Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BW3945

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
25-04-2012
Datum publicatie
25-04-2012
Zaaknummer
Awb 11/2324
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2013:887, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Invaarbeperking voor schepen langer dan 39 meter in Friese Sluis, Voorstersluis en Ketelsluis; onjuiste wettelijke grondslag; echter voldoende oog gehad voor nadelige consequenties;vernietiging besluit met instandlating rechtsgevolgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht

Registratienummer: Awb 11/2324

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eisers],

eisers,

gemachtigde: mr. M.J. van Dam, advocaat te Capelle aan de IJssel

en

Gedeputeerde Staten van Flevoland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 29 september 2009 heeft verweerder besloten vanaf 1 november 2009

de invaarbeperking in de Friese Sluis, Voorstersluis en Ketelsluis voor schepen langer

dan 39 meter te effectueren en dit als nadere regel vast te leggen in het kader van artikel 9.9. van de Verordening Fysieke Leefomgeving Flevoland (hierna: de Verordening).

Het daartegen gemaakte bezwaar is bij het besluit van 29 september 2011 ongegrond verklaard. Eisers hebben tegen dit besluit beroep ingesteld.

Het beroep is ter zitting van 15 maart 2012 behandeld. Eisers hebben zich doen vertegenwoordigen door mr. M.J. van Dam. Verder zijn […] en […] verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Vreugdenhil, drs. ir. A.W. Valkhof, drs. K.E. van der Wielen en mr. G. Verberne.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1. In 2001 is in opdracht van de Provincie Flevoland een risicoanalyse uitgevoerd met betrekking tot de gevolgen van scheepsaanvaringen in schutsluizen in Flevoland. Verder is op 16 oktober 2002 een onderzoeksrapport van Arcadis gepresenteerd, betreffende een toets bijzondere locatie Lemmer.

In haar vergadering van 31 oktober 2006 heeft verweerder, mede naar aanleiding van de resultaten van genoemde risicoanalyse, besloten de Voorstersluis af te sluiten voor schepen tussen de 39,5 en 49,5 meter met een overgangstermijn van 1 jaar voor bestaande vergunninghouders/gebruikers.

Tevens heeft verweerder op deze datum besloten de afsluiting van de Friese Sluis te laten afhangen van de mogelijkheid tot verlening van (rijks-)subsidie voor een aanvaarbeveiliging.

In haar vergadering van 29 september 2009 heeft verweerder besloten het in 2006 genomen besluit te effectueren in die zin, dat schepen met een lengte groter dan 39 meter vanaf

1 november 2009 de Friese Sluis, de Voorstersluis en de Ketelsluis niet meer mogen invaren.

Ter uitvoering van dit besluit heeft verweerder het bedienend personeel op de betreffende sluizen geïnformeerd, is een persbericht uitgebracht en is het besluit gepubliceerd in het blad Schuttevaer en in een regionaal blad voor de Noordoostpolder/Urk. Tenslotte zijn de betreffende beroepsvaartschippers en hun klanten (bedrijven in Emmeloord) schriftelijk

van het genomen besluit op de hoogte gesteld.

Het door eisers tegen dit besluit gemaakte bezwaar is aanvankelijk door verweerder niet ontvankelijk verklaard bij besluit van 31 mei 2010.

Bij uitspraak van 17 februari 2011 heeft de rechtbank laatstgenoemd besluit vernietigd,

met de bepaling dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar diende te nemen, met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Vervolgens heeft verweerder bij het thans bestreden besluit het bezwaar van eisers,

voor zover het niet ziet op de ontvankelijkheid, ongegrond verklaard. Eisers zijn hiertegen gemotiveerd opgekomen.

Beoordeling

2.1. Ter zitting is van de zijde van verweerder aangegeven, dat het in het thans voorliggende besluit onder punt 4 aangegeven standpunt, dat het besluit van 29 september 2009 op zichzelf geen verkeersbesluit is en dat het dan ook niet hoeft te voldoen aan de wettelijke formele vereisten ter zake, niet langer wordt gehandhaafd vanwege voortschrijdend inzicht.

