Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BW6016

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
16-05-2012
Datum publicatie
16-05-2012
Zaaknummer
07/116083-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft een 78-jarige man veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van twee jaren. De man had op een rotonde in Staphorst een vijf-jarig jongentje geen voorrang verleend. Het jongentje is door de aanrijding overleden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer: 07/116083-11 (P)

Uitspraak: 16 mei 2012

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1933 te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 3 mei 2012.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. H.J. Voors, advocaat te Zwolle.

Als officier van justitie was aanwezig mr. R. Verheul.

TENLASTELEGGING

De verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 24 april 2011 te Staphorst als verkeersdeelnemer, namelijk

als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de

Gemeenteweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans

aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, komende vanuit de richting van

'de Stovonde', gaande in de richting van IJhorst en/of (vervolgens) de rotonde

Bergerslag/Gemeenteweg/Ebbinge Wubbenlaan is opgereden en vervolgens,

rijdende op die rotonde, de tweede afslag naar rechts is afgeslagen teneinde

zijn weg (Gemeenteweg) te vervolgen, zulks terwijl er tijdens het afslaan een

fietser ([slachtoffer], geboren [geboortedatum] 2005) rechts naast hem

en/of voor hem reed op het fietspad van diezelfde weg, rotonde, met het doel

de rotonde via het fietspad recht over te steken,

waarbij hij (verdachte) tijdens het afslaan naar rechts met de voorzijde van

zijn voertuig tegen (de linkerzijde van) de fiets(er) ([slachtoffer]) is aangereden

en/of gebotst, tengevolge waarvan [slachtoffer] met zijn fiets ten val is gekomen

(met zijn hoofd op het wegdek), waarna [slachtoffer] met zijn fiets onder die auto

terecht is gekomen en vervolgens met zijn fiets klem kwam te zitten onder die

auto en daarna een aantal (ongeveer 21) meters werd meegesleept onder de auto,

waardoor die [slachtoffer] werd gedood;

art 6 Wegenverkeerswet 1994

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 24 april 2011 te Staphorst als bestuurder van een voertuig

(personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Gemeenteweg, komende uit de

richting van "de Stovonde", gaande in de richting van IJhorst,

de rotonde Bergerslag/Gemeenteweg/Ebbinge Wubbenlaan is opgereden en

vervolgens, rijdende op die rotonde, de tweede afslag naar rechts is

afgeslagen teneinde zijn weg (Gemeenteweg) te vervolgen,

zulks terwijl er tijdens het afslaan een fietser ([slachtoffer], geboren

[geboortedatum] 2005) rechts naast hem en/of voor hem reed op het fietspad van

diezelfde weg, rotonde, met het doel de rotonde via het fietspad recht over te

steken,

waarbij hij (verdachte) tijdens het afslaan naar rechts met de voorzijde van

zijn voertuig tegen (de linkerzijde van) de fiets(er) ([slachtoffer]) is aangereden

en/of gebotst,

tengevolge waarvan [slachtoffer] met zijn fiets ten val is gekomen (met zijn hoofd op

het wegdek),

waarna [slachtoffer] met zijn fiets onder die auto terecht is gekomen en vervolgens

met zijn fiets klem kwam te zitten onder die auto en daarna een aantal

(ongeveer 21) meters werd meegesleept onder de auto,

waarbij [slachtoffer] letsel heeft opgelopen tengevolge waarvan [slachtoffer] (even later)

is komen te overlijden,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 5 Wegenverkeerswet 1994

VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en

dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

BEWIJSMOTIVERING

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie acht hetgeen verdachte primair ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen en heeft ter terechtzitting de veroordeling van verdachte gevorderd ten aanzien van hetgeen onder voornoemd feit ten laste is gelegd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het primair ten laste gelegde op grond van het ontbreken van schuld. De verdediging heeft ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde geconcludeerd tot een bewezenverklaring.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt, op grond van de hierna in voetnoten vermelde bewijsmiddelen, het navolgende.

