Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BW8228

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
11-04-2012
Datum publicatie
03-09-2012
Zaaknummer
193594 / HZ ZA 11-1069
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Landinrichting. Vraag of te laat ingediend bezwaar verschoonbaar is.

Toedeling voldoet niet aan het bevorderen van een doelmatig gebruik.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

Locatie Zwolle

zaaknummer / rolnummer: 193594 / HZ ZA 11-1069

Vonnis van 11 april 2012

in de zaak van

1. [eiser 1],

wonende te [woonplaats],

2. [eiser 2],

wonende te [woonplaats],

3. [eiser 3],

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. J.T. Fuller te Zwolle,

tegen

de procesbevoegdheid bezittende

LANDINRICHTINGSCOMMISSIE NOORDWEST-OVERIJSSEL

(herinrichting Rond de Weeribben),

gevestigd en kantoorhoudende te Zwolle,

vertegenwoordiger mr. C.M.J. Ribbers, regiojurist Oost van DLG te Arnhem.

Partijen zullen hierna [eiser] c.s. en de landinrichtingscommissie genoemd worden.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het door de landinrichtingscommissie ter inzage gelegde plan van toedeling, voor zover betrekking hebbend op [eiser] (R-nummer 1004115)

- het bezwaarschrift van [eiser] c.s. van 28 december 2010, door de landinrichtingscommissie genummerd 77

- het proces-verbaal van de behandeling door de landinrichtingscommissie, opgemaakt op 30 juni 2011

- het aanvullend “proces-verbaal”/bezwaarschrift (met bijlagen)van [eiser] c.s. van 12 juli 2012

- de brief namens de landinrichtingscommissie van 14 juli 2011, waarbij aanvullende stukken zijn toegezonden

- het proces-verbaal van de behandeling door de rechter-commissaris op 16 augustus 2012,

waarbij het bezwaar is terugverwezen naar de landinrichtingscommissie

- het proces-verbaal van de behandeling door de landinrichtingscommissie, opgemaakt op 12 oktober 2011

- de brief van [eiser] c.s. ter aanvulling van het proces-verbaal

- het proces-verbaal van de behandeling door de rechter-commissaris op 22 november 2011,

waarbij het bezwaar is verwezen naar de meervoudige kamer van de rechtbank

- het vervolgproces-verbaal van de rechter-commissaris van 23 december 2011

- het bij brief van 27 januari 2012 van de landinrichtingscommissie overgelegde deskundigenrapport van DLG

- de bij brief van 30 januari 2012 door [eiser] c.s. overgelegde producties 1 en 2, omvattende een concept-deskundigenrapport van DLG en een rapport van Schelhaas Makelaardij te Hoogeveen

- de mondelinge behandeling door de rechtbank op 31 januari 2012

- de pleitnotities van de zijde van de landinrichtingscommissie, met kaartbijlagen 1 tot en met 3

- de pleitaantekeningen van mr. J.T. Fuller met 6 producties.

1.1. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] c.s. exploiteren aan de [adres] te [woonplaats] een melkveehouderij.

2.2. De inbreng in de ruilverkaveling Herinrichting Noordwest Overijssel, deelgebied Rond de Weerribben, van [eiser] c.s. omvat een huiskavel, gevormd door gronden aan weerszijden van en achter de bedrijfsgebouwen aan de [adres] en omvattende circa 28,8 ha, en een veldkavel van circa 5.2 ha aan de [adres] op ongeveer 600 meter vanaf de bedrijfsgebouwen. De totale inbreng bedraagt 33.95.70 ha.

2.3. Het plan van toedeling voorziet in een huiskavel van 33.82.80 ha, waarin onder andere voornoemde veldkavel is opgenomen. Voor het overige worden aan [eiser] c.s. toegedeeld gronden die zijn gelegen tussen de inbrenghuiskavel en de –veldkavel.

2.4. In het natuurinrichtingsplan Roomsloot-[adres] Nieuw is op grond van een bestemming tot nieuwe natuur in het landinrichtingsplan langs de Roomsloot en aansluitend aan de toedeling van [eiser] c.s. voorzien in een natte ecologische verbindingszone voorzien van de aanduiding moeras.

2.5. Van de huiskavel bij inbreng wordt een aanzienlijk deel van de gronden tot aan de Roomsloot niet meer aan [eiser] c.s. toegedeeld. De landinrichtingscommissie heeft de opdracht om deze gronden voor vorenaangegeven doel vrij te maken.

