Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BW3799

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
24-04-2012
Datum publicatie
24-04-2012
Zaaknummer
Awb 11/2570
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen volledige honorering subsidieverzoek 2011 voor De Kunstlinie te Almere; aangevoerde argumenten niet steekhoudend; beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht

Registratienummer: Awb 11/2570

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

De Kunstlinie,

gevestigd te Almere, eiseres,

gemachtigde: mr. J. van de Riet,

en

het college van burgemeester en wethouders van Almere, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 3 maart 2011 heeft verweerder aan eiseres een subsidie van € 2.306.800,- verleend.

Het daartegen gemaakte bezwaar is bij het besluit van 2 november 2011 ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Het beroep is ter zitting van 15 maart 2012 behandeld. Voor eiseres zijn verschenen de gemachtigde, voornoemd, bijgestaan door mr. D. Dits, F. Heijke (directeur), D.E. van Doorn (penningmeester) en A. Sieren (hoofd financiën). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door H.C. Bouwman, J.W.F. Riemersma, M. Fikse, J.B. Middelkoop

en D. Bankert.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

De Kunstlinie is een gecertificeerd opleidingsinstituut met 107 medewerkers, dat een structurele subsidierelatie heeft met verweerder.

Op 30 september 2010 heeft eiseres een subsidieverzoek ingediend voor alle activiteiten

van de Kunstlinie in 2011. Er is een subsidie van € 2.973.836,- gevraagd.

Op 2 december 2010 heeft de raad van de gemeente Almere de Najaarsnota 2011-2015 vastgesteld.

Bij brief van 21 december 2010 is van de zijde van verweerder meegedeeld, dat op

de aanvraag van eiseres geen besluit kan worden genomen binnen de gestelde termijn.

Verder is aangegeven dat de aan het subsidieverzoek gehechte begroting een tekort van

€ 630.995,- toont. Verwezen is naar overleg over de discrepantie tussen de plannen van eiseres en de beschikbare subsidiebudgetten. Eiseres is in de gelegenheid gesteld de plannen en begroting vóór 16 januari 2011 aan te passen, waarbij een dringend beroep op eiseres is gedaan in de bijgestelde plannen vooral te kijken naar onderdelen van activiteiten en bedrijfsvoering waar vanaf 2012 toch al tot herziening moet worden gekomen.

Vervolgens is op 28 februari 2011 een herziene begroting ontvangen. Uit de begroting heeft verweerder afgeleid dat een bedrag van € 2.604.841,- aan subsidie is gevraagd.

Bij besluit van 3 maart 2011 is subsidie verleend voor een bedrag van € 2.306.800,-, onder verwijzing naar het bedrag dat de gemeenteraad in de gemeentelijke begroting voor 2011 voor de Kunstlinie heeft opgenomen. Daarbij is aangegeven dat dit bedrag is bedoeld voor de activiteiten van eiseres, zoals opgenomen in haar plan 2011, inclusief de onderhoudskosten van € 199.800,- en exclusief de huursubsidie Marktwerf van € 19.874,-, waarvoor een aparte huursubsidiebeschikking zal volgen. Verder is eiseres geïnformeerd dat het gemeentebestuur heeft besloten om geen loon- en prijscompensatie over 2011 te verlenen.

Het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar is bij het thans voorliggende besluit van

2 november 2011 ongegrond verklaard.

2. Toepasselijke wet- en regelgeving

Artikel 4:23 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) luidt, voor zover van belang, als volgt:

1. Een bestuursorgaan verstrekt slechts subsidie op grond van een wettelijk voorschrift dat regelt voor welke activiteiten subsidie kan worden verstrekt.

3. Het eerste lid is niet van toepassing:

c. indien de begroting de subsidieontvanger en het bedrag waarop de subsidie ten

hoogste kan worden vastgesteld, vermeldt (…).

Ingevolge artikel 4:51, eerste lid, van de Awb geschiedt, indien aan een subsidieontvanger voor drie of meer achtereenvolgende jaren subsidie is verstrekt voor dezelfde of in hoofdzaak dezelfde voortdurende activiteiten, geheel of gedeeltelijke weigering van de subsidie voor een daarop aansluitend tijdvak op de grond, dat veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten zich tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van de subsidie verzetten, slechts met inachtneming van een redelijke termijn.

Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat, voor zover aan het einde van het tijdvak waarvoor subsidie is verleend sedert de bekendmaking van het voornemen tot weigering voor een daarop aansluitend tijdvak nog geen redelijke termijn is verstreken, de subsidie voor het resterende deel van die termijn wordt verleend, zo nodig in afwijking van artikel 4:25, tweede lid, van de Awb.

