Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BW6029

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
16-05-2012
Datum publicatie
16-05-2012
Zaaknummer
07/650484-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft een 82-jarige man veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van twee jaren. De verdachte had een man aangereden op een zebrapad in Zwolle. Het slachtoffer is na het ongeval overleden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer: 07/650484-11 (P)

Uitspraak: 16 mei 2012

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1930 te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 3 mei 2012.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. V. Wolting, advocaat te Zwolle.

Als officier van justitie was aanwezig mr. R. Verheul.

TENLASTELEGGING

De verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 04 oktober 2011 te Zwolle als verkeersdeelnemer, namelijk

als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg,

Burgemeester van Roijensingel, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn

schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk

geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

rijdend over de Burgemeester van Roijensingel in de richting van Emmawijk

en/of een voetgangersoversteekplaats op die Burgemeester van Roijensingel is

genaderd en/of

terwijl deze voetgangersoversteekplaats met strepen op de weg was aangeduid

en/of met een overhangend verlicht bord was aangeduid,

waarbij hij, verdachte, onvoldoende aandacht heeft besteed aan de weg en/of

het overige verkeer en/of zich er onvoldoende van heeft vergewist dat

voornoemde voetgangersoversteekplaats vrij was van verkeer en/of geen voorrang

heeft verleend aan de heer [slacht[verdachte]er], die zich op voornoemde

voetgangersoversteekplaats bevond,

tengevolge waarvan verdachte met zijn voertuig in botsing is gekomen met

voornoemde [slachtoffer], waardoor deze [slachtoffer] werd gedood;

art 6 Wegenverkeerswet 1994

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 04 oktober 2011 te Zwolle als bestuurder van een voertuig

(personenauto), daarmee rijdende op de weg, Burgemeester van Roijensingel, ,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd, doordat hij, verdachte;

rijdend over de Burgemeester van Roijensingel in de richting van Emmawijk

en/of een voetgangersoversteekplaats op die Burgemeester van Roijensingel is

genaderd en/of

terwijl deze voetgangersoversteekplaats met strepen op de weg was aangeduid

en/of met een overhangend verlicht bord was aangeduid,

waarbij hij, verdachte, onvoldoende aandacht heeft besteed aan de weg en/of

het overige verkeer en/of zich er onvoldoende van heeft vergewist dat

voornoemde voetgangersoversteekplaats vrij was van verkeer en/of geen voorrang

heeft verleend aan de heer [slachtoffer], die zich op voornoemde

voetgangersoversteekplaats bevond,

tengevolge waarvan verdachte met zijn voertuig in botsing is gekomen met

voornoemde [slachtoffer],

door welke gedraging van verdachte er gevaar op de weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt en/of het verkeer op de weg werd gehinderd, dan

wel kon worden gehinderd

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 5 Wegenverkeerswet 1994

VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

BEWIJSMOTIVERING

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie acht hetgeen verdachte primair ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen en heeft ter terechtzitting de veroordeling van verdachte gevorderd ten aanzien van hetgeen onder voornoemd feit ten laste is gelegd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het primair ten laste gelegde. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft de verdediging geconcludeerd tot ontslag van alle rechtsvervolging.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt, op grond van de hierna in voetnoten vermelde bewijsmiddelen, het navolgende.

Op dinsdag 4 oktober 2011, omstreeks 19.40 uur, heeft op de Burgemeester van Roijensingel te Zwolle, op het zebrapad ter hoogte van de afslag naar de Zeven Alleetjes, een aanrijding plaatsgevonden tussen de door verdachte bestuurde personenauto, Ford Fusion met kenteken [gegevens kenteken], en de voetganger de heer [slachtoffer].

Tengevolge van deze aanrijding heeft de heer [slachtoffer] onder meer zeer ernstig hersenletsel opgelopen. De heer [slachtoffer] is in de vroege ochtend van 5 oktober 2011 in het Sophia-ziekenhuis te Zwolle aan de gevolgen van het door hem opgelopen lichamelijk letsel overleden.

Blijkens de verklaring van de GGD-art H.Pathuis d.d. 6 oktober 2011 is er bij het slachtoffer [slachtoffer] sprake van een niet-natuurlijke dood ten gevolge van zeer ernstig hersenletsel, met een duidelijke relatie met het ongeval op 4 oktober 2011.