2.6. Het agrarisch bedrijf van [eiser] c.s. is ook gelegen in de tot nieuwe natuur bestemde zone, maar wordt niet verplaatst en wordt derhalve ter plaatse voortgezet.

3. Het geschil

3.1. De bezwaren van [eiser] c.s. tegen het plan van toedeling zijn te onderscheiden in bezwaren die in het bezwaarschrift bij de landinrichtingscommissie zijn aangevoerd en in bezwaren die nadien hangende de procedure door [eiser] c.s. naar voren zijn gebracht.

De eerstbedoelde bezwaren zijn – kort gezegd – de volgende:

a. bij de toedeling is geen sprake van kavelconcentratie; de interne afstanden, vanuit de stal gerekend, nemen zelfs toe;

b. bij de toedeling is geen sprake van afstandsverkorting;

c. bij de toedeling is een verslechtering van de kavelvorm aan de orde;

d. nadelige gevolgen van de inrichting van de nieuwe natuur (als moeras met bijbehorende waterpeil voor de toegedeelde gronden).

Ter gelegenheid van de tweede zitting over de bezwaren ten overstaan van de rechter-commissaris hebben [eiser] c.s. – kort gezegd – de volgende bezwaren te berde gebracht:

e. bezwaar tegen het niet toedelen van de petgaten die deel uitmaken van de inbreng;

f. op de toedeling achter de voormalige boerderij van de buurman bevinden zich een mestput en restanten van oude kuilplaten;

g. de kwaliteit van de toedeling is wat betreft bepaalde gronden – de zogenaamde BBL-gronden – zodanig dat deze ook met kavelaanvaardingswerken niet aanvaardbaar is.

Van meet af aan hebben [eiser] c.s. voorts een vraagteken geplaatst bij de realiteitswaarde van de beoogde realisering van een strook nieuwe natuur langs de Roomsloot, mede gelet op landelijke ontwikkelingen inzake natuurontwikkeling, die naar hun mening voor de landinrichtingscommissie (enkel) leidend is geweest voor hun toedeling.

3.2. [eiser] c.s. vorderen dat de toedeling wordt herzien en dat aan de landinrichtingscommissie wordt meegegeven dat deze herziening zodanig moet zijn dat de door hen gewenste percelen richting de Roomsloot hun worden toegedeeld. Voorts verzoeken [eiser] c.s. veroordeling van de landinrichtingscommissie in hun proceskosten.

3.3. De landinrichtingscommissie heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van de bezwaren van [eiser] c.s. tegen de toedeling, alsmede tot niet-ontvankelijkverklaring van de nieuwe bezwaren, als onder 3.1 met e tot en met g aangegeven, aangezien [eiser] c.s. wat betreft deze bezwaren verweten moet worden dat zij die niet eerder bij de landinrichtingscommissie hebben ingebracht.

4. Overgangsrecht

4.1. Met de inwerkingtreding van de Wet inrichting landelijk gebied (Wilg) op 1 januari 2007 is de Landinrichtingswet (Liw) ingetrokken. Ingevolge artikel 95, tweede lid, van deze wet blijft de Liw van toepassing op inrichtingsprojecten die deels in voorbereiding of in uitvoering zijn. Nu de eigenaren en gebruikers in de periode van 26 september tot en met 18 oktober 2006 op de voet van art. 198 van de Liw in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen ten aanzien van het plan van toedeling kenbaar te maken, vindt op de herinrichting voor het deelgebied Rond de Weerribben de Liw toepassing.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. De rechtbank zal zich eerst buigen over de omvang van het geschil, dat wil zeggen over de door de landinrichtingscommissie gevorderde niet-ontvankelijkheid van een aantal bezwaren, met name die betreffende de (toedeling/waarde van) de petgaten, het mestbassin c.a. en de kwaliteit van de BBL-gronden.

5.2. De rechtbank volgt de landinrichtingscommissie in haar standpunt ten aanzien van de eerste twee genoemde bezwaren omdat zij van oordeel is dat de “petgatenproblematiek” een zodanig belangrijk onderdeel van de toedeling uitmaakt, dat [eiser] c.s. verweten moet worden dat zij bezwaren, die specifiek gericht zijn op dit aspect van de toedeling en die strekken tot een wijziging van de grens van de toedeling op kavelniveau, los van de aanstonds geopperde bezwaren tegen de toedeling in zijn totaliteit, niet eerder hebben kenbaar gemaakt. De rechtbank ziet hierin geen nadere onderbouwing van de aanvankelijk gemaakte bezwaren en dit bezwaar zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.

