Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BW4747

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
02-05-2012
Datum publicatie
03-05-2012
Zaaknummer
Awb 11/1723
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gebouwencomplex Horstman hoeve te Zwolle vwb boerderij en stenen bijgebouwtje aangewezen als beschermd gemeentelijk monument; belangen van eiseres zien niet op een aan een concrete bouwaanvraag gerelateerd (financieel) belang; geen volstrekt onredelijke afweging gemaakt; beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht

Registratienummer: Awb 11/1723

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

C.A.J. Bruin Beheer B.V.,

wonende te Zwolle, eiseres,

gemachtigde: mr. S. Maakal,

en

het college van burgemeester en wethouders van Zwolle,

gevestigd te Zwolle, verweerder,

en

(….), en

Bewonersvereniging Berkum Brinkhoek,

allen wonende te Zwolle, belanghebbenden,

gemachtigde: mr. R.S. Wertheim.

Procesverloop

Op 14 december 2010, bekend gemaakt op 15 december 2010, heeft verweerder besloten het gebouwencomplex de Horstman hoeve (hierna: de Horstman hoeve), voor wat betreft de boerderij en het stenen bijgebouwtje rechts aan de voorzijde van de boerderij (het bakhuis), als beschermd gemeentelijk monument op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen.

Bij brief van 25 januari 2011, ingekomen op 26 januari 2011, heeft eiseres tegen die beslissing bij de rechtbank beroep ingesteld. Dit beroepschrift is door de rechtbank doorgezonden naar verweerder, om de behandeling daarvan als bezwaarschrift over te nemen. Het bezwaar is bij besluit van 28 juni 2011 ongegrond verklaard.

Eiseres heeft op 8 augustus 2011 tegen het besluit van 28 juni 2011 beroep ingesteld bij de rechtbank. Eiseres heeft op 20 september 2011 de gronden van het beroep ingediend en verweerder heeft op 28 oktober 2011 een verweerschrift ingediend. Bij brief van 10 november 2011 hebben belanghebbenden desgevraagd te kennen gegeven als partij aan de beroepsprocedure deel te nemen.

Het beroep is ter zitting van 23 november 2011 behandeld. Eiseres is verschenen bij haar directeur de heer Bruin, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.C.S. van Dop en C.D. Borst. De heer(…) is verschenen bijgestaan door mr. C.E. van Staveren, kantoorgenoot van mr. Wertheim. De overige belanghebbenden zijn verschenen bij gemachtigde mr. C.E. van Staveren. Het onderzoek is ter zitting geschorst, teneinde eiseres en verweerder in de gelegenheid te stellen nader met elkaar in overleg te gaan.

Bij brief van 9 februari 2012 heeft mr. Maakal de rechtbank meegedeeld dat het overleg tussen eiseres en verweerder niet tot een door eiseres gewenst resultaat heeft geleid.

Bij brief van verweerder van 23 februari 2012 is het verslag van het gesprek tussen eiseres en verweerder ingediend. Vervolgens heeft eiseres bij brief van 22 maart 2012 nog nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 3 april 2012. Eiseres is verschenen bij haar gemachtigde. Verweerder werd vertegenwoordigd door mr. H.C.S. van Dop, C.D. Borst en A. Sipma. Belanghebbenden zijn verschenen bij hun gemachtigde mr. R. Wertheim.

Overwegingen

1. Omvang van het geschil

In geschil is de vraag of verweerders besluit van 28 juni 2011, waarbij de aanwijzing van de boerderij en het bakhuis als beschermd gemeentelijk monument is gehandhaafd, in rechte in stand dient te blijven.

2. Feiten

In juli 2009 heeft verweerder, voor de Horstman hoeve, gelegen aan de Haersterveerweg 7 te Zwolle, kadastraal bekend Gemeente Zwolle, sectie O, nummer 27, een bouwhistorisch onderzoek laten uitvoeren door Buro voor monumentenzorg en cultuurhistorie ARCX (hierna: ARCX). Naar aanleiding van de uitkomsten van dat onderzoek heeft verweerder een “redengevende omschrijving” opgesteld, bedoeld om de Horstman hoeve aan te wijzen als beschermd gemeentelijk monument.

Verweerder heeft de Monumentencommissie van Het Oversticht (verder: de Monumentencommissie) verzocht over de aanwijzing te adviseren. Op 15 januari 2010 heeft de Monumentencommissie aangegeven zich te kunnen vinden in de bescherming, gezien de aanwezige bouwhistorische, monumentale, cultuurhistorische en stedenbouwkundige waarden zoals beschreven in de omschrijving, en deze te onderschrijven. De Monumentencommissie heeft daarbij positief geadviseerd op verweerders voornemen tot aanwijzing tot gemeentelijk monument.

