Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BW8068

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
16-05-2012
Datum publicatie
18-06-2012
Zaaknummer
181293 - HZ ZA 11-129
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gerechtelijke rangregelingverdeling restant executie-opbrengst. Niet in algemene zin bijzondere zorgplicht voor een bank. Niet rechtbank maar rechter-commissaris geeft bevelschrift ex artikel 485 Rv af om (restant) opbrengst aan de in aanmerking komende schuldeisers uit te keren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

Locatie Zwolle

zaaknummer / rolnummer: 181293 / HZ ZA 11-129

Vonnis van 16 mei 2012

in de zaak van

naamloze vennootschap

ING BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

advocaat mr. W. Mollema,

tegen

1. [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat mr. W.A. van Overbeek de Meyer.

Partijen zullen hierna de bank en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- Het proces-verbaal d.d. 24 januari 2011 van gerechtelijke rangregeling tot verwijzing van het geding naar de terechtzitting van de rechtbank ex artikel 552 jo. 486 Rv

- de conclusie van eis tot verificatie

- de conclusie van antwoord tot verificatie

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek ter verificatie.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Ten laste van [gedaagde] heeft de bank een derde hypotheekrecht op de woonboerderij gelegen aan de [adres] te [woonplaats], welke onroerende zaak op instigatie van de eerste hypotheekhouder - Fortis Hypotheekbank, hierna: Fortis - executoriaal is verkocht door middel van een onderhandse koopovereenkomst als bedoeld in artikel 3:268 lid 2 BW. Uit de verkoopopbrengst van EUR 600.000,00 is Fortis volledig voldaan.

2.2. Blijkens het proces-verbaal van gerechtelijke rangregeling tot verdeling van de opbrengst d.d. 21 december 2010 heeft de - bij beschikking van 20 september 2010 op verzoek van de bank benoemde - rechter-commissaris mr. M. Zomer een verdeling van de restant-opbrengst ad EUR 154.073,44 vastgesteld als daar vermeld; zie bijgevoegde kopie. De vordering van de tweede hypotheekhouder, de coöperatieve Rabobank Graafschap-Noord u.a. (hierna: de Rabobank), en die van de bank als derde hypotheekhouder zijn daarbij batig gerangschikt tot respectievelijk het bedrag van EUR 77.035,89 en van EUR 77.037,55.

2.3. Gemelde plaatsing van de bank - en de voorwaardelijk opgenomen vordering van [A] Makelaardij (aan wie nihil zal worden uitgekeerd, gelet op de executieopbrengst), die verder buiten beschouwing kan blijven - is namens [gedaagde] binnen de gestelde termijn tegengesproken, waarna genoemde rechter-commissaris partijen ingevolge artikel 552 jo. 486 Rv naar de rolzitting van 16 februari 2011 heeft verwezen, waarna de hiervoor in rechtsoverweging 1 gemelde conclusiewisseling is gevolgd.

2.4. Bij dagvaarding van 28 juli 2011 heeft [gedaagde] de bank gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam, waarin hij vordert - samengevat - dat genoemde rechtbank (1) beveelt dat de bank onder verbeurte van een dwangsom overgaat tot openlegging van ‘het hypotheekdossier familie [gedaagde]’; (2) voor recht verklaart dat de bank jegens hem toerekenbaar tekort is geschoten, althans onrechtmatig heeft gehandeld en deswege aansprakelijk is voor de schade; (3) de bank veroordeelt om aan hem te betalen

EUR 897.477,88, te vermeerderen met wettelijke rente, subsidiair om hem te vergoeden de schade, nader op te maken bij staat alsmede (4) de bank veroordeelt in de proceskosten van dit geding.

3. Het geschil

3.1. De bank vordert samengevat - dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de vordering van de bank batig rangschikt tot een bedrag ter hoogte van

EUR 77.037,55 (EUR 154.073,44 minus 77.035,89), te vermeerderen met de over dit bedrag in de consignatiekas van de notaris gekweekte rente vanaf 27 april 2010 en ter zake een bevelschrift afgeeft als bedoeld in artikel 485 Rv, met de veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2. [gedaagde] voert verweer, met de conclusie dat de rechtbank de bank in haar vorderingen niet-ontvankelijk verklaart dan wel deze afwijst, en dat [gedaagde] batig dient te worden gerangschikt tot gemeld bedrag ad EUR 77.037,55.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Centraal staat voormelde verdeling van de restant-executieopbrengst. Kern van de tegenspraak van [gedaagde] tegen de plaatsing van de vordering van de bank is dat zij is tekortgeschoten in haar zorgplicht, c.q. onrechtmatig heeft gehandeld, waardoor hij schade heeft geleden. De bank heeft hoofdzakelijk haar eigen belangen centraal gesteld in plaats van rekening te houden met de belangen en de financiële mogelijkheden van [gedaagde], die alleen inkomsten uit AOW heeft. Gezien zijn risicoprofiel en financiële situatie had de bank moeten nagaan of haar producten wel bij hem pasten, aldus [gedaagde].