Verdachte heeft op zondag 24 april 2011, omstreeks 10.42 uur, als bestuurder van een personenauto op de rotonde Gemeenteweg/Bergerslag/Ebbinge Wubbenlaan in de gemeente Staphorst geen voorrang verleend aan de aldaar fietsende vijfjarige [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 2005.

[slachtoffer] is op voornoemd tijdstip op de daarvoor bestemde fietsstrook, komende vanaf de Bergerslag, voornoemde rotonde opgefietst in de richting van de Ebbinge Wubbenlaan, direct achter zijn vader en tweelingbroertje [naam broer].

Nadat verdachte, stilstaand op voornoemde rotonde, onder meer [slachtoffer's] vader en de naast hem fietsende [naam broer] had laten voorgaan is verdachte langzaam opgetrokken in de door hem bestuurde personenauto en is rechts afgeslagen, waardoor hij met de (linker)voorzijde van zijn personenauto [slachtoffer] heeft aangereden. [slachtoffer] is daardoor met zijn fiets ten val gekomen, met zijn fiets onder de door verdachte bestuurde personenauto terechtgekomen en is, totdat verdachte de door hem bestuurde personenauto tot stilstand had gebracht, nog ongeveer 21 meter onder die personenauto meegesleept. [slachtoffer] is daarna onder die personenauto vandaan gehaald en is, nadat eerste medische hulp was verleend, overgebracht naar het Sophia-ziekenhuis te Zwolle. [slachtoffer] is diezelfde dag omstreeks 12.15 uur in het Sophia-ziekenhuis te Zwolle overleden.

Blijkens de resultaten van de door forensisch arts O. Syperda verrichte schouw is [slachtoffer] overleden aan een hersenbloeding, veroorzaakt door de eerste klap van het hoofd van [slachtoffer] op het wegdek.

Ter plaatse bedroeg de maximumsnelheid voor motorvoertuigen 30 kilometer per uur.

Ten tijde van het ongeval, omstreeks 10.42 uur, was de weergesteldheid zonnig en helder

en was het wegdek, voorzien van klinkerbestrating, droog.

Ter plaatse zijn geen remsporen aangetroffen.

Het zicht op de rotonde was vrij. Het uitzicht door de voorruit en zijruiten van de door verdachte bestuurde personenauto werd op geen enkele wijze belemmerd.

Blijkens gedane proefnemingen waren vanaf de bestuurderstoel van de door verdachte bestuurde personenauto, bij het plaatsen van de fiets op 1 meter afstand van de voorzijde van de auto, in ieder geval het hoofd en de schouders van [slachtoffer] zichtbaar.

Bij technisch onderzoek van de door verdachte bestuurde personenauto is een defect stuurbekrachtigingssysteem geconstateerd.(Bij de “rijproef” ter plaatse direkt na het ongeval was dit defect er niet!)Mogelijk bestond dit defect ten tijde van het ongeval. Het eventuele defect aan het stuurbekrachtigingssysteem is niet van invloed geweest op het ongeval. Voor het overige zijn geen gebreken vastgesteld aan de door verdachte bestuurde personenauto die eventueel de oorzaak zou kunnen zijn of van invloed zouden kunnen zijn geweest op het ontstaan dan wel het verloop van het ongeval.

Verdachte heeft in zijn eerste verklaring tegenover de politie van 24 april 2011 verklaard dat:

- hij de rotonde Bergerslag-Gemeenteweg vanaf de Bergerslag is genaderd;

- hij en 4 volwassen fietsers tegelijk bij die rotonde waren;

- hij ze eerst voor zich zag, naar rechts heeft gekeken over zijn rechterschouder en niet in

zijn spiegel heeft gekeken, omdat je daar niets aan hebt;

- hij de rotonde is opgereden, het knipperlicht naar rechts heeft aangedaan, op de rotonde

heeft stilgestaan en 4 volwassen fietsers voorrang heeft verleend;

- hij vervolgens nog een keer over zijn rechter schouder heeft gekeken is en toen is gaan

rijden, de Gemeenteweg op;

- hij dacht dat de weg vrij was;

- er plotseling op het bijrijdersraam werd getikt;

- hij niets heeft gehoord of gevoeld;

- hij op het moment dat er mensen aan kwamen direct zijn auto heeft stilgezet en is

uitgestapt;

- hij direct zag dat er een jongen onder de auto lag;

- hij de jongen echt niet heeft gezien.