Vervolgens hebben belanghebbenden bij brief van hun gemachtigde van 2 april 2010 verzocht tot aanwijzing als gemeentelijk monument van de Horstman hoeve.

Na zijn voornemen daartoe kenbaar te hebben gemaakt en beoordeling van de ontvangen zienswijzen heeft verweerder bij besluit van 14 december 2010 niet het gehele complex de Horstman hoeve aangewezen als gemeentelijk monument doch die aanwijzing beperkt tot de boerderij en het bakhuis.

In het kader van de bezwaarprocedure heeft de Monumentencommissie op 20 mei 2011 verweerder meegedeeld in te stemmen met de verscherpte waardering in de redengevende omschrijving.

Vervolgens heeft verweerder bij het thans bestreden besluit zijn besluit van 14 december 2010 gehandhaafd.

Op 12 december 2011 hebben de heer Bruin, voornoemd, G. Geerdink (secretaris

welstands-/monumentencommissie), J. Teunis (adviseur monumentenzorg Gemeente Zwolle) en A. Sipma (adviseur ruimtelijke inrichting Gemeente Zwolle) met elkaar gesproken over de plannen van eiseres. Tijdens dat gesprek heeft eiseres – zoals in het e-mailbericht van de heer Bruin van 6 januari 2012 is vermeld – “nieuwe plannen” (gemaakt door Eddy Dijkslag) aan verweerder gepresenteerd.

3. Juridisch kader

Met ingang van 1 oktober 2010 is de Erfgoedverordening Zwolle 2010 (de Erfgoedverordening) van kracht.

Artikel 19 van de Erfgoedverordening bepaalt dat bij inwerkingtreding van deze verordening de Monumentenverordening 2004 wordt ingetrokken.

Artikel 20, tweede lid, van de Erfgoedverordening bepaalt dat aanvragen om een vergunning die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding van deze verordening, worden afgehandeld met inachtneming van de in artikel 19 ingetrokken verordening.

Verweerder heeft geconcludeerd dat gelet op artikel 20, tweede lid, van de Erfgoedverordening de Monumentenverordening 2004 op onderhavige kwestie van toepassing is aangezien de aanvraag van belanghebbenden is ingediend voor inwerkingtreding van de Erfgoedverordening.

De rechtbank stelt evenwel vast dat in casu niet aan de orde is de aanvraag voor een vergunning maar de aanvraag tot aanwijzing als gemeentelijk monument. Uit de tekst van artikel 20, tweede lid, van de Erfgoedverordening noch uit de toelichting daarbij kan worden begrepen dat deze bepaling tevens betrekking heeft op aanvragen als de onderhavige. De rechtbank is daarom van oordeel dat op aanvragen als de onderhavige de Erfgoedverordening van toepassing is.

De rechtbank stelt voorts vast dat na vergelijking van de relevante bepalingen in de Monumentenverordening 2004 en die in de Erfgoedverordening geen sprake is van een materieel ander beoordelingskader.

Ingevolge artikel 1, lid 1, onder a, van de Erfgoedverordening wordt verstaan onder monument, een zaak die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde.

Ingevolge artikel 2 van de Erfgoedverordening wordt bij de toepassing van deze verordening rekening gehouden met het gebruik van het monument.

Artikel 3, eerste lid, van de Erfgoedverordening bepaalt dat het college (van burgemeester en wethouders), al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een onroerende zaak kan aanwijzen als beschermd gemeentelijk monument.

4. Beoordeling

Een beslissing waarbij het bestuursorgaan een discretionaire bevoegdheid hanteert als toegekend bij de vorenaangehaalde bepalingen, kan door de rechtbank slechts terughoudend worden getoetst. Beoordeeld dient daarbij te worden of het bestuursorgaan bij het hanteren van die bevoegdheid een besluit heeft genomen dat in overeenstemming is met geschreven en ongeschreven rechtsregels en waartoe dit orgaan, na afweging van alle in aanmerking te nemen belangen, in redelijkheid heeft kunnen komen.

4.1 Gronden beroep

Eiseres meent allereerst dat het verzoek van de indieners tot aanwijzing als monument niet voldeed aan de daaraan te stellen eisen aangezien het niet (voldoende) was onderbouwd.

Eiseres stelt in beroep vervolgens dat verweerders besluit ondeugdelijk is gemotiveerd en dat een zorgvuldige afweging van haar belangen ontbreekt.

Eiseres voert daartoe aan dat verweerder haar vrees, dat door monumentale aanwijzing geen toestemming voor planologische wijzigingen/bouwplannen verkregen zal worden, ten onrechte in de onderhavige procedure niet heeft meegewogen. Naar de visie van eiseres gaat verweerder er op onjuiste gronden aan voorbij dat:

1. eiseres reeds concrete plannen had voor herontwikkeling;

2. eiseres al geruime tijd met verweerder in overleg is over herontwikkeling, wat met verweerder is uitgewerkt met diverse aanpassingen van het schetsplan, waaraan de wethouder heeft toegezegd te willen meewerken; en

3. het plan concreet en gereed was voor het indienen van een bouwaanvraag.