Hetzelfde acht de rechtbank het geval wat betreft de begrenzing van de toedeling in verband met het aanwezige mestbassin c.a. op de toegedeelde gronden. Niet valt in te zien dat [eiser] c.s. deze bezwaren niet eerder hadden kunnen maken.

5.3. Overigens stelt de rechtbank vast dat de landinrichtingscommissie zich ter zitting bereid heeft verklaard het verschuiven van de toedelingsgrens nabij die objecten ter plaatse, anders dan via een wijziging van het plan van toedeling, te willen faciliteren bij de ruilakte, nu BBL zich blijkens de landinrichtingscommissie kan vinden in een verlegging van de grens “naar achteren” (dat wil zeggen vanaf de [adres] gezien).

5.4. Ten aanzien van het nieuwe bezwaar ter zake van de kwaliteit van de BBL-gronden komt de rechtbank tot een ander oordeel. Daartoe overweegt zij het volgende.

Dit bezwaar richt zich tegen de kwaliteit van door [eiser] c.s. nader in productie 6 bij de pleitnota van mr. Fuller met de vermeldingen MT, LT en KT aangeduide gronden van BBL, die aan [eiser] c.s. zijn toegedeeld. Vaststaat dat de (thans voormalige) boerderij van de buurman van [eiser] c.s., gesitueerd aan de [adres] vóór perceel MT, vijf jaar geleden is aangekocht en dat de daarbij behorende gronden, aan te merken als BBL-gronden, gedurende volgens [eiser] c.s. in ieder geval de afgelopen vier jaar verhuurd zijn aan tijdelijke gebruikers. Het bij de landinrichtingscommissie ingediende bezwaarschrift van [eiser] c.s. is gedateerd 28 december 2010 en door de landinrichtingscommissie ontvangen op 4 januari 2011. Onweersproken door de landinrichtingscommissie hebben [eiser] c.s. gesteld dat de huidige kwaliteitstoestand van bedoelde percelen vooral sinds het seizoen 2011 aanwezig is. De landinrichtingscommissie heeft ter zitting verklaard dat zij niet op de hoogte was van de ontstane toestand op de percelen. De rechtbank leidt hieruit af dat het bezwaar tegen de kwaliteit van deze gronden eerst in de loop van de procedure, dat wil zeggen eind 2011, urgent is geworden. Onder deze omstandigheden, kan [eiser] c.s. weliswaar worden tegengeworpen dat zij het desbetreffende bezwaar eerst na het indienen van het bezwaarschrift hebben ingebracht, maar moet dit verschoonbaar worden geacht. De vordering tot niet-ontvankelijkverklaring van dit bezwaar wordt dan ook afgewezen.

5.5. Ten aanzien van de bezwaren tegen de toedeling, hiervoor vermeld onder 3.1 sub a en b, overweegt de rechtbank als volgt.

De landinrichtingscommissie heeft zich ten aanzien van deze bezwaren op het standpunt gesteld dat de toedeling beantwoordt aan de uitgangspunten van de ruilverkaveling, aangezien bij de toedeling sprake is van een 100%-huiskavel met goed ontsloten gronden, zowel vanaf de [adres] als over eigen grond. De landinrichtingscommissie heeft daarbij aangegeven dat de toedeling van de huiskavel niet zoveel verschilt met de inbreng, omdat de inbreng een diepte had van circa 610 meter en de toedeling een breedte langs de weg van circa 690 meter. Bovendien voert zij aan dat een veldkavel is opgenomen in de huiskavel.

5.6. In de Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 22 juni 2004, nr. TRCJZ/2004/3819, houdende regels over herverkaveling (Regeling herverkaveling) zijn de regels over de toedeling opgenomen. De landinrichtingscommissie heeft besloten zich te conformeren aan de regels zoals opgenomen in de Regeling herverkaveling. Deze regels staan beschreven in bijlage 1 van de informatiefolder wenszitting. Daarin is over de wijze van toedeling in artikel 16 het volgende opgenomen:

1. De toedeling van kavels vindt zodanig plaats dat een doelmatig gebruik wordt bevorderd.

2. De toedeling van kavels geschiedt met inachtneming van de volgende rangorde:

a. toedeling gericht op een zo groot mogelijke concentratie van kavels bij de bedrijfskavel;

b. toedeling gericht op een zo groot mogelijke concentratie van kavels bij de huiskavel;

c. toedeling gericht op een zo gering mogelijke afstand tussen de bedrijfsgebouwen en de kavels;

d. toedeling gericht op een zo gering mogelijke afstand tussen het woonhuis en de kavels.