Uit het proces-verbaal VerkeersOngevallenAnalyse d.d. 18 november 2011 blijkt onder meer het navolgende.

Verkeersmaatregelen ter plaatse.

Ter plaatse bedroeg de maximumsnelheid voor motorvoertuigen 50 kilometer per uur.

Op de plaats van het ongeval was dwars over de rijbaan een voetgangersoversteekplaats (zebra) aangelegd als bedoeld in artikel 49, lid 2 van het RVV 1990, conform de uitvoeringsvoorschriften en waren ongeveer midden boven de voetgangersoversteekplaats meerdere borden model L2 aangebracht, conform de uitvoeringsvoorschriften.

Het betrof hier kunststof platen (waarop bord model L2 afgebeeld stond) die in een verlichte armatuur boven het wegdek aangebracht waren. In de rijrichting van de Emmawijk, de rijrichting van de bestuurder van de Ford, ontbrak de kunststof plaats waarop bord model L2 afgebeeld was.

Ten tijde van het ongeval, omstreeks 19.40 uur, was de lichtgesteldheid schemer, de weergesteldheid droog en helder en was het wegdek, voorzien van bitumen met dichte structuur, droog.

Op de voetgangersoversteekplaats zijn geen sporen aangetroffen die tot dit ongeval herleid konden worden.

In de rijrichting van de Ford was een recent regelspoor zichtbaar met een gemeten lengte van 4 meter. Dit licht naar rechts en matig zichtbaar regelspoor begon op 1,9 meter voorbij de voetgangersoversteekplaats en eindigde op 1,2 meter achter de Ford in eindpositie.

De gemeten afstand tussen het begin van dit regelspoor en de rechterzijde van de rijstrook bedroeg 2,9 meter. De gemeten afstand tussen het eind van dit regelspoor en de rechterzijde van de rijbaan bedroeg 2,6 meter. Dit regelspoor was vermoedelijk afgetekend door de rechter voorband van de Ford. Ook bestaat de mogelijkheid dat dit regelspoor afgetekend was door de rechter achterband van de Ford.

Op het wegdek vóór de Ford was een plas bloed op het wegdek zichtbaar. De gemeten afstand tussen deze plas en de voetgangersoversteekplaats bedroeg 15,6 meter. Deze plas bloed was daar ontstaan doordat het bloedende hoofd van de voetganger op deze plaats op

het wegdek gelegen had.

Er zijn geen gebreken vastgesteld aan de door verdachte bestuurde personenauto die eventueel de oorzaak zou kunnen zijn of van invloed zouden kunnen zijn geweest op het ontstaan dan wel het verloop van het ongeval.

Schade.

Aan de door verdachte bestuurde personenauto is aan de voorzijde, motorkap en voorruit recente schade vastgesteld.

De linkerzijde en het midden van de kentekenplaat waren gedeukt. Deze schade was vermoedelijk veroorzaakt doordat deze kentekenplaat in aanraking was geweest met de voetganger.

De bovenzijde van de voorbumper vertoonde een scheur aan de linkerzijde, onder de linkerzijde van de grille, welke schade was ontstaan doordat deze voorbumper in aanraking was geweest met de voetganger.

De rand aan de voorzijde van de motorkap, boven de linkerzijde van de grille was gedeukt en de verf/lak was van deze rand afgesprongen. Deze schade was vermoedelijk ontstaan doordat de motorkap door de massa van de voetganger met kracht naar beneden was gedrukt.

De motorkap was hoofdzakelijk aan de linker voorzijde ingedeukt. Deze schade was ontstaan doordat deze motorkap tegen het lichaam van de voetganger gebotst was.

Op de linkerzijde van de motorkap, vlak achter de sproeikop, zat een donkerkleurige veeg. Deze veeg was ontstaan doordat de kleding of de schoenen van de voetganger op deze plaats over de motorkap geschuurd had. De voorruit was hoofdzakelijk aan de linker voorzijde gebarsten en in het centrum zat een gaatje, Deze schade was ontstaan doordat het (boven)lichaam van de voetganger hier tegenaan “geslagen” was.

Ongevalsoorzaak, toedracht en gevolg.

