Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BW3732

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
23-03-2012
Datum publicatie
03-05-2012
Zaaknummer
07.660185-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn ex artikel 6 van het EVRM. De rechtbank houdt echter wel rekening met artikel 63 van het wetboek strafrecht, hetgeen in casu meebrengt dat aan vedachte geen straf of maatregel opgelegd zal worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector strafrecht

Parketnummer: 07.660185-10 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 23 maart 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

thans verblijvende (uit andere hoofde) in [adres].

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het onderzoek heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 9 maart 2012 te Lelystad, waarbij de verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. S.C. Scherpenhuysen, advocaat te Dronten.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. L.H.J. Vijlbrief-Smit en van de standpunten door de raadsvrouw van verdachte naar voren gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op één of meer tijdstippen op of omstreeks 28 september 2009 in de gemeente Lelystad ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], (telkens) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (telkens) (met kracht) die [slachtoffer]:

- (meermalen) tegen het lichaam heeft geschopt/getrapt en/of

- (meermalen) met een stoel, althans een hard voorwerp, tegen de benen en/of knieën en/of het lichaam heeft geslagen en/of (vervolgens) die stoel, althans dat voorwerp tegen het lichaam heeft gegooid en/of

- (meermalen) met een hark, althans een hard voorwerp in het gezicht en/of tegen het hoofd en/of tegen de (linker)arm en/of schouder, in elk geval tegen het lichaam, heeft geslagen

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op één of meer tijdstippen op of omstreeks 28 september 2009 in de gemeente Lelystad (telkens) opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]):

- (meermalen) tegen het lichaam heeft geschopt/getrapt en/of

- (meermalen) met een stoel, althans een hard voorwerp, tegen de benen en/of knieën en/of het lichaam heeft geslagen en/of (vervolgens) die stoel, althans dat voorwerp tegen het lichaam heeft gegooid en/of

- (meermalen) met een hark, althans een hard voorwerp in het gezicht en/of tegen het hoofd en/of tegen de (linker)arm en/of schouder, in elk geval tegen het lichaam, heeft geslagen,

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Inleiding

Op 30 september 2009 doet [slachtoffer] aangifte van mishandeling door verdachte gepleegd op 28 september 2009 te Lelystad. Op 5 oktober 2009 is [getuige] als getuige gehoord. Op 7 oktober 2009 heeft aangever [slachtoffer] een nadere verklaring afgelegd waarbij als bijlage door de politie gemaakte foto’s van het letsel van aangever zijn toegevoegd. Voorts bevindt zich in het dossier een tweetal medische verklaringen, te weten een letselverklaring van een tandarts en een registratieformulier spoedeisende hulp.

Uit het algemeen relaas blijkt dat de officier van justitie op 20 januari 2010 een machtiging heeft verleend ter aanhouding (buiten heterdaad) van verdachte.

Verdachte is op 22 juni 2010 in een woning aan de [adres] – met machtiging tot binnentreden – aangehouden.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, gelet op de aangifte van [slachtoffer], de verklaring van [getuige], de medische verklaringen en de bekennende verklaring van verdachte. Er is sprake van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, aangezien door het slaan met een stoel en een hark bewust de aanmerkelijke kans op de koop wordt toegenomen dat zwaar lichamelijk letsel ontstaat.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak van het primair ten laste gelegde bepleit. Er is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor het slaan met een hark in het gezicht, aangezien enkel aangever [slachtoffer] dit heeft verklaard en zijn verklaring niet wordt ondersteund door overige bewijsmiddelen. Hierbij heeft de raadsvrouw bepleit dat de medische verklaringen niet ter ondersteuning kunnen dienen, aangezien het hierin beschreven letsel niet overeenkomt met de gestelde handeling van het slaan met een hark in het gezicht.

Het enkel slaan met een stoel en een hark tegen het lichaam is onvoldoende om te komen tot een bewezenverklaring van (voorwaardelijk) opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

Aangever heeft – anders dan de getuige [getuige] en verdachte – uitdrukkelijk verklaard dat hij niet is geslagen en geschopt door verdachte. De rechtbank zal verdachte derhalve (partieel) vrijspreken van eerste gedachtenstreepje.

Aangever [slachtoffer] heeft verklaard dat hij op 28 september 2009 in Lelystad was. Daar is hij door verdachte meermalen met een houten stoel tegen zijn benen en knieën geslagen, waarbij ook eenmaal de stoel zijn buik heeft geraakt.

De getuige [getuige] heeft verklaard dat hij zag dat verdachte [slachtoffer] 3 à 4 keer sloeg met een stoel.

Mede gelet op het eenduidige karakter van de verklaringen van aangever en de getuige [getuige] ziet de rechtbank geen aanleiding omtrent de betrouwbaarheid te twijfelen. Ondanks de ontkennende verklaring van verdachte, acht de rechtbank derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] (meermalen) met een stoel tegen de benen en knieën en het lichaam heeft geslagen, te weten het tweede gedachtenstreepje. De rechtbank zal verdachte (partieel) vrijspreken van het gooien tegen het lichaam met een stoel, aangezien enkel verdachte hieromtrent verklaard.

[slachtoffer] heeft verklaard dat hij meermalen met twee verschillende harken is geslagen door verdachte. Aangever is met een bladhark geraakt tegen zijn linkerarm en schouder. Met een gewone hark is hij tegen de linkerzijde van zijn lichaam en op zijn mond geslagen. Ook in de latere verklaring van [slachtoffer] afgelegd op 7 oktober 2009 blijft deze bij die verklaring. +

De getuige [getuige] heeft verklaard dat verdachte [slachtoffer] meermalen met een hark of bezemsteel heeft geslagen. Voorts heeft [getuige] verklaard dat hij zag dat [slachtoffer] bloed uit zijn mond had en schaafplekken op zijn arm nadat hij door verdachte was mishandeld.

Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer] met twee verschillende harken meermalen heeft geslagen.

Uit de geneeskundige verklaring blijkt dat bij [slachtoffer] letsel is geconstateerd, te weten beschadigingen aan de voortand rechts boven, een schaafwond onder de kin, een hematoom onder de kin, een hematoom op de rechterbovenarm en een schaafwond op de linkeronderarm.

Hoewel de rechtbank heeft geconstateerd dat [slachtoffer] tegenstrijdig verklaard omtrent de wijze waarop en met welk deel van de hark hij tegen zijn mond is geslagen, past het bij hem aangetroffen letsel bij de door hem geschetste mishandeling. De rechtbank acht niet aannemelijk geworden dat het bij aangever geconstateerde letsel op een andere wijze dan door het slaan met een hark is veroorzaakt.

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder het derde gedachtenstreepje heeft begaan.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] meermalen met een stoel heeft geslagen en meermalen met een hark in het gezicht en tegen het hoofd en tegen de linkerarm en schouder heeft geslagen.

Deze handelingen leveren geen poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel op, aangezien niet kan worden gesteld dat door aldus te handelen verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou oplopen en dat hij die kans blijkens de wijze van handelen ook welbewust heeft aanvaard en op de koop toe heeft genomen. Niet kan worden vastgesteld hoe vaak en met hoeveel kracht verdachte [slachtoffer] met de hark in het gezicht en tegen het hoofd heeft geslagen. De rechtbank acht voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel derhalve niet bewezen.

De rechtbank zal verdachte van het primair ten laste gelegde vrijspreken.

Uit de hiervoor genoemde bewijsmiddelen blijkt echter genoegnaam dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van [slachtoffer]. De rechtbank is derhalve van oordeel dat het subsidiair ten laste gelegde feit, te weten de mishandeling, wettig en overtuigend bewezen kan worden.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

(subsidiair)

hij op tijdstippen op 28 september 2009 in de gemeente Lelystad telkens opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]):

- (meermalen) met een stoel tegen de benen en knieën en het lichaam heeft geslagen en

- (meermalen) met een hark in het gezicht en tegen het hoofd en tegen de (linker)arm en schouder heeft geslagen,

waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Van het subsidiair meer of anders ten laste gelegde zal verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6 KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

Subsidiair:

Mishandeling, meermalen gepleegd.

7 STRAFBAARHEID

Het feit en verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

8 STRAFOPLEGGING

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van een week met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. De officier van justitie heeft bij haar strafvordering rekening gehouden met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht en het gegeven dat het feit van langere tijd geleden is. Er dienen volgens de officier van justitie geen gevolgen te worden verbonden aan de overschrijding van de redelijke termijn ex artikel 6 van het EVRM.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit geen straf of maatregel op te leggen in de zin van toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, gelet op de overschrijding van de redelijke termijn ex artikel 6 van het EVRM en artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. De overschrijding van de redelijke termijn neemt volgens de raadsvrouw een aanvang op 20 januari 2010 bij de verkrijging van de machtiging tot aanhouding van verdachte buiten heterdaad.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Verdachte heeft aangever op 28 september 2009 meermalen mishandeld. Het handelen van verdachte vormt een ernstige inbreuk op de lichamelijke en psychische integriteit van het slachtoffer. Dergelijke feiten hebben in het algemeen een grote impact op (het leven van) een slachtoffer, onder meer in de vorm van gevoelens van angst en onveiligheid.

De rechtbank heeft geconstateerd dat de onderhavige strafzaak al vrij oud is en overweegt daaromtrent het volgende. De aanvang van de redelijke termijn is te rekenen vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Daar is in ieder geval sprake van op 22 juni 2010, als verdachte in verzekering wordt gesteld. De rechtbank acht het derhalve aannemelijk dat verdachte sedert die datum de verwachting had kunnen hebben dat vervolging tegen hem zou gaan plaatsvinden. De rechtbank acht de machtiging tot aanhouding buiten heterdaad d.d. 20 januari 2010 geen handeling waaruit verdachte in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem een strafvervolging zal worden ingesteld, nu niet blijkt dat verdachte met deze machtiging tot aanhouding bekend was.

Voor wat betreft de berechting van de zaak in eerste aanleg – hetgeen in casu het geval is – heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting in beginsel dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar – te weten 24 maanden – nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen. De datum van de afronding van de behandeling ter terechtzitting is 23 maart 2012. De periode tussen de aanvang en het einde van de redelijke termijn is dan ongeveer 21 maanden. De rechtbank constateert derhalve dat er geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn ex artikel 6 van het EVRM.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 8 februari 2012.

Op de voet van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht brengt de rechtbank bij het opleggen van na te melden straf in rekening de straf die de verdachte reeds is opgelegd, te weten een vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Zwolle-Lelystad d.d. 21 december 2011, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar. De rechtbank is van oordeel dat indien het bewezen verklaarde bij het vonnis d.d. 21 december 2011 zou zijn bestraft, er naar alle waarschijnlijkheid geen hogere straf zou zijn opgelegd dan de reeds opgelegde 4 jaar gevangenisstraf. De rechtbank acht derhalve aangewezen verdachte geen straf of maatregel op te leggen voor het thans bewezen verklaarde feit.

9 TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 9a, 57, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart niet bewezen hetgeen primair aan verdachte is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat subsidiair meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde feit strafbaar;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd;

- heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Blomsma, voorzitter, mr. G.H. Meijer en mr. H.H.J. Harmeijer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.G. Dees, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 maart 2012.

Mr. G. Blomsma en mr. H.H.J. Harmeijer zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.