4.2 Standpunt van verweerder

Verweerder stelt daar tegenover, dat de belangen van eiseres kenbaar zijn afgewogen. Met het oog op die belangen stelt verweerder ook alleen de boerderij en het bakhuis van de hoeve als gemeentelijk monument te hebben aangewezen, zodat eiseres in haar mogelijkheden (op het erf) niet onnodig wordt beknot. Verweerder stelt voorts dat hij ten tijde van de besluitvorming over de aanwijzing bij de afweging van die belangen niet uit heeft kunnen gaan van de plannen van eiseres, zoals zij die thans voorspiegelt, omdat die plannen destijds nog onvoldoende concreet waren en niet zover gereed dat daarvoor een bouwaanvraag kon worden ingediend.

4.3 Overwegingen

4.3.1 Niet in geschil is dat de indieners van het verzoek tot aanwijzing als monument van de boerderij en het bakhuis belanghebbenden zijn in de zin van artikel 1.2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank is eveneens van oordeel dat de aanvragers zijn aan te merken als belanghebbenden.

4.3.2. Met betrekking tot de eerste grief van eiseres overweegt de rechtbank het volgende.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Erfgoedverordening kan het college, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een onroerende zaak aanwijzen als beschermd gemeentelijk monument.

Op 2 april 2010 hebben belanghebbenden verzocht om aanwijzing van de Horstman hoeve tot beschermd gemeentelijk monument.

Zij hebben ter onderbouwing het navolgende opgemerkt:

“De hoeve is naar het oordeel van cliënten beschermenswaardig, omdat de boerderij al ten minste zo’n anderhalve eeuw oud is en een uniek houten gebinte heeft. Ook de ligging in het landschap maakt de hoeve uniek voor Zwolle en omgeving, maar ook landelijk gezien.”

De rechtbank leest in deze (toch wel enigszins in algemene bewoordingen gestelde) onderbouwing een impliciete verwijzing naar het al bij verweerder bekend zijnde ARCX bouwhistorische onderzoeksrapport, de redengevende omschrijving en het daaropvolgende advies van de Monumentencommissie van 15 januari 2010.

Gelet op deze reeds bij verweerder bekend zijnde informatie is de rechtbank van oordeel dat verweerder geen nadere onderbouwing van het verzoek bij de indieners daarvan behoefde op te vragen.

4.3.3 Met betrekking tot de overige grieven van eiseres overweegt de rechtbank het volgende.

Tussen partijen is niet in geschil dat de Horstman hoeve, monumentale waarden vertegenwoordigt als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Erfgoedverordening. De rechtbank ziet dan ook, mede gelet op de bouwhistorische verkenning van ARCX van juli 2009 alsmede de door verweerder (nader) geformuleerde en door de Monumentencommissie positief beoordeelde redengevende omschrijving, geen reden om uit te gaan van een andere conclusie.

Dit laat onverlet dat het aanwijzen van een monument als beschermd gemeentelijk monument geen verplichting, maar een bevoegdheid betreft, waarvan slechts gebruik wordt gemaakt na afweging van alle betrokken belangen. Die beoordeling strekt zich in het onderhavige geval overigens niet verder uit, dan die gedeelten van het perceel van de Horstman hoeve, waarvoor de aanwijzing is gegeven, zijnde uitsluitend de boerderij en het bakhuis.

Naar vaste rechtspraak geldt voor gevallen als de onderhavige, dat in het geval waarin sprake is van een reeds geheel uitgewerkt bouwplan waarvoor ook omgevingsvergunningen zijn gevraagd, een zwaarder gewicht aan de belangen van de aspirant-bouwer toekomt, dan wanneer dat niet het geval is.

Partijen verschillen van mening over de status van de bouwplannen van eiseres ten tijde van de aanwijzing, en daarmee over het gewicht van de belangen van eiseres. De rechtbank dient dan ook vooraleerst vast te stellen hoe concreet de bouwvoornemens van eiseres destijds waren en in hoeverre verweerder daarmee rekening heeft moeten houden bij zijn besluitvorming.

De rechtbank overweegt daarbij vooreerst dat het voor haar aannemelijk is geworden dat verweerder reeds voordat belanghebbenden het verzoek tot aanwijzing indienden het plan had om de Horstman hoeve tot beschermd gemeentelijk monument aan te wijzen en voorts dat eiseres van die plannen niet geheel onwetend is geweest of heeft kunnen zijn, nu zij er mee heeft ingestemd om een bouwhistorisch verkennend onderzoek uit te laten voeren door ARCX.

