Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BW4284

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
27-04-2012
Datum publicatie
27-04-2012
Zaaknummer
Awb 12/599
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij aangifte niet vermeld dat rijbewijs in Frankrijk vanwege een snelheidsovertreding is ingenomen; verweerder was daarom gehouden rijbewijs ongeldig te verklaren; afwijzing verzoek om voorlopige voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht

Registratienummer: Awb 12/599

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam],

wonende te Giethoorn, verzoeker,

gemachtigde: mr. S.J. Jansen,

en

de burgemeester van Steenwijkerland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 29 maart 2012 heeft verweerder het rijbewijs van verzoeker ongeldig verklaard. Verzoeker heeft daartegen bezwaar gemaakt.

Op 2 april 2012 heeft verzoeker verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat het besluit van 29 maart 2012 wordt geschorst.

Het verzoek is ter zitting van 23 april 2012 behandeld. Verzoeker is vertegenwoordigd bij zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door G.D. Klaren en G. Holtjer.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover hierbij het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel

van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

2.1 Verzoeker stelt zijn rijbewijs nodig te hebben voor zijn werk als arts in het Gelre ziekenhuis te Apeldoorn. Verzoeker heeft regelmatig nachtdiensten en moet dan van en naar het ziekenhuis reizen op tijden waarop openbaar vervoer niet beschikbaar is. Gelet hierop acht de voorzieningenrechter een voldoende spoedeisend belang bij het verzoek aanwezig

dat een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit rechtvaardigt.

2.2 Bij de beoordeling van het verzoek gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 24 juni 2011 is het rijbewijs van verzoeker door de Franse autoriteiten ingenomen, waarbij hem is meegedeeld dat dit naar zijn adres gezonden zou worden. Op 19 juli 2011 heeft verzoeker bij de regiopolitie IJsselland aangifte van vermissing van zijn rijbewijs gedaan om een nieuw rijbewijs te kunnen krijgen. Volgens het proces-verbaal van aangifte heeft verzoeker aangegeven dat zijn rijbewijs vermist is in Nederland sinds 30 juni 2011. Verder is vermeld dat verzoeker het rijbewijs nergens in huis kon vinden en dat hij niet weet wat ermee is gebeurd. Als vermoedelijke reden van vermissing heeft verzoeker opgegeven dat die hem onbekend is.

Op basis van dit proces-verbaal van vermissing heeft verweerder aan verzoeker een nieuw rijbewijs afgegeven.

Per brief van 13 januari 2012 heeft de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW) verweerder er op gewezen dat het oude rijbewijs van verzoeker is ingenomen door de Franse autoriteiten in verband met een aldaar gepleegde overtreding. Tevens constateert de RDW dat het vervangende rijbewijs kennelijk op grond van een onjuiste opgave is verstrekt.

Uit het onderzoek dat verweerder naar aanleiding van de opmerkingen van de RDW heeft ingesteld, is volgens verweerder gebleken dat verzoeker een onjuiste opgave heeft gedaan ter verkrijging van zijn nieuwe rijbewijs. Verweerder heeft daarop per besluit van 29 maart 2012 dit rijbewijs op grond van artikel 124, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna WVW 1994) ongeldig verklaard.

2.3 Ingevolge artikel 116 van de WVW 1994 is verweerder belast met de afgifte van rijbewijzen.

Ingevolge artikel 119, eerste lid, aanhef en onder b, van de WVW 1994 geeft degene die is belast met de afgifte van rijbewijzen overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels een nieuw rijbewijs af voor verloren geraakte of tenietgegane rijbewijzen.

Ingevolge artikel 123, eerste lid, aanhef en onder h, van de WVW 1994, verliest een rijbewijs zijn geldigheid door aangifte van vermissing van het rijbewijs.

Ingevolge artikel 124, eerste lid, aanhef en onder a, van de WVW 1994 wordt een rijbewijs overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels voor een of meer categorieën van motorrijtuigen of voor een deel van de geldigheidsduur ongeldig verklaard indien het rijbewijs is afgegeven op grond van door de houder verschafte onjuiste gegevens en het niet zou zijn afgegeven indien de onjuistheid van die gegevens ten tijde van de aanvraag bekend zou zijn geweest.

3. Verzoeker kan zich niet met het bestreden besluit verenigen en voert daartoe aan dat van het verstrekken van onjuiste gegevens geen sprake is geweest, maar slechts van het beperkt verstrekken van gegevens. Aangifte van vermissing lag in de rede omdat het rijbewijs veel eerder aan verzoeker geretourneerd had moeten worden. Indien verweerder had geweten dat het rijbewijs voordat het vermist raakte ingenomen was door de Franse politie had veweerder een nieuw rijbewijs dienen te verstrekken.Verder is nog niet zeker of verzoeker straf-rechtelijk vervolgd gaat worden, een sepot is een zeer reële optie. De Franse politie heeft verzoekers rijbewijs ten onrechte ingenomen, nu het een geringe snelheidsovertreding betrof.

3.1 Vastgesteld kan worden dat verzoeker bij zijn aangifte niet heeft vermeld dat zijn rijbewijs in Frankrijk vanwege een snelheidsovertreding is ingenomen – verzoeker reed

72 kilometer te hard - voor de duur van drie maanden. Bovendien was ten tijde van verzoekers aangifte van vermissing de termijn van het tijdelijke rijverbod in Frankrijk

nog niet verstreken zodat reeds daarom van vermissing geen sprake kon zijn.

3.2 Hiermee staat vast dat verzoeker gegevens niet heeft verstrekt die indien deze wel verstrekt waren, ertoe geleid zouden hebben dat aan verzoeker gezien het bepaalde in artikel 119 van de WVW 1994 geen nieuw rijbewijs was afgegeven.

Verzoeker kan niet worden gevolgd in zijn grief dat het verwijt dat verzoeker mogelijk

niet volledig is geweest in zijn aangifte uitsluitend in een strafrechtelijke procedure dient

te worden beoordeeld. De bestuursrechtelijke en de strafrechtelijke procedure bestaan naast elkaar. Ook het door verzoeker gestelde dat zijn rijbewijs ten onrechte zou zijn ingenomen is niet relevant. Verzoeker had tegen de inname in Frankrijk kunnen opkomen.

3.Hiermee is naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldaan aan het gestelde in artikel 124, eerste lid, aanhef en onder a, van de WVW 1994. Gelet op de formulering van deze bepaling was verweerder daarom gehouden om het rijbewijs ongeldig te verklaren.

4. Gelet op het vorenstaande valt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet te verwachten dat het bestreden besluit in bezwaar geen stand zal houden. Daarom bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening, zodat het verzoek daartoe wordt afgewezen.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld, voorzieningenrechter, en door hem en mr. A. Landstra als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.