5.7. De rechtbank constateert dat de toedeling ertoe strekt dat de bij de inbreng bestaande, redelijk compacte huiskavel bij de toedeling in lengterichting langs de [adres] wordt uitgerekt en uitgestrekt, waarbij een veldkavel bij de huiskavel wordt aangesloten. Wat betreft deze toevoeging kan getalsmatig om die reden gesproken worden van een zo groot mogelijke concentratie van kavels in een huiskavel. Echter, de huiskavel, waarin de bedrijfsgebouwen thans min of meer centraal (aan de weg) zijn gelegen, wordt bij de toedeling zodanig “uitgerekt”, door een aaneenschakeling van gronden in een lengterichting, dat de interne afstanden binnen deze huiskavel worden vergroot. Daargelaten een beoordeling van de geschiktheid van de toedeling voor een bedrijfsvoering met een melkrobot aan de hand van enige norm, constateert de rechtbank dat de landinrichtingscommissie erkent dat bij de toedeling de loopafstanden voor het vee naar de stal toenemen. Tegenover de opmerking van de landinrichtingscommissie dat de veldkavel bij de inbreng op eenzelfde afstand was gelegen, hebben [eiser] c.s. gesteld dat deze veldkavel niet voor beweiding maar voor graswinning wordt gebruikt. Het bedrijfsmatig gebruik van de gronden is voor de toedeling in zoverre van belang dat volgens de regels voor de toedeling een doelmatig gebruik moet worden bevorderd. Aangezien het bedrijf van [eiser] c.s. een melkveehouderij is, komt het de rechtbank voor dat de bestaande huiskavel(concentratie) een doelmatiger situatie is dan die volgens de toedeling.

Indien de afstanden binnen één (huis)kavel groter worden door de toedeling, draagt die toedeling niet bij aan het bevorderen van een doelmatig gebruik, zijnde vóór alles het doel van de toedeling.

Van een efficiëntere bewerking en voederwinning bij de toedeling, zoals gesteld door de landinrichtingscommissie, is de rechtbank niet overtuigd, gezien de al bestaande verbinding via de [adres] naar de veldkavel. De rechtbank ziet op dit punt geen verschil met de te overbruggen afstand over de nu bij de toedeling aaneengesloten gronden.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank niet de overtuiging toegedaan dat de toedeling beantwoordt aan de uitgangspunten voor de ruilverkaveling, in de zin dat de toedeling op zijn minst even doelmatig is dan de inbreng. Zij komt dan ook tot het oordeel dat de bezwaren van [eiser] c.s. in het kader van voornoemde toedelingsregels voor de toedeling gegrond zijn.

5.8. De landinrichtingscommissie heeft de door [eiser] c.s. voorts gestelde verslechtering van de kavelvorm bij de toedeling volgens het plan van toedeling niet weersproken. De rechtbank acht daarmee de geldigheid van dit bezwaar (sub 3.1 onder c) bevestigd, maar stelt tegelijkertijd vast dat vormverbetering op zichzelf niet als doelstelling van deze ruilverkaveling is geformuleerd in de toedelingsregels. Dit neemt niet weg dat aan dit bezwaar bij de belangenafweging, in samenhang met het hiervoor overwogene met betrekking tot de toedelingsregels, wel enig gewicht kan worden toegekend.

5.9. Wat betreft het bezwaar van [eiser] c.s. dat de inrichting van een moerasstrook langs de Roomsloot nadelige gevolgen zal hebben voor hun daaraan aansluitende gronden in de vorm van vernatting door een andere waterhuishouding, stelt de rechtbank vast dat de landinrichtingscommissie de vrees voor die gevolgen niet als irreëel heeft weersproken.

Tijdens de bezwarenbehandeling bij de rechter-commissaris heeft de landinrichtingscommissie aanstonds gesteld dat nadelige gevolgen “in het gebied” als gevolg van de inrichting gecompenseerd zullen moeten worden, alsmede heeft zij “via het waterschap” een landbouwkundig gebruik van de gronden van [eiser] c.s. gegarandeerd.