De rechtbank is op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gebleken dat eiseres sedert juli 2009 voor de Horstman hoeve een drietal schetsplannen heeft laten maken.

Eiseres heeft een eerste schetsplan laten maken door ARCX en heeft dat – zoals ter zitting onweersproken is gesteld – met medewerkers van verweerder en de wethouder voorafgaand aan de aanwijzing besproken. De wethouder heeft zich positief uitgelaten over dit plan. De rechtbank is gebleken noch aannemelijk geworden dat op dat moment of enig ander moment van de zijde van verweerder toezeggingen zijn gedaan, waaraan eiseres het vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat zij dit plan zou kunnen ontwikkelen voordat of nadat een aanwijzing tot monument zou plaatsvinden.

Op aanraden van verweerder heeft eiseres een informatie-avond belegd voor omwonenden.

Tijdens die avond is een tweede schetsplan (en nu van Moritz) gepresenteerd. Met betrekking tot dit tweede plan is ter zitting zijdens verweerder onweersproken gesteld dat eiseres na een bespreking in mei 2010 met Moritz, waarin zijdens verweerder suggesties zijn gedaan voor enige aanpassingen van het toen voorgelegde bouw-/schetsplan, niets meer van zich heeft laten zien of horen tot de bespreking van december 2011.

Voor de rechtbank is aannemelijk geworden dat eiseres zelf geen acties meer heeft ondernomen tot door-ontwikkeling van haar eerste en tweede schetsplan.

Het derde schetsplan, dat is gemaakt door Eddy Dijkslag, is pas onderwerp van de besprekingen in december 2011 geweest.

Ter zitting is gebleken dat dit derde schetsplan in niets lijkt op het schetsplan dat aan de omwonenden is gepresenteerd. Naar het oordeel van de rechtbank blijft in dit derde plan en anders dan in de twee eerder gepresenteerde plan van het monumentale karakter niets overeind. De stelling van eiseres dat het derde schetsplan nagenoeg gelijk is aan de eerdere plannen doet naar het oordeel van de rechtbank de werkelijkheid geweld aan.

Overigens vermag de rechtbank, gelet op het verhandelde tijdens de zitting van 23 november 2011, niet in te zien met welk doel eiseres het derde plan heeft gepresenteerd tijdens de bespreking van 12 december 2011.

De stelling van eiseres dat verweerder niet wenste mee te denken aan de ontwikkeling van haar plannen heeft eiseres niet onderbouwd. Dat verweerder niet meer positief heeft gereageerd op het gepresenteerde derde schetsplan, kan, naar het oordeel van de rechtbank, gelet op deze plannen voor eiseres niet als een verrassing zijn gekomen.

Het vorenoverwogene leidt de rechtbank tot het oordeel dat hoewel niet gezegd kan worden, dat verweerder in de besluitvormingsfase voorafgaand aan de aanwijzing onbekend was met bouwvoornemens van eiseres, de op dat moment bekende plannen van ARCX en Moritz niet zo concreet waren, dat deze konden leiden tot het indienen van een bouwaanvraag bij verweerder en dat derhalve verweerder aan die plannen bij de afweging van alle betrokken belangen niet voorbij heeft mogen gaan.

Aldus zien de belangen van eiseres, waarmee verweerder bij de aanwijzing rekening had te houden, niet op een aan een concrete bouwaanvraag gerelateerd (financieel) belang, maar op nog nader te ontwikkelen bouwplannen. Terzake van die toekomstige ontwikkelingen heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden overwogen, dat de belangen die daarbij een rol spelen feitelijk eerst aan de orde kunnen komen bij de beoordeling van die (concrete) bouwplannen in het licht van het daarvoor geldende wettelijke kader. Door bij het bestreden besluit nadrukkelijk te overwegen, dat de aanwijzing bewust is beperkt tot de boerderij en het stenen bakhuisje, zodat eiseres in haar toekomstige bouwmogelijkheden door de aanwijzing tot beschermd gemeentelijk monument elders op haar perceel niet wordt beknot, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank het belang dat eiseres daarbij heeft, kenbaar in de afweging betrokken.

Uitgaande van deze door verweerder gemaakte belangenafweging en in aanmerking genomen de terughoudendheid die de rechtbank in acht moet nemen bij het toetsen van de aanwijzing, oordeelt de rechtbank dat verweerder geen volstrekt onredelijke belangenafweging heeft gemaakt.

Verweerders besluit van 28 juni 2011, waarbij de aanwijzing van de Horstman hoeve als beschermd gemeentelijk monument, voor zover het betreft de boerderij en het stenen bakhuisje, is gehandhaafd, dient dan ook in stand te blijven.

Hetgeen overigens is aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.

Het beroep is daarom ongegrond.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W.M. Bunt, rechter, en door hem en R.K. Witteveen als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag