Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BW4016

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
19-04-2012
Datum publicatie
25-04-2012
Zaaknummer
588805 HA 12-1
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huurrecht. Benoeming deskundige ex artikel 7:304 BW. Beantwoording van voorvragen aangewezen, want minst kwade oplossing. Voorvraag of huuraanpassing mogelijk is positief beantwoord en voorvraag of bij allonge is afgezien van een huurprijswijziging negatief beantwoord. Volgt benoeming van een deskundige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
WR 2012/111

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

sector kanton – locatie Zwolle

Zaaknr. : 588805 HA VERZ 12-1

Datum : 19 april 2012

Beschikking in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[VERZOEKENDE PARTIJ] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

verzoekende partij,

tevens (voorwaardelijk) verwerende partij,

verder te noemen [verzoekende partij],

gemachtigde mr. T.G.H. Steenmetser,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[VERWERENDE PARTIJ] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

verwerende partij,

tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij,

verder te noemen [VERWERENDE PARTIJ],

gemachtigde mr. M.F. Mesu-Abbekerk.

1. Procesverloop

De kantonrechter heeft kennisgenomen van het verzoekschrift, binnengekomen ter griffie op 30 december 2011, het verweerschrift tevens houdende een voorwaardelijke tegenverzoek, en de producties.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 maart 2012. Partijen en hun ge-machtigden zijn verschenen, [VERWERENDE PARTIJ] bijgestaan door mr. J.E. van der Werff, en hebben hun standpunten nader toegelicht.

2. Geschil

[verzoekende partij] verzoekt op de voet van artikel 7:304 BW, kort samengevat, de benoe-ming van de heer T. van Vliet tot deskundige ten einde deze deskundige een advies te laten uitbrengen omtrent de huurprijs van het door [VERWERENDE PARTIJ] gehuurde pand aan de [adres] te [gemeente]. Verder verzoekt [verzoekende partij] [VERWERENDE PARTIJ] in de proceskosten te veroordelen.

[VERWERENDE PARTIJ] heeft het verzoek bestreden en onder de voorwaarden a. dat een huurprijsaanpassing thans mogelijk is, b. dat het bezwaar tegen de door [verzoekende partij] voorgestelde deskundige slaagt, en c. dat zonder zelfstandig tegenverzoek niet tot benoeming van de bedrijfshuuradviescommissie als deskundige kan worden besloten, verzocht deze commissie tot deskundige te benoemen, een en ander met veroordeling van [verzoekende partij] in de proceskosten.

3. Vaststaande feiten en omstandigheden

In deze zaak kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1. Tussen (de rechtsvoorganger van) [verzoekende partij] en (de rechtsvoorganger van) [VERWERENDE PARTIJ] is ingaande 1 oktober 1996 een huurovereenkomst gesloten betref-fende (de begane grond van) het pand aan de [adres] te [gemeente]. Dit pand wordt door [VERWERENDE PARTIJ] gebruikt als bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW (een zogeheten Primafoon).

3.2. In een door partijen ondertekende allonge van 23 augustus 2002, waarbij onder meer de huurprijs is herzien per 1 oktober 2001, staat onder meer dat per 1 maart 2002 van het gehuurde in totaal 7 m² wordt afgescheiden en aan de verhuurder ter beschikking wordt gesteld ten be-hoeve van het maken van een tweetal bergingen. Die bergingen zijn bedoeld voor de bewoners van de bovengelegen twee etages.

3.3. Bij notariële akte van 13 november 2003 zijn de begane grond en de twee bovengelegen etages in drie appartementsrechten gesplitst.

3.4. Met ingang van 1 januari 2007 is tussen (de rechtsvoorganger van) [verzoekende partij] en (de rechtsvoorganger van) [VERWERENDE PARTIJ] een nieuwe huurovereenkomst geslo-ten ten aanzien van de [adres]. In het huurcontract staat onder meer dat is verhuurd ‘de bedrijfs-ruimte beide partijen genoegzaam bekend en waarbij de oppervlakte overeenstemt met de op-pervlakte die thans bij huurder in gebruik is’. In het huurcontract is geen bepaling opgenomen ten aanzien van de bergingen. De aanvangshuurprijs is gesteld op € 100.000,00 per jaar. Op de huurovereenkomst zijn de gebruikelijke algemene bepalingen (ROZ-model 2003) van toepas-sing verklaard.

3.5. In de loop van het jaar 2008 heeft de eigenaar van de bovengelegen appartementen, de heer [K], aanspraak gemaakt op de realisering van twee bergingen op de begane grond.

3.6. In verband daarmee zijn tussen partijen onderhandelingen geopend, tijdens welke on-derhandelingen [VERWERENDE PARTIJ] heeft voorgesteld de huurprijs te verlagen naar rato van het aantal in te leveren m² vloeroppervlak. In een e-mail van 27 oktober 2009 is door de heer Vermaat van [VERWERENDE PARTIJ] aan de gemachtigde van [verzoekende partij] bericht: ‘Deze nieuwe huurprijs wordt na gezamenlijke goedkeuring en beoordeling van de uitgevoerde bouwplannen door middel van een allonge aan het bestaande huurcontract toege-voegd en zodoende meegenomen in de jaarlijkse indexeringen en ook na 31 december 2012 van kracht zullen zijn.’

3.7. Na onderhandelingen is tussen partijen overeengekomen dat van het gehuurde in totaal 4,48 m² wordt afgescheiden ten behoeve van de bergingen. De huurprijs is met ingang van 1 mei 2010 dienovereenkomstig verlaagd met een bedrag van € 1.064,94 per jaar.

3.8. Op 2 maart 2011 hebben partijen een allonge ondertekend waarin een en ander is vast-gelegd. De allonge vermeldt onder meer het volgende: ‘Voor zover in deze allonge niet van de bepalingen van de huurovereenkomst is afgeweken, blijven deze onverkort van kracht.’

3.9. Bij brief van 6 oktober 2011 heeft [verzoekende partij] aan [VERWERENDE PARTIJ] meegedeeld dat zij tot nadere huurprijsvaststelling wenst over te gaan.

4. Standpunt van [verzoekende partij]

4. 1. [verzoekende partij] stelt, kort samengevat, dat sedert 1 januari 2007 een periode van vijf jaren is verstreken, dat de overeengekomen huurprijs niet overeenstemt met de gemiddelde huurprijzen van vergelijkbare bedrijfsruimten ter plaatse, en dat om die redenen de huurprijs dient te worden herzien.

4.2. Ondanks pogingen daartoe hebben partijen geen overeenstemming bereikt over de be-noeming van een deskundige ten einde partijen te adviseren over een mogelijke huurprijsherzie-ning. Daarom dient de kantonrechter de door [verzoekende partij] voorgestelde deskundige, de heer Van Vliet, te benoemen.

4.3. De onderhavige procedure leent zich niet voor het beantwoorden van de door [VER-WERENDE PARTIJ] opgeworpen voorvragen, in welk verband [verzoekende partij] een be-roep doet op arresten van onder meer het hof Amsterdam en het hof ’s-Hertogenbosch.

5. Standpunt van [VERWERENDE PARTIJ]

5.1. [VERWERENDE PARTIJ] stelt, kort samengevat, dat een huurprijsaanpassing thans niet mogelijk is, omdat partijen met ingang van 1 mei 2010 een nieuwe huurprijs hebben afge-sproken en sedertdien nog geen vijf jaren zijn verstreken. De aanpassing van de huurprijs per 1 mei 2010 is geen aanpassing van verwaarloosbare betekenis.

5.2. Partijen zijn overeengekomen dat de nieuwe huurprijs, ook na ommekomst van de eer-ste periode van vijf jaren, derhalve ook na 31 december 2012, van kracht zou blijven. In de al-longe staat immers niet, dat de huurprijs na 31 december 2012 nader kan worden vastgesteld.

5.3. Verwijzend naar literatuur en jurisprudentie, onder meer een arrest van het hof 's-Gravenhage, stelt [VERWERENDE PARTIJ] dat het beantwoorden van voorvragen in de on-derhavige procedure mogelijk en wenselijk is.

5.4. Op grond van artikel 9.2 van de algemene bepalingen dient een huurprijsaanpassing ten minste zes maanden voor de datum waarop de herziene huurprijs moet ingaan, te worden aan-gekondigd. Een huurprijsaanpassing kan, gegeven de brief van [verzoekende partij] van 6 okto-ber 2011, daarom op zijn vroegst op 7 april 2012 ingaan.

5.5. De door [verzoekende partij] voorgestelde deskundige is niet onafhankelijk en objec-tief. Daarom dient de bedrijfshuuradviescommissie te Zwolle tot deskundige te worden be-noemd.

6. Beoordeling

6.1. Het verweer van [VERWERENDE PARTIJ] betreft in de eerste plaats een zogeheten voorvraag, te weten de vraag of huurprijsaanpassing thans wel mogelijk is. Andere voorvragen zijn denkbaar: is er wel een huurovereenkomst, betreft de huurovereenkomst bedrijfsruimte ex artikel 7:290 BW? [verzoekende partij] verzet zich tegen de behandeling van eerstgenoemde voorvraag. De kantonrechter zal daarom eerst beoordelen of de voorvraag besproken en beant-woord dient te worden.

6.2. De vraag of de beantwoording van een voorvraag in een procedure op de voet van arti-kel 7:304 lid 2 BW mogelijk en wenselijk is, is een keuze tussen twee kwaden, aldus mr. M.F.A. Evers in haar noot bij hof Amsterdam, 19 mei 2005, WR 2006, 15, in welk arrest het hof de voorvraag beantwoordde of sprake was van artikel 290-bedrijfsruimte in een procedure op grond van artikel 7:304 lid 2 BW. Zo ook: hof ’s-Gravenhage 27 oktober 2009, LJN BL2400 inzake eveneens de beantwoording van de voorvraag of sprake was van 290-bedrijfsruimte.

Anders: hof Amsterdam 17 november 2005, WR 2006, 16 inzake de voorvraag of partijen een vaste huurprijs hadden afgesproken: die vraag behoort volgens dit hof in de (eventuele) ver-volgprocedure ex artikel 7:303 BW thuis. In gelijke zin: hof ’s-Hertogenbosch 9 januari 2009, WR 2009, 47, tenzij, aldus dit hof, voor de beantwoording van een voorvraag een ‘rechtens relevante noodzaak bestaat of als partijen dat gezamenlijk verlangen’. Hof Amsterdam 12 juni 2008, WR 2008, 122 acht beantwoording van een voorvraag in een 7:304 lid 2-procedure in strijd met de ‘beperkte discretionaire bevoegdheid’ tenzij ‘zonder noemenswaardig nader on-derzoek buiten iedere twijfel zou zijn dat het verzoek…niet toewijsbaar zal zijn’.

6.3. De wetgever heeft door middel van de verplichte voorfase van het deskundigenonder-zoek (het ontbreken van een deskundigenadvies leidt tot niet-ontvankelijkheid, zie artikel 7:304 lid 1 BW), procedures omtrent huurprijsaanpassingen willen voorkomen. De daaraan ten grond-slag liggende gedachte is, dat partijen, gegeven de uitkomsten van het onderzoek, tot een minne-lijke regeling zullen besluiten. Voorstelbaar is dat het antwoord op een voorvraag, gegeven het advies omtrent de huurprijs, niet of nauwelijks meer relevant is. Dat zal met name het geval zijn indien het opvolgen van het advies niet tot een (wezenlijke) wijzing van de bestaande rechtsver-houding, in het bijzonder de huurprijs, leidt en beide partijen zich goed in de voortzetting van hun contractuele relatie, al dan niet als huurovereenkomst ex artikel 7:290 BW te duiden, kun-nen vinden. Of de situatie dat de huurprijs niet of nauwelijks wijziging behoeft zich zal voor-doen, valt in het algemeen moeilijk van te voren te voorspellen. Niet voor niets wordt immers om de inschakeling van een deskundige op het gebied van (winkel)huurprijzen gevraagd.

6.4. Indien partijen een fundamenteel verschil van inzicht hebben omtrent bijvoorbeeld de vraag of wel sprake is van de toepasselijkheid van het regime van artikel 7:290 en volgende BW, dan is aannemelijk dat een advies van een deskundige dat leidt tot een relevante wijziging van de huurprijs weinig of niets aan de finale oplossing van het geschil tussen partijen zal bij-dragen. In dat geval zal een procedure onvermijdelijk zijn. Het doel dat de wetgever voor ogen had met de regeling van artikel 7:304 BW wordt in zo’n geval niet bereikt.

6.5. Het beantwoorden van een voorvraag in een procedure als de onderhavige kan ertoe leiden dat, gegeven de mogelijkheid van appèl en cassatie, een behoorlijke tijd kan verstrijken alvorens vaststaat of al dan niet een deskundige dient te worden benoemd. Dit kan als nadeel hebben dat de voor het onderzoek door de deskundige relevante gegevens niet of niet meer ge-makkelijk beschikbaar zijn, bijvoorbeeld omdat huurcontracten van andere, vergelijkbare pan-den inmiddels verloren zijn gegaan of niet meer eenvoudig beschikbaar kunnen worden gesteld. Toch is de kans op dit nadeel niet groot, omdat deze en andere, vergelijkbare bescheiden gedu-rende langere tijd dienen te worden bewaard. Zo bedraagt de fiscale bewaartermijn (ten minste) zeven jaren. Daarbij komt dat de kans op het verloren gaan van vergelijkingsgegevens niet be-staat indien de beantwoording van een voorvraag leidt tot de benoeming van een deskundige én de beslissing uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Ondanks appèl kan de deskundige dan aan de slag.

6.6. Het achterwege laten van de beantwoording van een voorvraag kan als nadeel hebben dat een deskundige een (veelal) tijdrovend en kostbaar onderzoek heeft ingesteld waarvan de resultaten vervolgens in de prullenbak belanden. Dat zal het geval zijn indien in de vervolgpro-cedure bijvoorbeeld wordt vastgesteld dat nog geen vijf jaren zijn verstreken sedert de laatste huurprijsvaststelling.

6.7. In zijn conclusie bij HR 12 mei 2006, WR 2006, 75 schrijft de A.-G. Huydecoper dat de huurrechtpraktijk er juist behoefte aan kan hebben dat een voorvraag wordt beantwoord zónder dat een advies omtrent de huurprijs wordt verkregen, indien het geschil vooral de voorvraag betreft. Het verplichte voorstation van het advies draagt dan niet bij aan het bereiken van de bestemming, te weten het oplossen van de voorvraag.

Uit genoemd arrest van de Hoge Raad van 12 mei 2006 kan worden afgeleid dat de beantwoor-ding van een voorvraag in het kader van een procedure ex artikel 7:203 BW mogelijk is.

6.8. Een partij die verzoekt om de benoeming van een deskundige dient daarbij belang te hebben (artikel 3:303 BW) en het belang ontbreekt indien het bijvoorbeeld geen bedrijfsruimte als bedoeld in artikel 7:290 BW betreft.

6.9. In geschillen ex artikel 7:230a BW (ontruimingsbescherming) staat op grond van de jurisprudentie vast dat voorvragen kunnen worden afgedaan, aldus mr. H.E.M. Vrolijk, Kluwer, Huurrecht, aantekening 24 op artikel 7:304 BW. Daarbij moet wel worden opgemerkt dat dit eerder voor de hand ligt omdat het in die geschillen gaat om de vraag of de huurder het gehuur-de dient te ontruimen.

6.10. De aard van de onderhavige (verzoekschrift)procedure verzet zich niet tegen een uitput-tende behandeling van een voorvraag, mits partijen voldoende in de gelegenheid worden gesteld hun standpunten naar voren te brengen, en hoor en wederhoor is toegepast. Behalve een schrif-telijke ronde heeft in deze zaak een mondelinge behandeling plaatsgevonden, zodat aan beide voorwaarden is voldaan. Eventueel nader onderzoek naar de feiten gevolgd door bewijslevering is mogelijk en wel op grond van artikel 284 Rv, dat de bepalingen inzake het bewijs van toepas-sing verklaart, ‘tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet’. Daarvan is geen sprake.

6.11. Alles afwegend is de kantonrechter van oordeel dat uitgangspunt dient te zijn dat voor-vragen in de procedure op de voet van artikel 7:203 lid 2 BW beantwoord kunnen worden. Het is, in termen van mr. Evers, de minst kwade oplossing.

6.12. De voorvraag of vanaf 1 mei 2010 een nieuwe vijfjaarstermijn is ingegaan, beantwoordt de kantonrechter ontkennend. Daaraan liggen de volgende overwegingen ten grondslag.

