Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BW7849

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
04-04-2012
Datum publicatie
18-06-2012
Zaaknummer
194444 - HZ ZA 12-39
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ruilverkaveling. Toedeling bepaald perceel aan ander dan bezwaarde niet onjuist, nu bezwaarde géén en die ander wel bedrijfsmatig belang bij het perceel had. De landinrichtingscommissie is niet gehouden om het overgrote deel van de koopsom die die ander van de bezwaarde verlangt, voor haar rekening te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

Locatie Zwolle

zaaknummer / rolnummer: 194444 / HZ ZA 12-39

Vonnis van 4 april 2012

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

tegen

de procesbevoegdheid bezittende

LANDINRICHTINGSCOMMISSIE NOORDWEST-OVERIJSSEL

(herinrichting Rond de Weerribben),

gevestigd en kantoorhoudende te Zwolle,

vertegenwoordiger mr. C.M. Ribbers, regiojurist DLG Oost te Arnhem.

Partijen zullen hierna [eiser] en landinrichtingscommissie genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het door de landinrichtingscommissie ter inzage gelegde plan van toedeling, voor zover betrekking hebbend op [eiser] (R-nummer [nummer])

- het bezwaarschrift van [eiser], door de landinrichtingscommissie genummerd 26

- het proces-verbaal van de behandeling door de landinrichtingscommissie, opgemaakt op 3 november 2011

- het proces-verbaal van de behandeling door de rechter-commissaris op 6 december 2011

- het vervolgproces-verbaal van de rechter-commissaris van 9 januari 2012

- de mondelinge behandeling door de rechtbank op 21 februari 2012

- de pleitnotities van de zijde van de landinrichtingscommissie, met kaartbijlage 1.

1.2. Bij de mondelinge behandeling is tevens verschenen [A] (hiena: [A]), wonende te [woonplaats], belanghebbende.

1.3. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] is eigenaar van een woonboerderij. Hij brengt bij de herverkaveling een huisperceel in van 0.77.90 ha en krijgt dit huisperceel (weer) toegedeeld met een oppervlakte van 0.76.95 ha. De verkleining van het huisperceel met 95 m2 vindt plaats ten behoeve van een verbetering van de waterloop westelijk van het perceel ingevolge het begrenzingenplan, waarvoor een strookje grond van het huisperceel is benodigd.

2.2. De aldus optredende onderbedeling is bij de toedeling aan [eiser] niet in grond gecompenseerd.

2.3. Onderdeel van de toedeling is een gedeelte van een sloot zuidelijk voor de woning. De toedeling omvat aldaar ter plekke méér grond c.q. water dan ingebracht.

2.4. Het aan de toedeling van [eiser] aan de oostzijde grenzende perceel is als kavelnummer [1] toegedeeld aan [A]. Op laatstgenoemde kavel bevindt zich een mestput en kuilopslag. [A] is in principe bereid tot verkoop van deze kavel aan [eiser].

2.5. De landinrichtingscommissie heeft zich bereid getoond een verkoop en levering van vorenbedoelde kavel van [A] aan [eiser] in de akte van toedeling te faciliteren.

2.6. [eiser] en [A] hebben geen overeenstemming bereikt over de verkoopprijs van de kavel van [A].

3. Het geschil

3.1. [eiser] heeft bezwaar tegen het plan van toedeling omdat hij niet wordt gecompenseerd in grond voor de grond die hij moet afstaan ter behoeve van de verbetering van de watergang langs zijn perceel. Hij heeft in de veronderstelling verkeerd, op basis van hetgeen hem volgens zijn verklaring is voorgehouden door of vanwege het waterschap, dat hij "grond voor grond" zou terugkrijgen. Bovendien betwijfelt hij of hem niet nog minder grond is toegedeeld dan gesteld. [eiser] wil ter compensatie van de afgestane grond de kavel met nummer [1], toegedeeld aan [A], verkrijgen.

3.2. [eiser] stelt zich daarbij op het standpunt dat het prijsverschil dat aan de orde is tussen de door [A] gevraagde prijs voor vorenbedoelde kavel - circa EUR 60.000,00 - en de prijs die hij voor die kavel kan en wil betalen - EUR 20.000,00 - door de landinrichtingscommissie dient te worden voldaan.

3.3. De landinrichtingscommissie acht uit een oogpunt van herkaveling geen reden voor toedeling van deze kavel aan [eiser]. De toedeling aan [eiser] zoals die luidt is volgens haar overeenkomstig de Landinrichtingswet (Liw) en de regels voor de toedeling. De onderbedeling die het gevolg is van het afstaan van de 95 m2 grond en die ten opzichte van de inbreng een percentage betreft van 3,9, blijft binnen de in artikel 144 van de Liw toegestane marge van 5% voor onder- of overbedeling. De landinrichtingscommissie heeft verklaard dat een toezegging "grond voor grond" aan [eiser] (in ieder geval) niet door haar is gedaan.

3.4. Bij de mondelinge behandeling heeft [eiser] alsnog als bezwaar tegen de toedeling aangevoerd dat de toedeling van een deel (tot de helft) van een sloot aan de voorzijde van zijn perceel een onderhoudsplicht meebrengt, waartegen hij bezwaar heeft.