2.2. Verder is ter zitting aangegeven, dat anders dan in het voorliggende besluit van

29 september 2011 is opgenomen, volgens verweerder niet de Verordening maar de verplichtingen op basis van de Wet op de Waterkering, zoals die thans is opgenomen in

de Waterwet, de basis vormen voor de bestreden invaarbeperking, terwijl het doel van de invaarbeperking is gelegen in artikel 3, eerste lid, onder c, van de Scheepvaartverkeerswet (Svw).

2.3. De rechtbank ziet hierin aanleiding het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen wegens strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3. De rechtbank ziet zich thans gesteld voor de vraag of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit met toepassing van het bepaalde in artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand kunnen worden gelaten. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend, gelet op het volgende.

3.1. In de onherroepelijk geworden uitspraak van de rechtbank van 17 februari 2011 heeft

de rechtbank geoordeeld dat het besluit van verweerder van 29 september 2009 is aan te merken als een verkeersbesluit, te weten een bekendmaking met dezelfde strekking als een verkeersteken, als bedoeld in artikel 1, sub b, van het Besluit administratieve bepalingen scheepvaartverkeer (Babs). Verweerder is ingevolge het bepaalde in artikel 2, eerste lid, onder a, 2° van de Scheepvaartverkeerswet het bevoegd gezag. Voorts is niet weersproken dat het aanbrengen van een verkeersteken in een situatie als hier voorliggende niet doelmatig is. Verweerder was dus, gelet op het bepaalde in de artikelen 5 juncto 8 van de Svw, in samenhang met artikel 13, eerste lid, van het Babs bevoegd de bestreden invaarbeperking

in te stellen.

3.2.1. De rechtbank is van oordeel dat is voldaan aan het vereiste van artikel 5 van het Babs, dat de motivering van een verkeersbesluit vermeldt welke doelstelling of doelstellingen met het besluit worden beoogd, waarbij wordt aangegeven welke van de in artikel 3 van de Svw genoemde belangen aan het besluit ten grondslag liggen. Immers, artikel 3 van de Svw noemt nadrukkelijk als belangen het verzekeren van de veiligheid van het scheepvaart-verkeer, het in stand houden van scheepvaartwegen en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan, het voorkomen of beperken van schade door het scheepvaartverkeer aan de water-huishouding, oevers en waterkeringen of werken gelegen in of over scheepvaartwegen

en het voorkomen of beperken van externe veiligheidsrisico’s in verband met schepen.

In eerdergenoemde uitspraak is in dit kader overwogen dat is gebleken dat het besluit van

29 september 2009 is ingegeven door het veiligheidsrisico, dat is gemoeid met het vanaf open water laten invaren van de Friese Sluis, de Voorstersluis en de Ketelsluis door schepen die langer zijn dan 39 meter. Het risico op aanvaring van de sluisdeuren (en daarmee overstroming) wordt daardoor geminimaliseerd.

3.2.2. Verder leidt de rechtbank uit de beschikbare gegevens af, dat verweerder bij de voorbereiding van het besluit overleg heeft gevoerd met de bij dat besluit belanghebbende lichamen en instellingen, waaronder de De Koninklijke Schippersvereniging Schuttevaer. Ook aan de voorwaarde van artikel 6 van het Babs is derhalve voldaan.

3.3. De grond dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid, nu geen apart onderzoek en/of definitieve toets per schutsluis is ingesteld naar onder meer de constructieve aspecten in relatie tot het aanvaarrisico, de betrouwbaarheid van de bediening en de inundatierisico’s, kan er naar het oordeel van de rechtbank niet toe leiden dat de rechtsgevolgen niet in stand worden gelaten. De rechtbank is niet gebleken dat verweerder zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat ten aanzien van de individuele sluizen niet wordt voldaan aan de veiligheidsnormen.

Dat ten aanzien van het treffen van voorzieningen om aanvaringen te voorkomen in het rapport “Risicoanalyse schutsluizen in de provincie Flevoland”, opgesteld door Infram in december 2001, de suggestie wordt gedaan per sluis de beste optie te bezien, laat voorts onverlet dat verweerder heeft kunnen afzien van een specifiek onderzoek naar aan te brengen voorzieningen per schutsluis, zoals dat kennelijk door eisers wordt voorgestaan. Daarbij overweegt de rechtbank dat globale kostenramingen op basis van genoemd rapport wel degelijk konden worden gemaakt. Verder is door verweerder aangegeven dat voor de Friese Sluis of Voorstersluis alleen ophaalbare voorzieningen mogelijk zijn, die zullen moeten ontworpen voor € 350.000, =. Elders is overwogen dat geremde kabels bij de sluizen in de Noordoostpolder niet kunnen worden gebruikt vanwege de ruimte die nodig is om de kabel af te remmen en de omstandigheid dat de voorziening in de Noordoostpolder dicht achter de deur zou moeten worden bevestigd. Dat er goedkopere oplossingen zijn, die ten onrechte niet nader zijn onderzocht, is de rechtbank overigens niet gebleken. Zo leidt de rechtbank uit de gedingstukken onder meer af, dat na overleg met De Koninklijke Schippersvereniging Schuttevaer aanvullend is onderzocht of het mogelijk zou zijn om de Friese Sluis en de Voorstersluis alleen leeg uit te varen, maar dat ook een dergelijke maatregel schutten met geopende brug niet binnen de veiligheidsmarges brengt. Vast staat voorts dat door eisers geen onderbouwde gegevens zijn verstrekt, waaruit blijkt dat er inderdaad goedkopere opties als door eisers bedoeld mogelijk zijn. Dit ondanks het feit dat er kennelijk uitgebreid tussen partijen is en wordt overlegd over oplossingen.

3.4.1. De rechtbank is voorts van oordeel dat de afweging van de betrokken belangen

niet maakt dat in redelijkheid niet kon worden gekomen tot de bestreden invaarbeperking. Verweerder heeft oog gehad voor de nadelige consequenties van het verkeersbesluit voor beroepsvissers en heeft nadrukkelijk meegewogen dat er sprake zal zijn van kostenstijgingen door omvaren, dat slecht weer een belemmering kan vormen om het IJsselmeer op te gaan

en dat de verletdagen kunnen stijgen. Verweerder heeft echter ook mogen meewegen dat

de economische belangen relatief gering zijn, afgezet tegen de te verwachten investeringen.

3.4.2. Dat een analyse het aanbrengen van een opvangconstructie aanbeveelt als zijnde maatschappelijk en economisch wenselijk en dat het risico van overstroming en hoe dit

in nabije omgeving van de schutsluizen kan worden ingedamd onvoldoende is onderzocht, maakt dit, wat hier overigens van zij, niet anders. De rechtbank tekent daarbij aan, dat al

in het eerdergenoemde rapport van december 2001 is geconcludeerd, dat voor de Noordoostpolder denkbaar is om slechts één van de drie sluizen die in aanmerking komen

te voorzien van een opvangconstructie en het schutten van de langere schepen alleen via deze schutsluis af te handelen.

3.4.3. Wat betreft de beroepsgrond dat niet wordt voorzien in nadeelcompensatie merkt de rechtbank op dat eisers kunnen verzoeken om schadevergoeding. Verweerder was naar het oordeel van de rechtbank niet gehouden om voorafgaand aan het instellen van de invaar-beperking een meer gericht onderzoek te doen naar de nadelige gevolgen daarvan voor de betrokken ondernemers.

4. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten, waarbij met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht het gewicht van de zaak is bepaald op 1 (gemiddeld) en voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (het indienen van een beroepschrift en het verschijnen ter zitting) 2 punten worden toegekend.

Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt het bestreden besluit;

-bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;

-veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding ten bedrage van € 874,=;

- bepaalt dat verweerder het griffiegeld ten bedrage van € 320,= vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld, rechter, en door hem en mr. D. Hardonk-Prins als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. U kunt ook digitaal hoger beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Kijk op www.raadvanstate.nl voor meer informatie over het indienen van digitaal beroep.

-