Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BW7219

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
25-05-2012
Datum publicatie
01-06-2012
Zaaknummer
07.660207-11 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De GGD-arts heeft bij verdachte fors letsel geconstateerd, waaronder afgebroken tanden, hetgeen de verklaring van verdachte over het door de politie toegepaste geweld ondersteunt. Dat dit letsel een gevolg is van de aanhouding, acht de rechtbank aannemelijk, nu het letsel zeer kort op die aanhouding is waargenomen en ook nergens uit blijkt dat dit letsel een andere oorzaak heeft. Dat sprake is geweest van buitensporig geweld, volgt naar het oordeel van de rechtbank uit de omstandigheid dat het geweld is toegepast nadat verdachte reeds was gepepperd en op zijn knieën was gaan zitten. Juist daarna, en met name als hij al op de grond ligt, valt op de camerabeelden te zien dat er geweld wordt toegepast, terwijl de noodzaak daartoe naar het oordeel van de rechtbank niet begrijpelijk is. De rechtbank stelt, gelet op het voorgaande, vast dat tijdens de aanhouding van verdachte sprake is geweest van het gebruik van veel geweld door de politie jegens verdachte. Dit heeft naar het oordeel van de rechtbank echter niet tot gevolg gehad dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijke behandeling van de onderhavige strafzaak en dient dan ook niet te leiden tot de verstrekkende consequentie van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

De rechtbank acht het verwijtbaar dat het slaan ter hoogte van het hoofd/de nek niet in voornoemd proces-verbaal van bevindingen is opgenomen, doch verbindt hieraan niet de ingrijpende sanctie van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, nu naar het oordeel van de rechtbank niet is komen vast te staan wat de precieze aanleiding is geweest van de misslag en derhalve niet kan worden vastgesteld of de misslag in voornoemd proces-verbaal van bevindingen is begaan met het oog op een doelbewuste schending van de belangen van verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector strafrecht

Parketnummer: 07.660207-11 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 25 mei 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

[geboortedatum],

[adres].

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 27 september 2011, waarbij verdachte is verschenen en ter openbare terechtzitting van 21 februari 2012, waarbij de verdachte niet is verschenen. Ter terechtzitting van 21 februari 2012 is verschenen

mr. J-H.L.C.M. Kuijpers, advocaat te Amsterdam, die heeft verklaard door de verdachte uitdrukkelijk te zijn gemachtigd om deze ter terechtzitting te verdedigen.

De rechtbank heeft op 6 maart 2012 een tussenvonnis gewezen, waarbij het onderzoek ter terechtzitting is heropend en terstond geschorst voor onbepaalde tijd.

Het onderzoek ter terechtzitting heeft vervolgens plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 14 mei 2012, waarbij de verdachte niet is verschenen. Ter terechtzitting van 14 mei 2012 is verschenen mr. R.C. Honig, advocaat te Amsterdam, die heeft verklaard door de verdachte uitdrukkelijk te zijn gemachtigd om deze ter terechtzitting te verdedigen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. J. Zeilstra, en van de standpunten door de raadsman van verdachte naar voren gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 23 juli 2011 in de gemeente [adres] [slach[slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer] dreigend de woorden toegevoegd :"Je weet niet wie ik ben" en/of "Ik maak je dood, ik ben niet bang. Ik maak je kanker moer dood. Je weet niet wie ik ben. Ik kom uit Amsterdam en ik maak je af en ik weet je nog wel te vinden", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

2.

hij op of omstreeks 23 juli 2011 te [adres] een wapen van categorie III, te weten een vuurwapen (pistool van het merk Heckler & Koch), en/of daarbij behorende munitie van categorie III, te weten 5 kogelpatronen (van het kaliber 9mm), voorhanden heeft gehad.

