachte was daar volgens medeverdachte niet bij. Op 1 juni 2010 heeft medeverdachte, toen zij werd geconfronteerd met de politieverklaring van verdachte dat hij stond te douchen toen [slachtoffer] zijn polsje brak, niet met zoveel woorden ontkend dat verdachte er bij was.

Gelet op de hiervoor weergegeven verklaringen is de rechtbank van oordeel dat zowel verdachte als medeverdachte niet consistent hebben verklaard over (het ontstaan van) de eerste polsbreuk. Bovendien komen hun tegenover de politie afgelegde verklaringen op dit punt ook niet met elkaars verklaringen overeen.

Ten aanzien van de tweede polsbreuk hebben verdachte en medeverdachte geen verklaring gegeven.

Verklaringen [slachtoffer]

Aangeefster heeft hierover tegenover de politie verklaard dat zij [slachtoffer] in het ziekenhuis op 8 oktober 2009 tegen haar – op haar vraag wat er was gebeurd – hoorde zeggen dat hij een (draaiende) beweging met zijn pols had gemaakt en dat zijn pols toen kapot ging. Deze verklaring heeft zij op 23 februari 2011 tegenover de rechter-commissaris herhaald.

Gelet op de hiervoor aangehaalde verklaring van Van den Berg met betrekking tot de pols

is de rechtbank van oordeel dat de tegenover aangeefster afgelegde verklaring van [slachtoffer] niet kan stroken met de waarheid. Als een dergelijke polsbreuk al niet kan zijn veroorzaakt door een val, dan is het naar het oordeel van de rechtbank geenszins aannemelijk dat zo’n breuk veroorzaakt kan worden door een draaiende beweging met de pols. Hetzelfde geldt voor de tijdens het studioverhoor afgelegde verklaring van [slachtoffer] ten aanzien van pijn in zijn arm “en hier was ik gevallen een keer in m’n bed, heel hard (…) omdat ik heel hard ging vallen (…) ik zat gewoon zo, hier gewoon en <hier> ging ik echt boem”.

Zoals hiervoor reeds is overwogen heeft [slachtoffer] tijdens het studioverhoor tevens verklaard dat zijn papa hem elke dag overal slaat. [slachtoffer] heeft in het studioverhoor en ook daarbuiten - behoudens de keer dat hij tegen zijn juf [X] verklaarde dat hij door zijn moeder was geslagen omdat hij niet wilde eten - alleen verdachte en zichzelf aangewezen als degene die hem pijn deden.

Conclusie

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen en in onderlinge samenhang bezien kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat verdachte de polsbreuken bij [slachtoffer] heeft veroorzaakt door telkens opzettelijk met kracht tegen de polsen/armen te slaan. Het feit dat [slachtoffer] tijdens het studioverhoor desgevraagd - naast de hiervoor aangehaalde verklaring dat hij een keer heel hard ging vallen in zijn bed - meerdere malen heeft aangegeven niet te weten hoe zijn polsbreuken zijn veroorzaakt, doet daar niet aan af, nu [slachtoffer] in datzelfde studioverhoor heeft verklaard dat zijn papa hem elke dag overal slaat. Ook het feit dat [slachtoffer] ook zichzelf heeft aangewezen als degene die hem pijn deed, zoals dat hij bij zichzelf Vicks in zijn ogen gesmeerd zou hebben en dat hij met een stokje in zijn teen geprikt zou hebben, doet daar niet aan af. Naar het oordeel van de rechtbank valt, gezien voornoemde verklaringen van [slachtoffer], niet uit te sluiten dat hij niet ten laste van verdachte wilde en/of mocht verklaren. In datzelfde studioverhoor heeft [slachtoffer] immers ook aangegeven dat als hij pijn had hij van verdachte zichzelf moest aanwijzen als degene die hem pijn had gedaan.

Tot slot merkt de rechtbank op dat Dassen, naast de mogelijke oorzaak van geweld van buitenaf, als tweede mogelijke oorzaak van de eerste polsbreuk heeft genoemd een val van grotere hoogte. De rechtbank is van oordeel dat een dergelijke oorzaak niet aannemelijk is geworden, nu daarvoor in de verklaring van [slachtoffer] en ook overigens in het dossier geen aanknopingspunten zijn te vinden.

Bijtwond

Op 8 oktober 2009 worden bij [slachtoffer] in de linker bovenarm twee beetsporen geconstateerd. Hofstra verklaart hierover dat dit een menselijke beet is. Het lijkt haar niet erg waarschijnlijk dat [slachtoffer] deze beet bij zichzelf heeft toegebracht.