De voetganger werd zo goed als zeker op de voetgangersoversteekplaats aangereden door de hem van links naderende bestuurder van de Ford. Door de kracht van de botsing “sloeg” de voetganger met zijn bovenlichaam en hoofd tegen de voorruit van de Ford. Daarna werd de voetganger mee gevoerd in de richting van de Ford. Doordat de Fordbestuurder zeer krachtig afremde gleed de voetganger van de motorkap van de Ford af, waarna hij voor de Ford op het wegdek viel.

Verdachte heeft tegenover de politie verklaard dat hij op de bewuste avond omstreeks 19.40 uur in zijn auto op de Burgemeester van Roijensingel reed in de richting van het station en onderweg was naar huis in gezelschap van [getuige A], die naast hem voorin zat.

Het was volgens verdachte op dat moment nog niet helemaal donker, maar schemerig. Verdachte zag aan de rechterkant water en een rij bomen. Vervolgens was daar volgens verdachte ineens iemand die de weg overstak. Verdachte heeft niet gezien uit welke richting die persoon kwam en hij heeft ook niet gezien of die persoon rende. Die persoon was ineens voor zijn auto.

Verdachte heeft later, toen de aanrijding gebeurd was, gezien dat ter plaatse een zebrapad ligt. Verdachte heeft verklaard dat hij niet wist dat daar een zebrapad is. Hij denkt dat hij in de verlichting van zijn auto wel de strepen van het zebrapad heeft gezien, omdat je altijd dingen op het wegdek ziet, maar het ging allemaal zo snel.

Verdachte heeft verklaard zeker te weten dat er op het moment van de aanrijding geen verlichting aan was boven het zebrapad. Volgens verdachte heeft hij ter plaatse met een snelheid van ongeveer 30 kilometer per uur gereden, omdat je aldaar niet hard kunt rijden.

Hij had goed zicht op de weg en heeft niet opzij gekeken of daar mensen liepen. Hij heeft voor zich op de weg gekeken en opeens sprong er iemand voor zijn auto die tegen de voorruit van zijn auto kwam waardoor hij niets meer zag. Verdachte heeft gelijk geremd en zijn auto kwam ongeveer 3 tot 4 meter verder tot stilstand. Toen verdachte uitstapte zag hij een man een stukje verder voor zijn auto liggen.

Verdachte heeft voorts tegenover de politie verklaard dat hij zich niet schuldig acht aan het verkeersongeval omdat het slachtoffer ineens van achter de bomen vandaan de zebra opsprong en verdachte toen geremd heeft en naar links is uitgeweken. Volgens verdachte heeft hij het slachtoffer niet eerder kunnen zien en zat het slachtoffer al op de auto op het moment dat hij het slachtoffer zag.

De getuige mevrouw [getu[getuige A] heeft tegenover de politie verklaard dat zij op 4 oktober 2011, op de passagiersplek voorin, in de auto van Jan, verdachte, meereed op de Burgemeester van Roijensingel te Zwolle. Het was al donker en voor haar zag zij op de weg dat er een zebrapad op de weg was. Zij heeft niemand op het zebrapad gezien. Zij zag dat er een man naast de bomen rechts naast de weg stond, aan de kant van het water. Zij zag dat die man bij het zebrapad stond. Zij zag dat de verlichting boven het zebrapad niet aan was. Ze zei tegen verdachte zoiets van dat die man daar ook in het donker stond. Zij weet niet of verdachte dit gehoord heeft. Verdachte is toen niet langzamer gaan rijden en reed ook helemaal niet hard. Verdachte keek volgens haar voor zich op de weg en hij kijkt volgens haar nooit opzij als zij tegen hem praat.

Vervolgens was volgens de getuige [getuige B] die man daar opeens aan de kant van verdachte op zijn auto en kwam die man tegen de voorruit. Zij heeft die man niet aan zien komen lopen. Verdachte heeft volgens haar geremd, maar zij voelde niet dat zij met haar rug achterover ging, omdat verdachte helemaal niet hard reed. Zij zag toen dat die man van de auto afrolde naar voren. Nadat die man op de auto was gekomen stonden zij ook vlak daarna al stil. Verdachte is toen direct uit de auto gestapt en is gelijk naar die man gegaan.

De getuige [getuige B] heeft tegenover de politie verklaard dat hij op 4 oktober 2011 vanaf de Zeven Alleetjes in de richting van de Burgemeester van Roijensingel liep en vervolgens het zebrapad is opgelopen en de weg overgestoken is. Op het moment dat hij aan de overkant was en de stoep opstapte zag hij dat een man hem tegemoet kwam en dat zij elkaar passeerden. De man liep het zebrapad op waar hij zojuist vanaf gekomen was.

