Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BW7205

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
31-05-2012
Datum publicatie
31-05-2012
Zaaknummer
10/5860
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechter-commissaris machtiging verleent voor een bevel tot het opnemen van vertrouwelijke communicatie met een technisch hulpmiddel. Het betreft de communicatie in een bezoekersruimte in het politiebureau te [adres] tussen de verdachte en zijn vrouw.

In beginsel dient de verschoningsgerechtigde in staat zijn zich vertrouwelijk te kunnen verstaan met verdachte, tenzij zeer zwaarwegende redenen zich daar tegen verzetten. Die zwaarwegende redenen zijn naar het oordeel van de rechter-commissaris niet althans onvoldoende in het proces-verbaal van aanvraag gesteld. Naar het oordeel van de rechter-commissaris is de dringende noodzakelijkheid van gebruikmaking van art 126L Sv niet in voldoende mate aangetoond.

Alles afwegend is de rechter-commissaris van oordeel, dat niet is gebleken dat het onderzoek thans in dit stadium dringend vordert dat het bevel wordt gegeven. Daarom behoort de gevraagde machtiging te worden geweigerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2012/163
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

AFWIJZING VORDERING MACHTIGING

BEVEL TOT HET OPNEMEN VAN VERTROUWELIJKE COMMUNICATIE MET EEN TECHNISCH HULPMIDDEL

(art. 126l Wetboek van Strafvordering)

RC-nr : 10/5860

Parketnr : 07/662721-10

De vordering

De officier van justitie heeft op 29 december 2010 gevorderd dat de rechter-commissaris machtiging verleent voor een bevel tot het opnemen van vertrouwelijke communicatie met een technisch hulpmiddel. Het betreft de communicatie in een bezoekersruimte in het politiebureau te [adres] tussen de verdachte en zijn vrouw.

De officier van justitie heeft daartoe overgelegd een proces-verbaal van de Regiopolitie Flevoland gedagtekend 29 juni 2010, nummer: 2011088492

De beoordeling

Ingevolge artikel 126l van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan de officier van justitie bevelen vertrouwelijke communicatie op te nemen indien is voldaan aan de volgende vereisten:

1. Het moet gaan om een verdenking van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis mogelijk is;

2. Dat gezien zijn aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert;

3. Het onderzoek moet het dringend vorderen.

Zo’n bevel behoeft de voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris.

Gezien dit wettelijk systeem staat het daarbij in eerste instantie ter beoordeling aan de officier van justitie of er sprake is van een verdenking als bedoeld in art. 126l lid 1 Sv en of het onderzoek dringend vordert dat vertrouwelijke communicatie wordt opgenomen. Bij deze laatste toetsing spelen de beginselen van proportionaliteit eb subsidiariteit een rol. De rechter-commissaris dient vervolgens bij de vraag of een machtiging kan worden verstrekt, te toetsen of aan bovenstaande wettelijke voorwaarden is voldaan. Aan de zittingsrechter ten slotte staat de rechtmatigheid van de toepassing van de bevoegdheid ter beoordeling. (HR 11 oktober 2005, LJN AT4356)

Blijkens het proces-verbaal is voldaan aan de onder 1 en 2 genoemde vereisten. Er zijn voldoende feiten omstandigheden om verdachte te verdenken van verkrachting, genoemd in de vordering van de officier van justitie onder 1 en andere zedendelicten, zoals nader in dat proces-verbaal aangeduid. Dit geldt overigens niet voor de onder 2 en 3 genoemde pogingen tot verkrachting in de vordering van de officier van justitie, nu de genoemde aangiftes in het proces-verbaal daartoe geen aanleiding geven. Deze overige verdenking is voldoende voor het kunnen geven van een bevel. Dat de raadkamer (in hoger beroep) bij het geven van het bevel bewaring slechts ernstige bezwaren heeft aangenomen ten aanzien van feit 1 genoemd in de vordering staat er dus niet aan in de weg dat het bevel ook kan worden gegeven op grond van de verdenking ten aanzien van de overige in het proces-verbaal genoemde feiten.

Vervolgens is aan de orde of het onderzoek het bevel dringend vordert.

Uit het proces-verbaal blijkt, dat het de bedoeling is om verdachte over de aanvullende aangiftes te horen, waarna zijn echtgenote in de gelegenheid zal worden gesteld om met verdachte, die zich in voorlopige hechtenis bevindt en in de beperkingen zit, voor de eerste maal te spreken in de bezoekersruimte van het politiebureau. Verwacht wordt dat verdachte en zijn echtgenote de informatie zullen delen en dat er tijdens het gesprek daarover de verdachte informatie loslaat die als bewijs voor het onderzoeksteam kan dienen. Daarom heeft het onderzoeksteam de officier van justitie gevraagd te bevelen dat het gesprek zal worden opgenomen met in die ruimte aan te brengen opnameapparatuur.

Bij de beoordeling van de noodzaak behoren proportionaliteit en subsidiariteit in acht te worden genomen.

Bijzonder aan deze zaak is dat het gaat om:

- een verdachte die niet eerder met justitie in aanraking is geweest;

- een verdachte die zich in voorlopige hechtenis bevindt en in de beperkingen zit;

- die tot op heden de verweten (grotendeels)feiten ontkent;

- wiens echtgenote verschoningsrecht toekomt;

- en die, omdat hij in de beperkingen zit voor contacten met zijn echtgenote afhankelijk is van de faciliteiten van de politie en justitie.

Het meest in het oog springend is dat het tactisch oogmerk kennelijk is om verdachte, die zichzelf niet hoeft te belasten en ook zwijgrecht toekomt, aan het praten te krijgen tegen zijn echtgenote, terwijl die echtgenote ook nog eens verschoningsrecht heeft. Dat roept vragen op van grond- dan wel mensrechtelijke aard. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft in de zaak Allan tegen het Verenigd Koninkrijk (5 november 2002 NJ 2004, 262) onder meer overwogen, dat het zwijgrecht van de verdachte zich bevindt “at the heart of the notion of a fair procedure” (r.0. 50) Het Hof overweegt dan dat het zwijgrecht (opm. RC:en dus ook het recht op ontkennen van feiten) effectief kan worden ondermijnd indien de autoriteiten kunstgrepen gebruiken om een verdachte uitspraken te ontlokken die zij niet zouden hebben kunnen verkrijgen in een formeel verhoor.

Het voornemen om, terwijl verdachte grotendeels ontkent heimelijk de vertrouwenspersoon bij uitstek van verdachte, de echtgenote, die verschoningrecht heeft, in te schakelen door een ontmoeting te arrangeren met de intentie dat in een vertrouwelijk gesprek tussen verdachte en echtgenote de verdachte belastende uitspraken zal doen en daarmee later wordt geconfronteerd en aldus van verdachte belastende verklaringen te verkrijgen die voor het bewijs kunnen worden gebezigd, is naar het oordeel van de rechter-commissaris in strijd met artikel 6 EVRM en in strijd met een eerlijke procesgang. In beginsel dient de verschoningsgerechtigde in staat zijn zich vertrouwelijk te kunnen verstaan met verdachte, tenzij zeer zwaarwegende redenen zich daar tegen verzetten. Die zwaarwegende redenen zijn naar het oordeel van de rechter-commissaris niet althans onvoldoende in het proces-verbaal van aanvraag gesteld. Daarbij is met name ook van belang dat andere onderzoekshandelingen nog niet zijn uitgeput. Verdachte is volgens het proces-verbaal nog niet geconfronteerd met andere aangiftes en studioverhoren van andere kinderen dienen nog plaats te vinden. Naar het oordeel van de rechter-commissaris is de dringende noodzakelijkheid van gebruikmaking van art 126L Sv niet in voldoende mate aangetoond.

Alles afwegend is de rechter-commissaris van oordeel, dat niet is gebleken dat het onderzoek thans in dit stadium dringend vordert dat het bevel wordt gegeven. Daarom behoort de gevraagde machtiging te worden geweigerd.

DE BESLISSING

De rechter-commissaris wijst de vordering af.

Lelystad, 31 mei 2012

de rechter-commissaris,

mr. R.M. Berendsen