Van den Berg verklaart over de beetsporen dat deze op een plek zitten die een persoon zelf eigenlijk niet met de mond kan bereiken. Daarnaast zijn de beetsporen compleet tot aan de hoektanden. Dit impliceert dat mocht een persoon al wel de plek van de beetsporen met zijn mond kunnen bereiken, het onmogelijk is om een dergelijke bijtwond rechtstandig toe te brengen. De beetsporen vertonen bovendien afdrukken van goed ontwikkelde hoektanden met een onderlinge afstand van 4 cm wat past bij een gebit van een volwassene.

[slachtoffer] verklaart tijdens het studioverhoor dat hij heel veel grote tanden van zijn papa zag en dat papa hem daarmee heeft gebeten in zijn arm.

De rechtbank is gelet op de verklaringen van Hofstra en Van den Berg van oordeel dat de beetsporen op de linker bovenarm bij [slachtoffer] veroorzaakt zijn door een volwassene. Van den Berg verklaart immers dat de bijtwond onmogelijk rechtstandig toegebracht kan worden en dat de afdrukken passen bij een volwassen gebit. Deze verklaring nuanceert Van den Berg bij de rechter-commissaris door aan te geven dat: “Als je jezelf al probeert te bijten op die plaats, de hoek van de beet anders zal zijn”. De rechtbank verwerpt hiermee het verweer van de verdediging dat [slachtoffer] zelf de beetsporen zou hebben veroorzaakt. De tegenover de politie afgelegde verklaring van medeverdachte [medeverdachte] ten aanzien van het zelf bijten van [slachtoffer] in zijn arm acht de rechtbank gelet op voornoemde verklaringen ongeloofwaardig.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat verdachte de volwassene is geweest die de beetsporen heeft veroorzaakt. [slachtoffer] verklaart tijdens zijn studioverhoor zeer duidelijk over het bijten door verdachte. Dat [slachtoffer] niet specifiek aangeeft in welke arm dat zou zijn gebeurd, is niet van belang, nu de letselfoto’s duidelijk aangeven waar de bijtwond gesitueerd is.

Zwaar lichamelijk letsel

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag geplaatst of de polsbreuken en de bijtwond aangemerkt kunnen worden als zwaar lichamelijk letsel.

Zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 13 maart 2001, NJ 2001, 329 heeft bepaald is lichamelijk letsel als zwaar aan te merken als dit in het gewone spraakgebruik zo wordt aangeduid. Factoren die daarbij van belang zijn, zijn de ernst van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. Artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht geeft daarnaast een enuntiatieve opsomming van het begrip zwaar lichamelijk letsel. Zwaar lichamelijk letsel is niet alleen aan de orde wanneer er sprake is van blijvend letsel. Sommige letsels kunnen op zichzelf beschouwd en gelet op de algemene ervaring omtrent de aard en de gevolgen van het letsel en de noodzaak tot medisch ingrijpen al leiden tot het begrijpelijke oordeel dat er sprake is van zwaar lichamelijk letsel (HR 14 februari 2006 LJN AU8055).

Bijtwond

Vanwege het feit dat er in het dossier onvoldoende duidelijkheid is omtrent de behandeling van de bijtwond, het uitzicht op en de duur van het herstel en of dit mogelijkerwijs een blijvend litteken op zal leveren, kan niet worden vastgesteld of de bijtwond in de linker bovenarm van [slachtoffer] aan te merken valt als zwaar lichamelijk letsel.

Polsbreuken

De rechtbank is ten aanzien van de eerste polsbreuk van oordeel dat deze kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel, nu medisch ingrijpen noodzakelijk was voor het herstel van dit letsel. Uit de voorhanden zijnde medische informatie ten aanzien van deze breuk blijkt dat [slachtoffer] op 17 februari 2009 een repositie onder narcose heeft moeten ondergaan en dat hij op 30 maart 2009 poliklinisch opgenomen is geweest voor het operatief laten verwijderen van een draad uit de rechterpols.