Verdachte heeft in zijn tweede verklaring tegenover de politie van 23 mei 2011 verklaard dat:

- hij geregeld gebruik maakt van de rotonde Gemeenteweg-Bergerslag te Staphorst;

- hij er soms wel drie of vier keer langs komt;

- hij goed weet dat het andere verkeer op die rotonde voorrang heeft;

- hij op de rotonde zoveel mogelijk rechts rijdt, zoals je hoort te doen;

- hij bij het rijden op de rotonde in de spiegels kijkt en ook over zijn schouder;

- dat jochie op zo’n klein fietsje was en je er dan over heen kijkt;

- hij op 24 april 2011 vanaf de Bergerslag kwam en rechtsaf de Gemeenteweg wilde

oprijden;

- hij op 24 april 2011 een gehoorapparaat in beide oren droeg .

Verdachte heeft in zijn derde verklaring tegenover de politie van 7 september 2011 verklaard dat:

- hij op 24 april 2011 geen gehoorapparaten droeg;

- hij op 24 april 2011 de rotonde naderde vanaf de Bergerslag;

- hij bij de rotonde een man zag fietsen die twee jongetjes bij zich had, een tweeling;

- de jochies een eind uit elkaar fietsten;

- hij die vader van die twee kinderen dus wel heeft gezien;

- hij niet voor de fietsers moest stoppen, omdat die al door fietsten;

- hij, voordat hij optrok, naar rechts keek omdat hij moest afslaan;

- hij de rotonde naderde en vier mensen op de rotonde zag die hij voorrang moest

verlenen;

- hij met zijn auto is gaan optrekken toen zij hem gepasseerd waren en dat toen dat

jongetje nog kwam;

- hij dat jongetje niet heeft gezien;

- hij [vader slachtoffer] hoorde schreeuwen;

- hij geen auto heeft horen claxonneren.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij zich weinig meer herinnert van het ongeval. Hij herinnert zich nog dat hij de rotonde stapvoets opreed, komende vanaf de Bergerslag, toen hij een jongetje, een vrouw en een man de rotonde op zag fietsen. Hij herinnert zich ook nog dat hij, voordat hij naar rechts is afgeslagen, naar rechts heeft gekeken en vervolgens is opgetrokken. Voordat hij optrok heeft hij niets gezien. Hij heeft zijn auto tot stilstand gebracht toen die man naast zijn auto kwam lopen. Verdachte heeft ter terechtzitting voorts verklaard dat hij ten tijde van het ongeval geen gehoorapparaten droeg, omdat hij die per ongeluk die ochtend niet had ingedaan.

Uit de bovenstaande verklaringen van de verdachte volgt naar het oordeel van de rechtbank dat deze voor wat betreft het aantal door hem waargenomen fietsers, gelet op de wisselende verklaringen daaromtrent, niet als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt.

Door [vader slachtoffer], vader van [slachtoffer], is verklaard dat hij vlak voor de rotonde naast [naam broer] is gaan fietsen en tegen [slachtoffer] heeft gezegd dat hij achter hen aan moest fietsen. Vlak voor de rotonde heeft hij nog achterom gekeken of [slachtoffer] direct achter hem fietste en dat deed hij. Toen ze nog geen kwart op de rotonde waren heeft [vader slachtoffer] gewoonte getrouw weer achterom gekeken en zag hij een auto op [slachtoffer] afkomen. Die auto reed niet hard, maar hij wist dat het fout zou gaan en zag dat de voorkant van die auto [slachtoffer] precies in de linkerkant van zijn lichaam raakte en dat [slachtoffer] onder die auto kwam, waarna hij naar die auto is gerend, die gewoon doorreed.