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

De verdediging heeft ter terechtzitting van 21 februari 2012 bepleit dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in zijn vervolging en heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Allereerst is sprake geweest van buitensporig geweld door verbalisanten jegens verdachte bij zijn aanhouding. Verdachte is door de verbalisanten tegen de grond gewerkt, geslagen en er zijn tanden uit zijn mond geslagen. Er is volstrekt niet voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Ten tweede is er op ambtseed een proces-verbaal d.d. 2 augustus 2011 opgemaakt door verbalisant [verbalisant], waarin is gelogen. De meervoudige strafraadkamer in deze rechtbank heeft op 17 augustus 2011 overwogen dat dit proces-verbaal meer vragen oproept dan het beantwoordt. Voorts heeft de rechtbank tijdens de terechtzitting van 27 september 2011 kennis genomen van de camerabeelden en geconstateerd dat verdachte op zijn hoofd werd geslagen, hetgeen volgt uit het proces-verbaal van de terechtzitting. Ook heeft de rechtbank geconstateerd dat verdachte (delen van zijn) tanden miste. Dit toont aan dat de aanhouding is gegaan zoals verdachte heeft verklaard en niet zoals in proces-verbaal van 2 augustus 2011 is gerelateerd. Door te liegen in het proces-verbaal is door verbalisant [verbalisant] in de onderhavige procedure bewust met grove veronachtzaamheid gehandeld tegen de belangen van verdachte in, hetgeen de officier van justitie moet worden aangerekend. De officier van justitie dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vervolging.

De verdediging heeft ter terechtzitting van 14 mei 2012, waar verbalisant [verbalisant] als getuige is gehoord, gepersisteerd bij wat ter terechtzitting van 21 februari 2012 door de verdediging naar voren is gebracht.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake was van disproportioneel politiegeweld jegens verdachte. Toen de verbalisanten verdachte benaderden, wisten zij niet of verdachte nog een vuurwapen had. Zij moesten er vanuit gaan dat dit nog het geval was. Tegen verdachte is pepperspray gebruikt en hij is naar de grond gebracht. Vervolgens weigerde verdachte één van zijn armen op zijn rug te brengen. Nu de politie er op dat moment nog steeds vanuit moest gaan dat verdachte een wapen in die hand kon hebben, is verdachte geslagen. Niet is te zien dat verdachte met zijn gezicht op de grond is geslagen. Het betrof weliswaar een heftige aanhouding, maar het betrof ook een heftige situatie. Het toegepaste geweld was, gelet op de omstandigheden, dan ook gerechtvaardigd. De beslissing dat de verbalisanten hier niet om worden vervolgd, betreft een andere procedure dan de onderhavige. Uit de jurisprudentie volgt dat niet-ontvankelijkheid enkel volgt indien vaststaat dat in het voorbereidend onderzoek van de onderhavige strafzaak een ernstige inbreuk is gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor de belangen van verdachte in deze zaak ernstig tekort zijn gedaan en hij geen eerlijke behandeling van zijn strafzaak kan krijgen. Daarvan is geen sprake, dus is

niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie niet aan de orde.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de officier van justitie in zijn vervolging, overweegt de rechtbank als volgt.

Uit het schrijven van GGD-arts [getuige] d.d. 23 juli 2011 volgt dat verdachte op de dag van zijn aanhouding een oppervlakkige wond aan zijn aangezicht en een gekneusde linkerwenkbrauw met bloeduitstorting had. Voorts had verdachte gekneusde, mogelijk gebroken, ribben. Hij was enkele tanden kwijt en had pijn in zijn mond. Twee voortanden van verdachte waren ernstig beschadigd en zaten los.

Dat verdachte (delen van) tanden miste, is bevestigd door de waarnemingen van de rechtbank zelf ter terechtzitting van 27 september 2011.

Tijdens de terechtzitting van 27 september 2011 en van 14 mei 2012 heeft de rechtbank de camerabeelden van de aanhouding van verdachte bekeken en vastgesteld dat verdachte is bespoten met een pepperspray, naar de grond is gewerkt, twee keer in zijn zij en twee keer ter hoogte van zijn hoofd dan wel nek is geslagen.

De GGD-arts heeft bij verdachte fors letsel geconstateerd, waaronder afgebroken tanden, hetgeen de verklaring van verdachte over het door de politie toegepaste geweld ondersteunt. Dat dit letsel een gevolg is van de aanhouding, acht de rechtbank aannemelijk, nu het letsel zeer kort op die aanhouding is waargenomen en ook nergens uit blijkt dat dit letsel een andere oorzaak heeft. Dat sprake is geweest van buitensporig geweld, volgt naar het oordeel van de rechtbank uit de omstandigheid dat het geweld is toegepast nadat verdachte reeds was gepepperd en op zijn knieën was gaan zitten. Juist daarna, en met name als hij al op de grond ligt, valt op de camerabeelden te zien dat er geweld wordt toegepast, terwijl de noodzaak daartoe naar het oordeel van de rechtbank niet begrijpelijk is. De rechtbank stelt, gelet op het voorgaande, vast dat tijdens de aanhouding van verdachte sprake is geweest van het gebruik van veel geweld door de politie jegens verdachte. Dit heeft naar het oordeel van de rechtbank echter niet tot gevolg gehad dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijke behandeling van de onderhavige strafzaak en dient dan ook niet te leiden tot de verstrekkende consequentie van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