Zij beroept zich op haar beslissing uit 2008 dat [eiser] c.s. gegarandeerd moet worden dat een landbouwkundig gebruik van de gronden mogelijk moet blijven.

Het standpunt van [eiser] c.s. dat uit het hydrologisch rapport behorende bij het inrichtingsplan [adres]-Roomsloot moet worden afgeleid dat een verhoging van het waterpeil c.q. vernatting is te duchten, heeft de landinrichtingscommissie weersproken. Zij heeft aangegeven dat bedoeld rapport een te groot gebied bestrijkt om ten aanzien van de gronden van [eiser] c.s. conclusies te kunnen trekken en dat dit laatste eerst mogelijk zal zijn nadat, ná het vaststellen van het plan van toedeling, een nieuw hydrologisch onderzoek zal zijn verricht en gerapporteerd in het kader van een te maken inrichtingsplan. Dit standpunt vindt bevestiging in een overgelegd gespreksverslag van [eiser] c.s. met het waterschap op 25 mei 2011.

De landinrichtingscommissie heeft de door [eiser] c.s. ingebrachte problematiek met nadruk als een technisch (op te lossen) probleem gekwalificeerd, dat in de toekomst zal moeten worden opgelost. Daarbij geeft zij bij herhaling aan in dezen af te (moeten) gaan op het waterschap dat de garantie geeft dat “reclamanten met droge voeten kunnen blijven wonen” en voorts dat [eiser] c.s. in de toekomst het waterschap kunnen aanspreken.

Ook ter zitting verwijst de landinrichtingscommissie naar “de garantie” van het waterschap.

Ter zitting gevraagd naar vorm, inhoud en door wie deze garantie is gegeven, is de landinrichtingscommissie een antwoord schuldig gebleven, anders dan te refereren aan een mondelinge mededeling (van een waterschapsvertegenwoordiger) ten overstaan van de landinrichtingscommissie tijdens een vergadering in het verleden. De landinrichtingscommissie heeft vervolgens verklaard dat deze garantie valt onder de algemene zorgplicht van het waterschap.

De rechtbank is van oordeel dat de landinrichtingscommissie op deze wijze het reële bezwaar van [eiser] c.s. bij wijze van spreken onder het motto “après nous le déluge” (van zich) “wegschuift” met een verwijzing naar een toekomstig te maken inventarisatie van de daadwerkelijke gevolgen na de inrichting van de moerasstrook alsmede, voor wat betreft de alsdan mogelijk blijkende noodzaak tot voorzieningen, met een verwijzing naar de algemene zorgplicht van het waterschap ter zake van de waterhuishouding. Hoewel bij gebreke van concrete gegevens onder de gegeven omstandigheden mogelijk niet onbegrijpelijk, laat de landinrichtingscommissie met die opstelling een erkende onzekerheid wat betreft de gevolgen van de natuurontwikkeling voor het agrarisch bedrijf van [eiser] c.s. volledig voor rekening van de laatsten komen. Enige concrete garantie jegens [eiser] c.s. is er niet en een oplossing van het bezwaar blijft in het ongewisse. De vraag blijft hoe, wanneer en waarop [eiser] c.s. het waterschap kunnen aanspreken om hun recht te krijgen. Aannemelijk is derhalve dat [eiser] c.s. nog lange tijd in onzekerheid hieromtrent zullen moeten verkeren. Met haar opstelling doet de landinrichtingscommissie naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende recht aan de gerechtvaardigde belangen van [eiser] c.s. op dit punt. Het bezwaar op dit onderdeel wordt derhalve gegrond geacht.