Ten aanzien van de tweede polsbreuk staat vast dat [slachtoffer] op 8 oktober 2009 in het ziekenhuis moest worden opgenomen met meerdere verwondingen. Nu er geen, althans onvoldoende, medische informatie voorhanden is omtrent de ernst van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel, kan niet worden vastgesteld of de tweede polsbreuk aan te merken valt als zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank merkt ten overvloede op dat het geheel van letsels waarvoor [slachtoffer] in de periode van 8 tot en met 14 oktober 2009 in het ziekenhuis heeft verbleven naar gewoon spraakgebruik zou kunnen worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel. Echter, nu onder het primair ten laste gelegde geen andere verwondingen dan een bijtwond en de polsbreuken zijn opgenomen, zal de rechtbank verdachte op dit punt vrijspreken.

Gelet op vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel in de vorm van de breuk aan de rechterpols heeft toegebracht. Van het toebrengen van de breuk aan de linkerpols en de bijtwond zal de rechtbank verdachte vrijspreken, in aanmerking genomen dat dit letsel niet als zwaar lichamelijk letsel kan worden aangemerkt.

Het voorgaande brengt mee dat de rechtbank niet meer toekomt aan de beoordeling van het (meer) subsidiair ten laste gelegde.

5. DE BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

op één tijdstip in de periode van 01 februari 2009 tot en met 08 oktober 2009 in de gemeente Lelystad aan het minderjarige kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin genaamd [slachtoffer] (geboortedatum), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel een gebroken rechterpols heeft toegebracht, door opzettelijk (met kracht) die [slachtoffer] tegen de pols/arm te slaan.

Van het meer of anders ten laste gelegde zal verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6. DE KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

Primair:

Zware mishandeling van een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin.

7. DE STRAFBAARHEID

Het feit en verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die de strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten

8. DE OPLEGGING VAN STRAF EN/OF MAATREGEL

8.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het door hem bewezen geachte feit wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden waarvan 9 (negen) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaren met aftrek van het reeds ondergane voorarrest. Daaraan dient de bijzondere voorwaarde gekoppeld te worden van reclasseringstoezicht, ook indien dit inhoudt het volgen van een behandeling bij De Waag. Bij deze eis heeft de officier van justitie in acht genomen dat het slachtoffer een zeer jong kind is, dat er sadistische handelingen zoals bijten en het in de ogen smeren van Vicks hebben plaatsgevonden en dat de gevolgen voor het slachtoffer ernstig zijn.

8.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gelet op de door hem bepleite vrijspraak geen opmerkingen gemaakt ten aanzien van een op te leggen straf.

8.3 Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

De rechtbank overweegt dat een veilig thuis de basis is voor een gezonde ontwikkeling van kinderen tot zelfstandige volwassenen. Het grondrecht op bescherming tegen aantasting van de lichamelijke en geestelijke integriteit geldt voor een ieder, dus ook voor kinderen. In dit grondrecht ligt het recht van kinderen besloten om te worden beschermd tegen mishandeling en verwaarlozing. Dit grondrecht is vastgelegd in internationale wetgeving en ook in het burgerlijk recht is een verbod op geweld in de opvoeding opgenomen. Ouders zijn primair verantwoordelijk voor de verzorging en opvoeding van hun kinderen.

De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij het slachtoffer, dat deel uitmaakte van zijn gezin, meerdere malen ernstig mishandeld heeft. Het slachtoffer was gedurende de mishandelingen, die over een periode van negen maanden plaatsvonden, zeer jong, te weten deels drie en deels vier jaar oud, en kon op geen enkele wijze verweer leveren tegen een volwassen man. De rechtbank acht het onaanvaardbaar dat een volwassene een kind, dat volledig op hem moet kunnen vertrouwen en bij wie dat kind zich veilig behoort te voelen behandelt op de wijze zoals verdachte dat heeft gedaan.

Verdachte heeft op geen enkele manier verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. Integendeel, verdachte heeft continu volgehouden dat het het slachtoffer zelf is geweest die verwondingen bij zichzelf heeft toegebracht. Nu het geenszins uitgesloten is dat het slachtoffer zijn verdere leven (psychische) gevolgen zal ondervinden van de ernstige mishandelingen, is de rechtbank van oordeel dat een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is.

Nu de rechtbank tot een veroordeling ter zake van zware mishandeling komt, zal de rechtbank een hogere straf opleggen dan door de officier van justitie is geëist.

Om verdachte ervan te weerhouden wederom strafbare feiten te plegen zal de rechtbank mede gelet op het uittreksel justitiële documentatie van verdachte d.d. 8 mei 2012, waaruit blijkt dat verdachte reeds eerder veroordeeld is voor geweldsdelicten, een deel van de straf in voorwaardelijke vorm opleggen.

De rechtbank is van oordeel dat aan dit voorwaardelijke gedeelte de bijzondere voorwaarden in de vorm van een meldplicht bij de Reclassering Nederland en het volgen van een behandeling bij De Waag verbonden moeten worden, nu verdachte blijkbaar een agressieprobleem heeft. Gelet op de lange periode waarin de mishandelingen van het slachtoffer hebben plaatsgevonden en het feit dat verdachte inmiddels de zorg heeft over zijn bij hem inwonende dochter van bijna twee jaar acht de rechtbank het van belang dat aan de voorwaardelijke gevangenisstraf een lange proeftijd wordt verbonden.

9. DE BENADEELDE PARTIJ

Voor aanvang van de terechtzitting heeft [slach[slachtoffer] als gemachtigde van [slachtoffer] een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partij begroot op een bedrag van € 6.828,72, zijnde een bedrag van € 1.828,72 aan materiële schade en € 5.000,- aan immateriële schade.

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering namens [slachtoffer] geheel toe te wijzen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman heeft, gelet op de door hem betoogde vrijspraak, verzocht [slachtoffer] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij rechtstreekse schade heeft geleden ten gevolge van het aan verdachte primair bewezen verklaarde feit. De hoogte van die schade is genoegzaam vast komen te staan tot een bedrag van € 5.000,-.

De rechtbank overweegt dat slechts het bedrag gevorderd als immateriële schade toewijsbaar is. Dit vanwege het feit dat uit de vordering en het daarbij behorende schade-onderbouwingsformulier onvoldoende blijkt welke advocaat-, reis-, en telefoonkosten gemaakt zijn als gevolg van het bewezen verklaarde.

De rechtbank is van oordeel dat het een onevenredige belasting van het strafgeding is om alsnog uit te laten zoeken welke kosten er gemaakt zijn ten aanzien van onderhavige strafzaak. De rechtbank zal derhalve de benadeelde partij voor het gedeelte wat betreft de materiële schade niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering.

Ten aanzien van de toewijsbare immateriële schade overweegt de rechtbank dat ingevolge het bepaalde in artikel 6:98 van het Burgerlijk Wetboek voor vergoeding slechts in aanmerking komt de schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend. De rechtbank zal het bedrag dat verdachte aan immateriële schade dient te vergoeden, bepalen aan de hand van de sleutel van de redelijke toerekening.

De rechtbank is van oordeel dat de deelregel van een gerechtvaardigde toerekening aan de hand van de mate van schuld aan het schadetoebrengende feit - in casu de mishandelingen van [slachtoffer] - toegepast dient te worden. Gelet hierop overweegt de rechtbank dat verdachte een groter aandeel dan de medeverdachte heeft gehad in de veroorzaakte schade. Nu de rechtbank verdachte verantwoordelijk houdt voor zware mishandeling acht de rechtbank het redelijk een gedeelte van € 3.500, - van de gevorderde € 5.000, - aan immateriële schade toe te rekenen aan verdachte.

Tevens zal de door de benadeelde partij gevorderde wettelijke rente vanaf 1 februari 2009 worden toegewezen.

De rechtbank zal voorts aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom van € 3.500, - ten behoeve van het slachtoffer.

10. DE TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 36f, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

11. DE BESLISSING

De rechtbank:

Ten aanzien van de tenlastelegging

Bewezenverklaring

- verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5. is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat primair meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde feit strafbaar;

- verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde feit strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte, groot 8 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf;

- stelt als algemene voorwaarden dat de verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich:

* gedurende de proeftijd van 3 jaar bij Reclassering Nederland zal melden, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht, waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

* gedurende de proeftijd van 3 jaar onder behandeling zal stellen van De Waag op de tijden en plaatsen als door of namens die De Waag aan te geven, teneinde zich te laten behandelen voor zijn agressieprobleem;

Benadeelde partij

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer], wonende te [woonplaats], van een bedrag van € 3.500, - (zegge: vijfendertighonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 1 februari 2009, tot die van de algehele voldoening;

- veroordeelt de verdachte voorts in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt op aan de verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 3.500, - ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] voornoemd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 45 dagen hechtenis;

- bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] voor wat het meer gevorderde betreft in zijn vordering niet-ontvankelijk is en dat hij zijn vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.H. Schormans, voorzitter, mrs. L.G. Wijma en M. Iedema, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Doornwaard, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 juni 2012.