De rechtbank overweegt voorts dat in het proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 augustus 2011, opgemaakt door verbalisant [verbalisant] van Politie Flevoland, is gerelateerd dat op de camerabeelden te zien is dat verdachte niet op zijn hoofd wordt geslagen. De rechtbank heeft daarentegen ter terechtzitting van 27 september 2011 en van 14 mei 2012 geconstateerd dat op de camerabeelden wel te zien is dat verdachte door de politie tweemaal ter hoogte van zijn hoofd/nek is geslagen. De rechtbank is van oordeel dat deze waarneming had moeten worden gerelateerd in het proces-verbaal van [verbalisant].

Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging komt als in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

De rechtbank acht het verwijtbaar dat het slaan ter hoogte van het hoofd/de nek niet in voornoemd proces-verbaal van bevindingen is opgenomen, doch verbindt hieraan niet de ingrijpende sanctie van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, nu naar het oordeel van de rechtbank niet is komen vast te staan wat de precieze aanleiding is geweest van de misslag en derhalve niet kan worden vastgesteld of de misslag in voornoemd proces-verbaal van bevindingen is begaan met het oog op een doelbewuste schending van de belangen van verdachte.

De rechtbank stelt aldus vast dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging.

De rechtbank stelt tot slot vast dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Inleiding

De volgende feiten kunnen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvragen.

Op zaterdag 23 juli 2011 kreeg de politie in [adres] een melding dat de portier van discotheek [adres] te [adres] was bedreigd met een vuurwapen. De dader was nog in zicht op camerabeeld. Een tweetal verbalisanten is ter plaatse gegaan en heeft verdachte aangehouden. In de politieauto begon verdachte te schelden. Tegen verbalisant [slachtoffer] riep hij: “Jij bent degene die de tanden uit mijn mond heeft geslagen, je weet niet wie ik ben. Het is niet normaal wat daar gebeurt. (…) Ik maak je dood, ik ben niet bang, ik maak je kanker moer dood. (…) Je weet niet wie ik ben. Ik kom uit Amsterdam en ik maak je af en ik weet je nog wel te vinden”. Verbalisant [slachtoffer] hoorde dat verdachte het telkens had over de politie met de bril. Verbalisant [slachtoffer] is brildragend.

De politie heeft verdachte voor zijn aanhouding zien weglopen van een geparkeerde personenauto. Achter het linkerachterwiel van die auto is een vuurwapen aangetroffen.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 2. ten laste gelegde, nu het proces-verbaal wapenherkenning lijkt te zien op een ander dan verdachte.

Voorts heeft de officier van justitie gesteld dat het onder 1. ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen is. Hij heeft daartoe gewezen op het proces-verbaal van bevindingen en de slachtofferverklaring van verbalisant [slachtoffer]. De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het door hem bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, met aftrek in de zin van artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde, nu het politiegeweld bij verdachte een dusdanig hevige gemoedsbeweging heeft doen ontstaan, dat de door verdachte gedane uitingen dienen te worden beschouwd als uitlatingen van emotie en paniek en niet als daadwerkelijke bedreigingen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafdossier en van hetgeen bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gebracht.

De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende wettig bewijs bestaat dat verdachte een vuurwapen en bijbehorende munitie voorhanden heeft gehad en zal verdachte derhalve vrijspreken van het onder 2. ten laste gelegde feit.

De rechtbank is voorts van oordeel dat het onder 1. ten laste gelegde feit bewezen kan worden verklaard en volstaat daartoe, gelet op het hierna onder 7 overwogene, met verwijzing naar het reeds in de inleiding gebezigde bewijsmiddel.

De verdediging heeft het onder 1. ten laste gelegde bovendien niet betwist.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

hij op 23 juli 2011 in de gemeente [adres] [slach[slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer] dreigend de woorden toegevoegd :"Je weet niet wie ik ben" en "Ik maak je dood, ik ben niet bang. Ik maak je kanker moer dood. Je weet niet wie ik ben. Ik kom uit Amsterdam en ik maak je af en ik weet je nog wel te vinden".