De rechtbank neemt voornoemde verklaring van [vader slachtoffer], vader van [slachtoffer], als uitgangspunt voor de feitelijke situatie op 24 april 2011, nu deze verklaring op essentiële punten steun vindt in de verklaringen van de getuigen [getuige A] , [getuige B] en [getuige C] , die allen hebben verklaard dat [vader slachtoffer] en [naam broer] op de rotonde op het fietspad naast elkaar fietsten en dat [slachtoffer] er achter fietste en dat zij [vader slachtoffer], [naam broer] en [slachtoffer], op de rotonde hebben ingehaald, deels door over de rijbaan voor het snelverkeer te fietsen.

Volgens de getuige [getuige A] zat er hooguit een fietslengte tussen [slachtoffer] en zijn vader en stopte de auto van verdachte op het moment dat zij voor hem langs fietsten op de rotonde. In dat verband acht de rechtbank ook de verklaring van de getuige [getuige D], die op dat moment in haar auto de rotonde naderde, redengevend. Volgens de getuige [getuige D] zag zij de vader en andere fietsers op de rotonde rechtdoor fietsen en zag zij de auto die voor haar op de rotonde stilstond voorrang verlenen aan die fietsers. Daarna zag zij die auto zijn weg vervolgen in de richting van Punthorst en zag zij dat die bestuurder bij het naar rechts gaan met zijn auto iets raakte dat onder zijn auto terecht kwam. Vervolgens zag zij dat er een kind onder die auto lag.

De rechtbank staat in de eerste plaats voor de beantwoording van de vraag of sprake is van schuld aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet.

Daartoe komt het volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Op grond daarvan valt volgens de Hoge Raad niet in zijn algemeenheid aan te geven of één enkele verkeersovertreding voldoende kan zijn voor een bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, omdat daarvoor verschillende factoren van belang zijn, zoals het geheel van de gedragingen van de verdachte, de concrete aard en ernst daarvan en de omstandigheden van het geval. Voorts kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

Naar het oordeel van de rechtbank valt het niet verlenen van voorrang aan een fietser op een rotonde aan te merken als een zeer ernstige verkeersovertreding. Fietsers behoren in het verkeer op rotondes tot de meest kwetsbare verkeersdeelnemers vanwege de gevaren van afslaand autoverkeer in combinatie met de verschillen in snelheid tussen fietsers en motorvoertuigen. In het bijzonder zeer jeugdige verkeersdeelnemers, zoals de vijfjarige [slachtoffer], vereisen van automobilisten uiterste alertheid, omdat elk contact tussen een motorvoertuig en zeer jeugdige verkeersdeelnemers fatale gevolgen kan hebben vanwege hun lichamelijke kwetsbaarheid.

Verdachte heeft verzuimd die uiterste alertheid in acht te nemen. Immers, verdachte heeft nagelaten om met het optrekken van de door hem bestuurde personenauto te wachten totdat hij had gezien, door herhaald naar rechts, naar voren, naar links en in zijn spiegels te kijken, dat zowel de vader van [slachtoffer], [slachtoffer's] tweelingbroertje [naam broer] als de direct achter hen fietsende [slachtoffer], veilig gepasseerd waren. Blijkens de gedane proefnemingen waren minimaal [slachtoffer's] hoofd en het stuur van zijn fiets recht voor verdachte zichtbaar vanuit zijn bestuurdersstoel. Verdachte had moeten zien dat de vader van [slachtoffer], [slachtoffer's] tweelingbroertje en [slachtoffer] zich op de rotonde bevonden om rechtdoor te fietsen en had daarnaar moeten handelen. Verdachte heeft dat niet gedaan en heeft aldus minimaal een aantal seconden in het geheel niet opgelet en zich niet gerealiseerd dat, toen hij langzaam optrok, nog niet alle op de aanwezige rotonde fietsers hem waren gepasseerd.