5.10. De rechtbank acht het bezwaar van [eiser] c.s. over de kwaliteit van de concreet genoemde BBL-gronden gegrond. De schattingswaarde van deze gronden is vastgesteld vóórdat de gronden langdurig aan derden in tijdelijk gebruik zijn gegeven en als gevolg waarvan deze kennelijk inmiddels zijn “geruïneerd” als landbouwgronden. Wat er van die waarde zij, op grond van de (van beide zijden) overgelegde onderzoeken en het verhandelde ter zitting – met name de verklaringen van de bodemdeskundige van DLG – staat naar het oordeel van de rechtbank voldoende vast dat de landbouwkundige waarde van deze gronden, bepaald door het opbrengend vermogen, als gevolg van de waterproblematiek op deze gronden, vooralsnog dusdanig in een slechte verhouding staat tot die van de door [eiser] c.s. ingebrachte gronden, dat toedeling daarvan onevenredig nadeel voor [eiser] c.s. meebrengt. Gebleken is immers dat de betreffende gronden met een aanpak tot herstel die heel veel accuratesse en omzichtigheid onder ideale weersomstandigheden vergt, eerst over een aantal jaren, minimaal 3 tot 4 jaren en wellicht meer, mogelijk hetzelfde opbrengend vermogen zullen kunnen hebben als de ingebrachte gronden. Met een juiste aanpak en na het nodige tijdsverloop kunnen deze gronden volgens de landinrichtingscommissie uiteindelijk eenzelfde opbrengend vermogen verkrijgen als de door [eiser] c.s. ingebrachte gronden. Of dit daadwerkelijk het geval zal zijn, blijft echter onzeker, gezien de risicofactoren ten aanzien van de uitvoering van de werken en het weer. Door desondanks deze gronden toe te delen, laat de landinrichtingscommissie ook deze onzekerheid voor rekening van [eiser] c.s. komen.

Afgezien van het omzichtig en langdurig herstel mét risico’s van het niet slagen van de “hersteloperatie” is aannemelijk dat de toedeling van deze gronden voor [eiser] c.s. over een aantal jaren verminderde bedrijfsopbrengsten met zich zal brengen.

Met het doorschuiven van deze problematiek c.q. de verwijzing van [eiser] c.s. voor genoegdoening naar de lijst der geldelijke regelingen acht de rechtbank onvoldoende recht gedaan aan dit bezwaar.

5.11. Het geheel overziende komt de rechtbank tot de slotsom dat het standpunt van de landinrichtingscommissie ter zake van de toedeling aan [eiser] c.s. vooral (en enkel) lijkt te zijn bepaald met het oog op (het scheppen van de mogelijkheid voor) de totstandkoming van de (smalle) nieuwe natuur(strook) langs de Roomsloot, onder onvoldoende toekenning van gewicht aan de reële bezwaren van [eiser] c.s. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de belangenafweging tussen “de natuur” en de belangen van de agrariërs [eiser] c.s. bij de toedeling, zoals de landinrichtingscommissie die thans heeft gedaan, onvoldoende recht doet aan de belangen van [eiser] c.s. en dat de besluitvorming niet op draagkrachtige gronden berust. Met het oog op de belangen van [eiser] c.s. zal de rechtbank derhalve beslissen als na te melden.

5.12. De rechtbank acht het standpunt van [eiser] c.s. dat zij zou moeten bepalen dat een gewijzigde toedeling de toedeling van de gewenste gronden richting de Roomsloot moet inhouden, te vergaand. Zij sluit niet uit dat alsnog ten behoeve van [eiser] c.s. in een daadwerkelijke (juridisch afdwingbare) garantie zal worden voorzien wat betreft het bezwaar ter zake van de vernatting. Wel is zij van oordeel dat van de toedeling de BBL-gronden, aangeduid met de letters MT, LT en KT in het deskundigenrapport van DLG van 26 januari 2012, geen onderdeel kunnen uitmaken.

Teneinde tot vaststelling van het plan van toedeling voor [eiser] c.s. te komen, zal de rechtbank bepalen dat de landinrichtingscommissie haar met inachtneming van dit vonnis een nader voorstel voor de wijziging van het plan van toedeling zal dienen te doen. [eiser] c.s. zullen vervolgens door de rechtbank in de gelegenheid worden gesteld om hun standpunt daarover kenbaar te maken.

De beslissing van de rechtbank tot vaststelling van het plan van toedeling zal daartoe worden aangehouden.

6. De beslissing

6.1. verklaart de bezwaren van [eiser] c.s. inzake de petgaten en het mestbassin c.a. niet-ontvankelijk,

6.2. verklaart de bezwaren voor het overige gegrond,

6.3. bepaalt dat de landinrichtingscommissie binnen twee maanden na datum van dit vonnis aan de rechtbank een nader voorstel voor de toedeling aan [eiser] c.s. dient over te leggen,

6.4. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.S. Lebens-de Mug, mr. H.C. Moorman en mr. W.J.B. Cornelissen en in het openbaar uitgesproken op 11 april 2012.