Van het onder 1. meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6 KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

1.

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

7 STRAFBAARHEID

Het feit is strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten

Ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte overweegt de rechtbank als volgt.

De verdediging heeft ter terechtzitting van 21 februari 2012 gesteld dat bij verdachte, ten gevolge van het geweld dat door de politie tijdens zijn aanhouding tegen hem is gebruikt, een dusdanig hevige gemoedsbeweging is ontstaan, dat de door verdachte gedane uitingen dienen te worden gezien als uitlatingen van emotie en paniek en niet als daadwerkelijke bedreigingen.

De officier van justitie heeft gesteld dat, indien verdachte al in een bepaalde gemoedstoestand heeft verkeerd, hij zichzelf in die toestand heeft gebracht, nu hij het aan zichzelf heeft te wijten dat hij een heftige aanhouding heeft ondergaan. Bovendien betroffen de verbalisanten die hem aanhielden andere verbalisanten dan de verbalisant in de politieauto, waartegen verdachte de bedreigingen heeft geuit.

Voor zover de verdediging heeft bedoeld te stellen dat ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde sprake is geweest van psychische overmacht en dat verdachte derhalve dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, overweegt de rechtbank als volgt.

Bij psychische overmacht is sprake van een psychische drang, veroorzaakt door een van buiten de dader komende kracht. Deze drang moet van zodanige aard zijn dat de wilsvrijheid van de dader is aangetast en dat de dader de drang redelijkerwijs niet hoeft te weerstaan. Als gevolg van die druk verricht de dader handelingen die hij zonder de uitgeoefende druk achterwege zou hebben gelaten. Emoties als angst en schrik spelen daarbij een rol. Uitgangspunt is de normale burger, dus die emotie zal een redelijke moeten zijn (zie onder meer: HR 26 mei 1992, NJ 1992, 681).

De rechtbank acht het niet onbegrijpelijk dat bij verdachte, als gevolg van het door de politie jegens hem toegepaste geweld en het daardoor ontstane letsel – zoals onder meer volgt uit het schrijven van GGD-arts [getuige] d.d. 23 juli 2011 –, een dusdanige psychische toestand teweeg is gebracht dat hij daarna, in de politieauto ten tijde van de door verdachte geuite bedreigingen, onderhevig is geweest aan een drang waaraan hij redelijkerwijs geen weerstand kon bieden. De rechtbank wijst hiertoe onder meer op het feit dat verdachte naast de in de tenlastelegging genoemde bedreigingen ook tegen de verbalisant in de politieauto heeft geroepen: “Jij bent degene die de tanden uit mijn mond heeft geslagen”. Verdachte lijkt derhalve in de veronderstelling te zijn geweest dat de verbalisant tegen wie hij de bedreigingen uitte, de verbalisant was die even daarvoor fors geweld tegen hem had gebruikt. De uitingen van verdachte hielden naar het oordeel van de rechtbank dan ook duidelijk verband met het tegen verdachte gebruikte geweld. De rechtbank heeft reeds onder 3 overwogen dat en waarom dit geweld naar het oordeel van de rechtbank disproportioneel was.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde feit gerechtvaardigd kan beroepen op psychische overmacht en acht verdachte, gelet op het voorgaande, niet schuldig. Dientengevolge acht de rechtbank verdachte niet strafbaar.

De rechtbank zal verdachte ter zake het onder 1 ten laste gelegde ontslaan van alle rechtsvervolging.

8 DE BENADEELDE PARTIJ

Voor aanvang van de terechtzitting heeft [slach[slachtoffer], wonende te Lelystad, zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van het aan verdachte onder 1 ten laste gelegde feit. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partij begroot op een bedrag van € 250,-.

De officier van justitie heeft verzocht om gehele toewijzing van de vordering benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft gesteld dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden afgewezen.

Gelet op het feit dat de rechtbank verdachte niet schuldig en strafbaar acht ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde feit, zal de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [slach[slachtoffer] afwijzen.

9 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart niet bewezen hetgeen onder 2 aan verdachte is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat onder 1 meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde feit strafbaar;

- verklaart verdachte niet strafbaar;

- ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging;

Benadeelde partij

- wijst de vordering van de benadeelde partij [slach[slachtoffer] af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Iedema, voorzitter, mr. G.H. Meijer en mr. L.P. de Haas, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.H. Ruitenbeek, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 mei 2012.