Ineens hoorde de getuige [getuige B] een enorme knal en toen hij keek zag hij die man door de lucht vliegen.

Volgens de getuige [getuige B] heeft hij zelf bij het oversteken van de weg niet hoeven wachten. Hij weet niet of hij een auto aan heeft zien komen toen hij halverwege het zebrapad was. Hij kon ongehinderd de tweede helft oplopen. Toen hij aan de overkant was zag hij in zijn ooghoeken wel die auto aankomen.

Volgens de getuige [getuige B] liep die andere man heel stevig door. Hij heeft de auto niet horen toeteren en heeft ook geen piepende banden gehoord. De verlichting was volgens de getuige [getuige B], die daar driemaal per week loopt, niet anders dan anders, maar wel beperkt.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij zich nog maar weinig herinnert van het ongeval. Achteraf gezien wist hij wel dat ter plaatse een zebrapad ligt, maar hoewel hij al 60 jaar in Zwolle woont rijdt/komt hij praktisch nooit op de Burgemeester van Roijensingel. Verdachte herinnert zich nog dat hij op het allerlaatst strepen van het zebrapad heeft gezien, maar dat het zebrapad niet duidelijk zichtbaar was. Hij herinnert zich niet op hoeveel meter afstand hij het zebrapad heeft gezien. Hij herinnert zich niet de weergesteldheid ten tijde van het ongeval. In de stad rijdt verdachte volgens eigen zeggen in zijn auto meestal met een snelheid van 30 kilometer per uur.

Verdachte heeft niet gehoord dat mevrouw [getuige A], inzittende van de door hem bestuurde personenauto, iets tegen hem heeft gezegd. Verdachte heeft niet gezien dat vlak vóór het ongeval een persoon van links het zebrapad/de weg is overgestoken. Volgens verdachte schemerde het ten tijde van het ongeval, was de verlichting boven het zebrapad ten tijde van het ongeval niet ontstoken en is die pas na het ongeval aangegaan. Hij heeft geremd met zijn auto toen het slachtoffer op de motorkap lag. Eerder heeft hij het slachtoffer niet gezien.

Verdachte heeft ter terechtzitting zijn standpunt gehandhaafd dat hij het ongeval niet anders kan verklaren dan dat het slachtoffer opeens de weg is opgestapt en dat hij om die reden geen gevaar op de weg heeft veroorzaakt.

De rechtbank staat in de eerste plaats voor de beantwoording van de vraag of sprake is van schuld aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet.

Daartoe komt het volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Op grond daarvan valt volgens de Hoge Raad niet in zijn algemeenheid aan te geven of één enkele verkeersovertreding voldoende kan zijn voor een bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, omdat daarvoor verschillende factoren van belang zijn, zoals het geheel van de gedragingen van de verdachte, de concrete aard en ernst daarvan en de omstandigheden van het geval. Voorts kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

Naar het oordeel van de rechtbank valt het als automobilist niet verlenen van voorrang aan een voetganger die oversteekt op een zebrapad als een zeer ernstige verkeersovertreding aan te merken. Voetgangers behoren tot de meest kwetsbare verkeersdeelnemers waarbij elk contact tussen een voetganger en een rijdende auto fatale gevolgen kan hebben.

Het naderen en passeren van een zebrapad vereist van automobilisten daarom uiterste alertheid, aangezien er op dergelijke plaatsen rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat voetgangers de rijbaan oversteken, terwijl zij daar bovendien voorrang hebben.

Verdachte heeft naar het oordeel van de rechtbank verzuimd om die uiterste alertheid in acht te nemen. Uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen volgt weliswaar dat verdachte het zebrapad hoogstwaarschijnlijk met een lagere snelheid dan de toegestane snelheid van 50 kilometer is genaderd, doch evenzeer is komen vast te staan dat verdachte zijn snelheid bij het naderen van het zebrapad niet heeft verminderd en dat hij het pas op het allerlaatste moment strepen van het zebrapad heeft gezien.