In artikel 3 van de Algemene subsidieverordening gemeente Almere 2008 (hierna: de Verordening) is bepaald:

Het college kan subsidie verstrekken voor activiteiten die passen in het gemeentelijk beleid op het terrein van:

b. kunst en cultuur.

In artikel 5 van de Verordening is bepaald dat subsidie slechts kan worden verstrekt:

a. voor activiteiten die passen in het gemeentelijk beleid op het terrein van de in artikel 3 bedoelde onderwerpen; of

b. indien de door de gemeenteraad vastgestelde begroting de subsidieontvanger en het bedrag waarop de subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld vermeldt; of

c. in incidentele gevallen, als bedoeld in artikel 4:23, lid 3, sub d, van de wet, mits de subsidie voor ten hoogste vier jaren wordt verstrekt.

In artikel 3 van de Nadere regels subsidies Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling, Algemeen 2008 (hierna: Nadere regels) is bepaald dat, indien er geen subsidieplafond is,

de gemeente vanuit de beleidsvrijheid die zij heeft, binnen de begrotingsbudgetten blijft bij de verlening van subsidies.

In artikel 5 van de Nadere regels is, voor zover hier van belang, aangegeven dat of en in hoeverre subsidie wordt verleend, onder andere afhankelijk is c.q. kan worden gesteld van

de volgende aspecten, in willekeurige volgorde:

. aanwezigheid gemeentelijke financiële middelen

. draagkracht aanvrager.

Artikel 8 van de Nadere regels bepaalt dat subsidie die betrekking heeft op loon- en prijscompensatie op basis van historische gegevens zowel hoger als lager kan worden vastgesteld dan bij de subsidieverlening als maximum is aangegeven. Deze vaststelling kan op een later tijdstip plaatsvinden dan de vaststelling van de hoofdsubsidie.

3. Beoordeling

3.1. Voorop moet worden gesteld dat een bestuursorgaan bij de beslissing op een subsidieaanvraag een grote mate van vrijheid toekomt, zodat de rechtbank het bestreden besluit slechts terughoudend kan toetsen.

3.2. De rechtbank acht de argumenten die eiseres in stelling heeft gebracht, met als strekking dat de gemeente gehouden is voor 2011 een hogere subsidie te verlenen dan € 2.306.800,-, niet steekhoudend, gelet op het volgende.

3.2.1. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank, gelet op het bepaalde in artikel 5 van de Verordening, in relatie tot de artikelen 3 en 5 van de Nadere regels, in zijn besluitvorming mogen verwijzen naar de vaststelling van de begroting door de gemeenteraad, die als een gegeven mocht worden beschouwd. Onweersproken is dat de gemeenteraad op 2 december 2010 de Najaarsnota 2011-2015 (hierna: de Najaarsnota) heeft vastgesteld.

Aan de Najaarsnota en het aannemen daarvan in de raadsvergadering van 2 december 2010 is aandacht besteed in onder meer het huis-aan-huisblad Almere Vandaag.

In de Najaarsnota is onder “4.4. cultuur” opgenomen, dat de cultuurnota 2009-2012 “Stad met verbeelding” van de gemeente Almere (uitgave december 2008) (hierna: de Cultuurnota) wordt uitgevoerd en leidend is. Verder is nadrukkelijk opgemerkt dat, gelet op de subsidieverplichtingen, (pas) in 2012 ingrepen in het culturele domein worden gepleegd. In de Cultuurnota is onder hoofdstuk 4 (Financiën) aangegeven dat voor 2009 tot en met 2012 voor Kunstencentrum De Kunstlinie een subsidiebudget van € 2.268.000,- beschikbaar is. In Bijlage 14 bij de Najaarsnota is vervolgens aangegeven wat het onderverdeelde budget voor subsidies voor Cultuur voor 2011 is, waarbij voor Stichting Kunst en Cultuur € 2.307.000,- aan subsidie is begroot voor culturele en kunstzinnige vorming.

3.2.2. Eerst in beroep is aangevoerd dat er sprake is van een subsidieplafond dat niet juist

is vastgesteld, nu het niet op tijd en op juiste wijze is bekendgemaakt.

Ter zitting is daaraan toegevoegd dat niet kenbaar was dat voor eiseres een subsidiebedrag van € 2.307.000,- in de begroting was opgenomen.