4. Overgangsrecht

4.1. Met de inwerkingtreding van de Wet inrichting landelijk gebied (Wilg) op 1 januari 2007 is de Liw ingetrokken. Ingevolge artikel 95, tweede lid, van deze wet blijft de Liw van toepassing op inrichtingsprojecten die deels in voorbereiding of in uitvoering zijn. Nu de eigenaren en gebruikers in de periode van 26 september tot en met 18 oktober 2006 op de voet van art. 198 van de Liw in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen ten aanzien van het plan van toedeling kenbaar te maken, vindt op de herinrichting voor het deelgebied Rond de Weerribben de Liw toepassing.

5. De beoordeling van het geschil

5.1. De rechtbank stelt voorop dat zij bij de beoordeling van het bezwaar van [eiser] uitgaat van het bezwaar zoals dat door [eiser] aanhangig is gemaakt bij de landinrichtingscommissie en voor welk bezwaar geen oplossing is bereikt. Dit brengt mee dat het ter zitting voor het eerst opgeworpen bezwaar tegen de onderhoudsplicht van de voor de helft toegedeelde sloot thans niet (meer) in de besluitvorming kan worden meegenomen. [eiser] had dat bezwaar bij de landinrichtingscommissie al moeten aanvoeren. Dit bezwaar wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard.

5.2. [eiser] opteert voor de vergroting van zijn huisperceel met het perceel van [A] ter vergroting van zijn woongenot. Die zou worden bereikt door verwijdering van de mestput en kuilopslag van [A] op diens perceel, aangezien daarvan op [eiser]s perceel door [eiser] geuroverlast wordt ondervonden. Met de vergroting is voor [eiser] geen bedrijfsmatig belang aan de orde.

5.3. De rechtbank acht het standpunt van de landinrichtingscommissie dat voor een overdracht van de grond van [A] aan [eiser] bij wijze van toedeling geen reden bestaat, niet onjuist, nu zodanige reden gesteld noch gebleken is. Daarentegen heeft de landinrichtingscommissie onweersproken het belang van (toedeling van) de kavel ten behoeve van het bedrijf van [A] aangegeven.

De onderbedeling die het gevolg is van de toedeling aan [eiser], zoals die in het plan van toedeling is vervat, blijft binnen de wettelijke norm van 5% (van de waarde van inbreng en toedeling). Dat de landinrichtingscommissie voor de afgestane grond compensatie in grond zou hebben toegezegd, acht de rechtbank evenmin onderbouwd gesteld noch gebleken.

5.4. In deze situatie is de landinrichtingscommissie rechtens niet gehouden medewerking te verlenen aan de overdracht van de kavel van [A] aan [eiser] bij wijze van toedeling en dus ook niet in de zin zoals door [eiser] wordt verlangd, namelijk door het overgrote deel van de aankoopprijs te voldoen ten behoeve van de verkoop van de grond door [A] aan [eiser]. Dat de landinrichtingscommissie de verkoop van de kavel met de mestput en kuilopslag wil faciliteren door die in de ruilakte mee te nemen indien tussen [eiser] en [A] overeenstemming over (vrijwillige) onderlinge verkoop bestaat, is iets anders dan de in de vorige zin bedoelde medewerking.

5.5. Nu de feiten meebrengen dat het niet tot een onderlinge verkoop komt vanwege een niet te overbruggen verschil van inzicht omtrent de verkoopprijs tussen [eiser] en [A], zal de toedeling in stand moeten blijven zoals die nu luidt. Gelet op het aanzienlijk verschil lijkt het laten doen van een taxatie, daargelaten voor wiens rekening dat zou moeten gebeuren, niet zinvol. De mening van [A] wat betreft de voor hem met het afstaan van de kavel gemoeide kosten van vervanging van mestsilo elders op zijn bedrijf komt de rechtbank in dit verband niet onredelijk voor.

5.6. [eiser] heeft ter zitting nog een alternatieve mogelijkheid genoemd om hem in grond te compenseren, te weten door aan de noordzijde van zijn perceel ("achteraan") een strookje grond ter grootte van de onderbedeling toe te delen. De landinrichtingscommissie heeft dienaangaande aangevoerd dat een dergelijke toedeling uit kostenoogpunt voor de herverkaveling (als geheel) disproportioneel zou zijn, daar voor het toedelen voor een strookje grond als dan aan de orde het verleggen van de bestaande sloot bij wijze van kavelaanvaardingswerk nodig zou zijn. Dit standpunt acht de rechtbank alleszins redelijk.

5.7. De onderbedeling van [eiser] zal moeten worden verrekend bij de lijst der geldelijke regelingen. De landinrichtingscommissie heeft verklaard dat in dat kader de ruimte zal bestaan voor discussie over de in aanmerking te nemen waarde(n), verband houdende met de hoedanigheid en/of functie van de gronden (hetzij nul (sloot), hetzij agrarische waarde, hetzij verkeerswaarde (erf)). [eiser] kan in dat kader van zijn bezwaarmogelijkheid gebruik maken.

5.8. Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de slotsom dat het bezwaar van [eiser] ongegrond moet worden verklaard.

5.9. Reclamant zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van de landinrichtingscommissie tot op heden begroot op nihil.

6. De beslissing

De rechtbank

6.1. verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk, voor zover dat is gericht tegen de onderhoudsplicht van een aan [eiser] (voor de helft) toegedeelde sloot,

6.2. verklaart het bezwaar voor het overige ongegrond,

6.3. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van de landinrichtingscommissie tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.S. Lebens-de Mug, mr. H.C. Moorman en mr. W.J.B. Cornelissen en in het openbaar uitgesproken op 4 april 2012.