Uit de resultaten van de VerkeersOngevallenAnalyse kan onder meer worden afgeleid dat het slachtoffer zich ten tijde van het ongeval zo goed als zeker op het zebrapad heeft bevonden. De rechtbank acht daartoe onder meer redengevend dat het geconstateerde regelspoor (lees remspoor) 1,9 meter voorbij het zebrapad is begonnen. Deze constatering is verenigbaar met de verklaring van verdachte dat hij pas geremd heeft op het moment dat hij het slachtoffer op zijn voorruit zag.

De rechtbank acht in dat verband ook redengevend dat de vastgestelde schade aan de door verdachte bestuurde personenauto zich aan de linkerzijde van die personenauto bevindt.

De rechtbank acht voorts redengevend dat de getuige [getuige B] heeft verklaard dat hij het zebrapad is opgelopen en de weg overgestoken is en dat hij, op het moment dat hij aan de overkant was en de stoep opstapte, zag dat een man hem tegemoet kwam en dat zij elkaar passeerden en dat de man het zebrapad opliep waar hij zojuist vanaf gekomen was. Daarna hoorde de getuige [getuige B] ineens een enorme knal en toen hij keek zag hij die man door de lucht vliegen. Volgens de getuige [getuige B] heeft hij zelf bij het oversteken van de weg niet hoeven wachten. Hij weet niet of hij een auto aan heeft zien komen toen hij halverwege het zebrapad was. Hij kon ongehinderd de tweede helft oplopen. Toen hij aan de overkant was zag hij in zijn ooghoeken wel die auto aankomen.

Uit het vorenoverwogene kan in ieder geval worden afgeleid dat het slachtoffer zich reeds op het zebrapad bevond op het moment dat verdachte het zebrapad naderde.

Op grond van de verklaring van verdachte is naar het oordeel van de rechtbank voorts komen vast te staan dat verdachte het slachtoffer pas heeft waargenomen toen het slachtoffer op zijn voorruit kwam. Zulks klemt temeer nu getuige mevrouw [getuige A], inzittende van de door verdachte bestuurde personenauto, heeft verklaard dat zij bij het naderen van het zebrapad een man heeft zien staan en dat ook tegen verdachte heeft gezegd. Verdachte heeft daar niet op gereageerd.

Uit het vorenstaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte in ieder geval gedurende een aantal seconden in het geheel niet heeft opgelet en dat hij, toen hij aan kwam rijden, niet heeft gezien dat het slachtoffer het zebrapad opliep en dat hij het slachtoffer zelfs niet heeft gezien toen het slachtoffer vrijwel direct voor zijn auto langs liep.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn op grond van de inhoud van het strafdossier en hetgeen tijdens het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen onvoldoende aanwijzingen naar voren gekomen dat verdachte zich ten gevolge van de situatie ter plaatse niet ervan kon vergewissen dat het zebrapad vrij was van verkeer. De rechtbank overweegt daartoe dat niet is komen vast te staan dat het bord L2 aan het zicht van verdachte werd ontnomen tengevolge van de ter plaatse aanwezige boom. De ontbrekende plaat op het bord L2 in verdachtes rijrichting disculpeert verdachte naar het oordeel van de rechtbank evenmin. omdat wel enige verlichting aanwezig was en omdat het 2e bord L2 met plaat voldoende licht uitstraalde.

Verdachte heeft zelf verklaard dat het ten tijde van het ongeval schemerig was, terwijl

de rechtbank geen redenen heeft om te twijfelen aan de mededeling van de Gemeente Zwolle, Afdeling beheer openbare ruimte d.d. 7 november 2011, dat de openbare verlichting op 4 oktober 2011 ter plaatse om 19.15 uur is ingeschakeld. Blijkens een eerder mailbericht van 4 november 2011 is de verlichting van de borden L2 aangesloten op de openbare straatverlichting .

Ook de omstandigheid dat slachtoffer donkere kleding droeg doet aan het vorenoverwogene

niet af.