Er is geen sprake van een subsidieplafond als bedoeld in artikel 4:25 van de Awb. De door eiseres genoemde jurisprudentie en de artikelen 4:27 en 4:28 van de Awb zijn dan ook niet van toepassing.

De begrotingsvaststelling staat voorts niet ter beoordeling van de rechtbank.

Voor zover eiseres met de toevoeging ter zitting heeft willen aangeven dat zij er niet van uit hoefde te gaan dat de subsidiemogelijkheid door verweerder was begrensd, kan dit betoog niet leiden tot het daarmee kennelijk beoogde doel. Er bestaat immers geen (wettelijke) grondslag op grond waarvan verweerder gehouden zou zijn via het verstrekken van subsidie alle door eiseres opgevoerde kosten en/of posten te vergoeden. Daarbij tekent de rechtbank aan dat een subsidie niet kan worden gezien als vergoeding van de kostprijs van diverse activiteiten.

Aan de wijze waarop in de Najaarsnota is aangegeven welk subsidiebudget voor eiseres beschikbaar was, kan de rechtbank niet de door eiseres gewenste gevolgen verbinden.

Mede gelet op de diverse overleggen tussen eiseres en verweerder en de wijze waarop de Cultuurnota tot stand is gekomen, komt het de rechtbank overigens vreemd voor dat eiseres niet op de hoogte zou zijn geweest van het voor haar in de begroting opgenomen en voor 2011 beschikbare bedrag aan subsidie. Zo is bij brief van 21 december 2010 gewezen op de discrepantie tussen de begroting van eiseres en de beschikbare subsidiebudgetten en zijn nadrukkelijk de Najaarsnota en de vindplaats daarvan op internet genoemd.

De rechtbank acht het overigens in het belang van eiseres dat de betrokken begrotingspost

in relatie tot de Verordening en de Nadere regels een (toereikende) grondslag vormt voor subsidiëring van eiseres, mede nu artikel 4:23 van de Awb bepaalt dat een wettelijke grondslag voor subsidiëring vereist is, dan wel dat de begroting de subsidieontvanger en het bedrag waarop de subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld vermeldt. Dat er sprake is van een incidenteel geval in de zin van artikel 4:23, derde lid, aanhef en onder d, van de Awb is niet aangevoerd noch gebleken. Subsidiëring zonder wettelijke grondslag is onrechtmatig, terwijl de artikelen 5 van de Verordening en de artikelen 3 en 5 van de Nadere regels duidelijk de grenzen van de subsidiemogelijkheden aangeven.

3.2.3. De rechtbank kan eiseres gelet op bovenstaande niet volgen, waar in beroep wordt herhaald dat het subsidiebedrag onjuist is berekend. Eiseres miskent hiermee ook dat sprake is van een budgetsubsidie, waarbij door eiseres kan worden ingevuld hoe die subsidie wordt besteed.

3.2.4. Het betoog dat de door eiseres op een bedrag van € 262.000,- begrote frictiekosten op grond van algemene beginselen van behoorlijk bestuur moeten worden vergoed, mede nu verweerder direct verantwoordelijk is voor de betreffende kosten, slaagt niet. Ook de grond dat subsidie moet worden verleend voor loon- en prijscompensatie faalt.

In de brief 17 december 2010 zijn geen nieuwe voorwaarden voor subsidieverlening voor 2011 gesteld.

Artikel 4:50, tweede lid van de Awb, dat ziet op wijziging of intrekking van lopende subsidieverlening, is niet van toepassing. Artikel 4:51 van de Awb evenmin. Er heeft over 2011 immers geen afbouw van de subsidie plaatsgevonden. Zo is ook in 2010 geen subsidie voor loon- en prijscompensatie verleend. Eiseres heeft daartegen om haar moverende redenen geen bezwaar gemaakt.

Van een rechtens te honoreren opgewekt vertrouwen is geen sprake.

Dat verweerder anderszins gehouden zou zijn de gevraagde subsidie volledig te verlenen is de rechtbank niet gebleken.

4. De rechtbank ziet in hetgeen is aangevoerd derhalve geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen dan wel dat

het besluit is genomen in strijd met de wet of enig algemeen rechtsbeginsel. Van een onvoldoende motivering die tot vernietiging van het bestreden besluit zou moeten leiden is evenmin sprake. De rechtbank ziet daarom geen reden voor vernietiging van het bestreden besluit.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld, rechter, en door hem en mr. D. Hardonk-Prins als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag

U kunt ook digitaal hoger beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Kijk op www.raadvanstate.nl voor meer informatie over het indienen van digitaal beroep