De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat blijkens de conclusies van de VerkeersOngevallenAnalyse het eventuele defect aan het stuurbekrachtigingssysteem niet van invloed is geweest op het ongeval en voor het overige geen gebreken zijn vastgesteld aan de door verdachte bestuurde personenauto die eventueel de oorzaak zou kunnen zijn of van invloed zouden kunnen zijn geweest op het ontstaan dan wel het verloop van het ongeval.

Voorts heeft verdachte verklaard dat hij de bewuste dag zonder gehoorapparaat in de auto is gestapt, terwijl verdachte slechthorend is, hetgeen overigens ook ter terechtzitting is gebleken. Dit valt verdachte aan te rekenen, omdat het een feit van algemene bekendheid is dat alle zintuigen, waaronder derhalve ook het gehoor, de bestuurder alert moeten maken op potentieel risicovolle situaties in het verkeer.

Het vorenstaande leidt tot de vaststelling dat verdachte ten gevolge van een zeer ernstige verkeersfout een verkeersongeval met fatale gevolgen heeft veroorzaakt. Verdachte heeft geen voorrang verleend en dit verwijt is aan verdachte toe te rekenen. Een en ander klemt temeer nu verdachte zeer bekend was met de plaatselijke situatie en zeer regelmatig als bestuurder van een motorvoertuig gebruik maakte van de betreffende rotonde. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte zeer onoplettend en onvoorzichtig is geweest en kan mitsdien het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende komen vast te staan uit welke richting, Bergerslag dan wel de Gemeenteweg, verdachte de rotonde is opgereden. De rechtbank acht zulks niet van belang met het oog op de bewezenverklaring, omdat is komen vast te staan dat op verdachte, zowel komende vanaf de Gemeenteweg als komende vanaf de Bergerslag, de verplichting rustte om voorrang te verlenen aan de op dat moment op de rotonde aanwezige rechtdoor fietsende fietsers.

Gelet op het vorenoverwogene zal de rechtbank verdachte partieel vrijspreken voor wat betreft het ten laste gelegde “komende vanuit de richting van ‘de Stovonde’.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte primair ten laste is gelegd, met dien verstande dat

hij op 24 april 2011 te Staphorst als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Gemeenteweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden doordat hij, verdachte, zeer, onvoorzichtig en onoplettend, gaande in de richting van IJhorst en/of (vervolgens) de rotonde Bergerslag/Gemeenteweg/Ebbinge Wubbenlaan is opgereden en vervolgens, rijdende op die rotonde, de tweede afslag naar rechts is afgeslagen teneinde

zijn weg (Gemeenteweg) te vervolgen, zulks terwijl er tijdens het afslaan een fietser ([slachtoffer], geboren [geboortedatum] 2005) rechts naast hem en/of voor hem reed op het fietspad van diezelfde weg, rotonde, met het doel de rotonde via het fietspad recht over te steken,waarbij hij (verdachte) tijdens het afslaan naar rechts met de voorzijde van zijn voertuig tegen (de linkerzijde van) de fiets(er) ([slachtoffer]) is aangereden, tengevolge waarvan [slachtoffer] met zijn fiets ten val is gekomen (met zijn hoofd op het wegdek), waarna [slachtoffer] met zijn fiets onder die auto terecht is gekomen en vervolgens met zijn fiets klem kwam te zitten onder die auto en daarna een aantal (ongeveer 21) meters werd meegesleept onder de auto,

waardoor die [slachtoffer] werd gedood.

Van het primair meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

DE STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Het bewezene levert op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood,

strafbaar gesteld bij artikel 175 van de Wegenverkeerswet 1994.