Het vorenstaande leidt tot de vaststelling dat verdachte ten gevolge van een verkeersfout een verkeersongeval met fatale gevolgen heeft veroorzaakt. Verdachte heeft geen voorrang verleend en dit verwijt is aan verdachte toe te rekenen. Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat verdachte aanmerkelijk onoplettend en onvoorzichtig is geweest en kan mitsdien het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte primair ten laste is gelegd, met dien verstande dat

hij op 04 oktober 2011 te Zwolle als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, Burgemeester van Roijensingel, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk, onvoorzichtig en onoplettend, rijdend over de Burgemeester van Roijensingel in de richting van Emmawijk en een voetgangersoversteekplaats op die Burgemeester van Roijensingel is genaderd en, terwijl deze voetgangersoversteekplaats met strepen op de weg was aangeduid en met een overhangend verlicht bord was aangeduid,

waarbij hij, verdachte, onvoldoende aandacht heeft besteed aan de weg en het overige verkeer en zich er onvoldoende van heeft vergewist dat voornoemde voetgangersoversteekplaats vrij was van verkeer en geen voorrang heeft verleend aan de heer [slachtoffer], die zich op voornoemde voetgangersoversteekplaats bevond, tengevolge waarvan verdachte met zijn voertuig in botsing is gekomen met voornoemde [slachtoffer], waardoor deze [slachtoffer] werd gedood.

Van het primair meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

DE STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Het bewezene levert op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood,

strafbaar gesteld bij artikel 175 van de Wegenverkeerswet 1994.

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. Dit levert het genoemde strafbare feit op.

DE STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is derhalve strafbaar.

OPLEGGING VAN STRAF EN/OF MAATREGEL

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft de veroordeling van verdachte gevorderd ter zake van het primair ten laste gelegde tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden, met een proeftijd van twee jaren.

Voorts heeft de officier van justitie een ontzegging van de rijbevoegdheid gevorderd voor de duur van 2 jaar.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit om aan verdachte ingeval van een bewezenverklaring met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht schuldig te verklaren zonder oplegging van straf.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en de ernst van het

bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan

heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het

onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van de straf en bij de vaststelling van de

duur daarvan in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Het is aan verdachte te wijten dat op 4 oktober 2011 een ernstig ongeval heeft plaatsgevonden te Zwolle ten gevolge waarvan [slachtoffer], 56 jaar oud, is overleden. Dit ongeval en de plotselinge dood van de heer [slachtoffer] hebben blijkens de schriftelijke slachtofferverklaringen van zijn weduwe en zijn zoon diepe, onuitwisbare sporen nagelaten in hun leven.

De rechtbank is van oordeel dat het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid noodzakelijk zijn om daarmee de ernst van het bewezen verklaarde feit tot uitdrukking te brengen en teneinde van de op te leggen straf en maatregel een preventieve werking te laten uitgaan.

De rechtbank heeft bij de strafoplegging ten voordele van verdachte laten meewegen

dat de inmiddels 82-jarige verdachte over een blanco strafblad beschikt. Daartegenover staat

dat verdachtes proceshouding getuigt van een gebrek aan inlevingsvermogen in de gevolgen

van het ongeval voor de nabestaanden en het niet willen nemen van enige

verantwoordelijkheid voor het ongeval.

De rechtbank realiseert zich dat de op te leggen onvoorwaardelijke ontzegging van de

rijbevoegdheid voor de tijd van 2 jaar ingrijpende gevolgen zal kunnen hebben voor het

dagelijks leven van de verdachte. Gelet op het aanmerkelijk onvoorzichtige en

onoplettende rijgedrag van verdachte met fatale afloop acht de rechtbank het opleggen van

deze maatregel noodzakelijk.

Mede in aanmerking genomen de hoge leeftijd van de verdachte en gelet op de geldende

landelijke oriëntatiepunten voor de straftoemeting ter zake van verkeersmisdrijven als het

onderhavige bewezen verklaarde feit komt de rechtbank tot een enigszins lagere

voorwaardelijke gevangenisstraf dan door de officier van justitie is gevorderd.

De rechtbank heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 29 maart 2012 waaruit blijkt dat verdachte een blanco strafblad heeft.

De oplegging van straf en maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op:

- de artikelen 10, 14a, 14b, 14c en 91 van het Wetboek van Strafrecht,

- artikel 178 van de Wegenverkeerswet 1994.

BESLISSING

Het primair ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert het strafbare feit op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het primair meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden.

De gevangenisstraf zal niet worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders zal gelasten omdat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

De rechtbank ontzegt de verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 2 jaar.

Aldus gewezen door mr. G.P. Nieuwenhuis, voorzitter, mrs. A.J. Louter en E. Leentjes, rechters, in tegenwoordigheid van H. Kamp als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 mei 2012.

Mr. Leentjes voornoemd was buiten staat om dit vonnis mede te ondertekenen.