Het afscheiden van een aantal m² op de begane grond teneinde bergingen te kunnen realiseren ten behoeve van de bovengelegen appartementen is reeds overeengekomen blijkens de allonge van 23 augustus 2002. Vaststaat dat aan de realisering ervan gedurende langere tijd geen uitvoe-ring is gegeven, niet omdat partijen dat niet langer wensten, maar omdat [K], de ‘begunstigde’, daarop pas in de loop van 2008 aanspraak heeft gemaakt. Dit kan verklaren waarom in het huur-contract dat op 1 januari 2007 is ingegaan geen bepaling hieromtrent (meer) is opgenomen, maar gesteld noch gebleken is dat tussen partijen de afspraak van 23 augustus 2002 stilzwijgend of uitdrukkelijk is vervallen. Het afstaan van een aantal m² ten behoeve van de berging vloeide dus uit de eerder gemaakte afspraak voort.

Voorts: het gaat om slechts 4,88 m² op een totaal van circa 186 m² die vanaf 1996 aan (de rechtsvoorganger) van [VERWERENDE PARTIJ] is verhuurd, en om een dienovereenkomstige huurprijsverlaging van € 1.064,94 op een huurprijs van € 104.814,40. Dus nog geen 1% van die huurprijs.

Het betreft een huurprijsaanpassing van ‘verwaarloosbare betekenis’ als bedoeld in HR 1 fe-bruari 2008, WR 2008, 39. Dit betekent dat, gerekend vanaf 1 januari 2007, de termijn van vijf jaren is verstreken, zodat een aanpassing van de huurprijs in beginsel mogelijk is.

6.13. De tweede voorvraag betreft het verweer van [VERWERENDE PARTIJ] dat partijen zijn overeengekomen dat de gewijzigde huurprijs ook na 31 december 2012 zou gelden. [VERWERENDE PARTIJ] beroept zich in dit verband met name op de e-mail van de heer Vermaat van [VERWERENDE PARTIJ] van 27 oktober 2009, geciteerd bij rechtsoverweging 3.6.

De kantonrechter passeert dit verweer. In de eerste plaats is de zinsnede uit de e-mail zonder nadere uitleg niet goed te begrijpen. Indien is bedoeld dat de nieuwe huurprijs ook na 31 de-cember 2012 van kracht zal zijn dan klopt de zinsnede taalkundig niet, omdat er staat ‘van kracht zullen zijn’. Meervoud dus, maar als huurprijs het onderwerp is dan dient het enkelvoud te zijn. Daardoor is onduidelijk wat nu precies na 31 december 2012 van kracht zal zijn.

In de tweede plaats stelt [VERWERENDE PARTIJ] zelf (verweerschrift sub 1.7) dat het voor-stel van [VERWERENDE PARTIJ] (bedoeld is de e-mail van 27 oktober 2009) niet door [ver-zoekende partij] is aanvaard, waarna partijen in onderhandeling zijn getreden, welke onderhan-delingen uiteindelijk tot overeenstemming hebben geleid. Volgens de toelichting van de heer Vermaat ter zitting is zowel mondeling als schriftelijk (via e-mail) met [verzoekende partij] onderhandeld, maar [VERWERENDE PARTIJ] heeft nagelaten stukken over te leggen waaruit blijkt dat [VERWERENDE PARTIJ] haar voorstel dat de te wijzigen huurprijs ook na 31 de-cember 2012 zou blijven gelden, heeft gehandhaafd, laat staan dat er stukken zijn overgelegd waaruit volgt dat partijen dit zijn overeengekomen.

In de derde plaats vermeldt de allonge van 2 maart 2011 niets omtrent de handhaving van de nader overeengekomen huurprijs na 31 december 2012. Integendeel, de allonge vermeldt: ‘Voor zover in deze allonge niet van de bepalingen van de huurovereenkomst is afgeweken, blijven deze onverkort van kracht’. Die bepalingen behelzen onder meer het recht op huurprijsherzie-ning (artikel 4.5 van het huurcontract). Hoewel de heer Vermaat geen jurist is, is hij blijkens zijn verklaring ter zitting verantwoordelijk voor de vastgoedportefeuille van [VERWERENDE PARTIJ], zodat hij op het gebied van huurcontracten niet als een leek kan worden beschouwd. Aannemelijk is dat een zo belangrijke afspraak als het afzien van een huurprijswijziging na 31 december 2012 door hem in de allonge zou zijn opgenomen.