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. Dit levert het genoemde strafbare feit op.

DE STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is derhalve strafbaar.

OPLEGGING VAN STRAF EN/OF MAATREGEL

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft de veroordeling van verdachte gevorderd ter zake van het primair ten laste gelegde tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden, met een proeftijd van twee jaren.

Voorts heeft de officier van justitie een ontzegging van de rijbevoegdheid gevorderd voor de duur van 3 jaar.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit om aan verdachte, zowel ingeval van een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde als het subsidiair ten laste gelegde, een geldboete en een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en de ernst van het

bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan

heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het

onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van de straf en bij de vaststelling van de

duur daarvan in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Het is aan verdachte te wijten dat op 24 april 2011 een ernstig ongeval heeft plaatsgevonden te Staphorst ten gevolge waarvan de vijfjarige [slachtoffer] is overleden. Dit ongeval en de plotselinge dood van [slachtoffer] hebben blijkens de schriftelijke slachtofferverklaring van de vader van [slachtoffer] diepe, onuitwisbare sporen nagelaten in het leven van de nabestaanden.

De rechtbank is van oordeel dat het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid noodzakelijk zijn om daarmee de ernst van het bewezen verklaarde feit tot uitdrukking te brengen en teneinde van de op te leggen straf en maatregel een preventieve werking te laten uitgaan.

De rechtbank heeft bij de strafoplegging ten voordele van verdachte laten meewegen

dat de inmiddels bijna 79-jarige verdachte over een blanco strafblad beschikt en zich

(weliswaar niet rechtstreeks, maar via zijn kinderen) schuldbewust heeft opgesteld richting

de nabestaanden van zijn slachtoffer. Ter zitting is de rechtbank gebleken dat het ongeval ook op verdachte diepe indruk heeft gemaakt en dat hij er alles voor over zou hebben om de noodlottige gevolgen ongedaan te maken.

De rechtbank realiseert zich dat de op te leggen onvoorwaardelijke ontzegging van de

rijbevoegdheid voor de tijd van 2 jaar ingrijpende gevolgen zal kunnen hebben voor het

dagelijks leven van de verdachte en zijn echtgenote, die is aangewezen op zijn dagelijkse

zorg. Gelet echter op het zeer onvoorzichtige rijgedrag van verdachte met fatale afloop acht

de rechtbank het opleggen van deze maatregel noodzakelijk.

Mede in aanmerking genomen de hoge leeftijd van de verdachte en gelet op de geldende

landelijke oriëntatiepunten voor de straftoemeting ter zake van verkeersmisdrijven als het

onderhavige bewezen verklaarde feit komt de rechtbank tot een lagere straf dan door de

officier van justitie is gevorderd.

De tijd dat het rijbewijs ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 ingevorderd of ingehouden is geweest voor het tijdstip waarop de ontzegging ingaat, moet op grond van artikel 179, zesde lid, van deze wet op de duur van die bijkomende straf in mindering worden gebracht.

De rechtbank heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 27 maart 2012 waaruit blijkt dat verdachte een blanco strafblad heeft.

De oplegging van straf en maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op:

- de artikelen 10, 14a, 14b, 14c en 91 van het Wetboek van Strafrecht,

- de artikelen 178 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

BESLISSING

Het primair ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert het strafbare feit op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het primair meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden.

De gevangenisstraf zal niet worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders zal gelasten omdat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

De rechtbank ontzegt de verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 2 jaar.

De rechtbank bepaalt dat de tijd gedurende welke het rijbewijs van de verdachte voor het tijdstip waarop de uitspraak voor wat betreft de bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van die bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door mr. A.J. Louter, voorzitter, mrs. G.P. Nieuwenhuis en E. Leentjes, rechters, in tegenwoordigheid van H. Kamp als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 mei 2012.

Mr. Leentjes voornoemd was buiten staat om dit vonnis mede te ondertekenen.