4.2. De bank heeft een en ander uitgebreid en gemotiveerd weersproken. Zij voert in het bijzonder aan dat [gedaagde] bij de bank is gekomen voor de financiering van de woning aan de [adres] te [woonplaats] en dat het de bedoeling van [gedaagde] was om de (grotere en duurdere) woonboerderij te [woonplaats] te verkopen en te gaan wonen in [woonplaats], waarbij hij met de overwaarde van de verkoop van de woonboerderij in [woonplaats] een deel van de hypothecaire vordering van de bank ter zake van de woning in [woonplaats] zou kunnen voldoen teneinde aldus juist beperktere maandlasten over te houden. [gedaagde] is evenwel niet bereid geweest de - niet reële - vraagprijs van de woonboerderij te [woonplaats] te verlagen, hetgeen uiteindelijk mede debet was aan de executie van de verhypothekeerde zaken.

4.3. De rechtbank kan [gedaagde] niet volgen in zijn bezwaar. Waar de positie van de bank als derde hypotheekhouder en de daaruit voortvloeiende rechten op gemelde restant-executieopbrengst op zich niet ter discussie staan, strandt het betoog van [gedaagde] reeds op het bepaalde in artikel 6:136 BW, nu de gegrondheid van diens verrekeningsverweer - gestoeld op de stelling dat de bank is tekortgeschoten in haar zorgplicht, c.q. onrechtmatig heeft gehandeld - geenszins op eenvoudige wijze is vast te stellen. Voor zover nodig is de rechtbank ook overigens met de bank van oordeel dat - in het licht van de door [gedaagde] geëntameerde procedure voor de rechtbank Amsterdam (zie rechtsoverweging 2.4) - het belang bij een (inhoudelijke) behandeling van dit verrekeningsverweer, zonder nadere toelichting, die evenwel ontbreekt, niet aanstonds in het oog springt, te meer daar de bank ter zake voldoende verhaal biedt en restitutierisico niet aan de orde is.

4.4. Dienaangaande overweegt de rechtbank nog het volgende. Het enkele feit dat [gedaagde] slechts inkomsten uit AOW heeft, kan diens hiervoor vermelde stelling niet dragen, mede vanwege de tussen partijen in confesso zijnde aanzienlijke overwaarde van de woonboerderij te [woonplaats] en de door de bank geschetste - en niet onwaarschijnlijk voorkomende - achtergrond van de litigieuze geldleningen. Voorts is van belang dat er op banken niet in algemene zin een bijzondere zorgplicht ten opzichte van cliënten rust. De plicht om een verhoogde zorg tegenover een cliënt te betrachten is immers gekoppeld aan bijzondere situaties, met name als een cliënt tegen vergoeding de medewerking van een bank inroept voor een aangelegenheid waarvoor geldt enerzijds dat de cliënt daarbij, voor de bank kenbaar, gezien zijn inkomen en/of vermogen grote financiële risico's loopt en hij vanwege zijn gebrek aan kennis en inzicht en/of zijn lichtzinnigheid bescherming tegen zichzelf behoeft, en anderzijds dat de bank ter zake over de benodigde deskundigheid en ervaring beschikt. De onderhavige jurisprudentie heeft vooral betrekking op het beheren van vermogen van een cliënt en/of het ontplooien van beleggingsactiviteiten.

Voor zover de te betrachten zorg niet uit de toepasselijke regelgeving volgt, zal de aard en omvang ervan dienen te worden bepaald aan de hand van de omstandigheden van het betrokken geval. Ten processe zijn in dezen voorshands echter onvoldoende feiten en omstandigheden gebleken die het aannemelijk maken dat [gedaagde] het risico dat verbonden was aan bedoelde geldleningen niet kon in- en overzien (het gaat hier om niet al te ingewikkelde financiële producten, met op zich goed door de schuldenaar in te schatten risico’s) en hij bijgevolg ter zake tegen zichzelf in bescherming diende te worden genomen, noch dat dit een en ander voor de bank kenbaar was.

Ook vanuit dit perspectief ligt het niet in de rede om vooruit te lopen op de uitkomst van voormelde procedure voor de rechtbank Amsterdam in de door [gedaagde] gewenste zin.

4.5. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, behoeft het verwijt van de bank dat [gedaagde] de klachttermijn van artikel 6:89 BW heeft geschonden, geen behandeling. Datzelfde geldt ten aanzien van de door hem gepretendeerde (hoogte van de) schade.

4.6. Artikel 489 Rv bepaalt dat, nadat op het geschil bij in kracht van gewijsde gegane uitspraak is beslist, de meest gerede partij de uitspraak aan de rechter-commissaris overlegt en dat deze zijn proces-verbaal sluit en de uitgifte van bevelschriften tot betaling beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 485 Rv. Indachtig deze wetsbepaling zal de rechtbank niet overgaan tot het afgeven van het bevelschrift, zoals door de bank verlangd.

4.7. [gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de bank worden begroot op:

- griffierechten EUR 257,00

- salaris advocaat 904,00 (2 × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.161,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. verstaat dat de vordering van de bank batig wordt gerangschikt tot een bedrag ter hoogte van EUR 77.037,55, te vermeerderen met de over dit bedrag in de consignatiekas van de notaris gekweekte rente vanaf 27 april 2010,

5.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van de bank tot op heden begroot op EUR 1.161,00.

5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.R. Hidma, mr. M.H.S. Lebens-de Mug en mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard en in het openbaar uitgesproken op 16 mei 2012.