Nu [VERWERENDE PARTIJ] haar stellingen niet met (andere) stukken heeft onderbouwd en zij geen bewijs van haar stellingen heeft aangeboden, zal de kantonrechter [VERWERENDE PARTIJ] niet tot bewijslevering toelaten en evenmin ambtshalve bewijs door middel van getui-gen verlangen.

6.14. Gegeven de verwerping van het verweer van [VERWERENDE PARTIJ] terwijl overi-gens aan de voorwaarden om een deskundige te benoemen is voldaan, zal de kantonrechter tot de benoeming van een deskundige overgaan.

Nu [VERWERENDE PARTIJ] gemotiveerd bezwaar heeft tegen de benoeming van de door [verzoekende partij] voorgestelde deskundige Van Vliet, en [verzoekende partij] vervolgens heeft gesteld geen overwegende bezwaren te hebben tegen de benoeming van de bedrijfshuur-adviescommissie, zal de kantonrechter deze commissie benoemen.

6.15. Gegeven artikel 9.2 van de algemene bepalingen dient het voornemen tot een (wettelij-ke) huurprijswijziging op een termijn van zes maanden te worden aangekondigd, om welke reden [VERWERENDE PARTIJ] stelt dat de eventuele wijziging voor het eerst per 1 mei 2012 (in verband met de datum van de huurbetaling), althans per 7 april 2012 (precies zes maanden na de eerste brief van [verzoekende partij] inzake de aanpassing) kan ingaan. [verzoekende par-tij] heeft zich er niet tegen verzet dat de deskundige (ook) wordt verzocht te adviseren omtrent de huurprijs per 7 april 2012, zodat de kantonrechter de deskundige zal verzoeken te adviseren omtrent de nadere huurprijs per 30 december 2011, en per 7 april 2012. De in het verzoekschrift genoemde datum 1 januari 2012 is blijkens de pleitnota van [verzoekende partij] gewijzigd in 29 december 2011, een dag na de dagtekening van het verzoekschrift. Het verzoekschrift is echter op 30 december 2011 ter griffie ontvangen en dat is (dus) de dag van het verzoek als bedoeld in artikel 7:304 lid 2 BW. De datum 1 mei 2012 kan buiten beschouwing worden gelaten.

6.16. Aan de bespreking van het voorwaardelijke tegenverzoek van [VERWERENDE PAR-TIJ] komt de kantonrechter niet toe, omdat niet aan alle voorwaarden waaronder dat verzoek is gedaan, is voldaan.

6.17. De kantonrechter is van oordeel dat de kosten van het deskundigenonderzoek door [verzoekende partij] dienen te worden voorgeschoten. De te benoemen deskundige dient het voorschot aan [verzoekende partij] op te geven. Zo nodig zal te zijner tijd worden beslist --in een procedure op grond van artikel 7:303 BW-- welke partij de kosten uiteindelijk dient te dra-gen.

De beschikking zal conform het verzoek uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

6.18. Als overwegend in het ongelijk gestelde partij dient [VERWERENDE PARTIJ] in de proceskosten van deze procedure te worden veroordeeld.

Beslissing

De kantonrechter:

1.

benoemt tot deskundige de Bedrijfshuuradviescommissie van de Kamer van Koophandel Oost Nederland (postadres: 7500 GM Enschede, Postbus 5500,) teneinde onderzoek te doen en partijen van advies te dienen over de huurprijs per 30 december 2011 en per 7 april 2012 van de winkelruimte aan het [adres] te [gemeente], overeenkomstig de bepalingen in art. 7:303 BW;

2.

bepaalt dat [verzoekende partij] de kosten van de deskundige bij wijze van voorschot dient te voldoen;

3.

bepaalt dat plaats en tijd van het onderzoek wordt vastge¬steld door de deskun¬dige in overleg met (de gemachtigden van) partijen;

4.

bepaalt dat de des¬kundige par¬tijen in de gele¬genheid dient te stellen opmerkingen te maken en verzoe¬ken te doen en in zijn rapport dient vast te leggen of aan dit voorschrift is voldaan;

5.

veroordeelt [VERWERENDE PARTIJ] in de proceskosten, tot op heden aan de kant van [verzoekende partij] begroot op € 400,00 voor salaris gemachtigde;

6.

verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

7.

wijst het meer of anders verzochte af.

Gegeven door mr. C.H. de Haan, kantonrechter, en in het bijzijn van de griffier uitgesproken in de openbare terechtzitting van 19 april 2012.