Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BW3723

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
24-04-2012
Datum publicatie
24-04-2012
Zaaknummer
07.662456-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld voor medeplegen van brandstichting bij het appartementencomplex waar onder andere de burgemeester van Urk woonachtig is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector strafrecht

Parketnummer: 07.662456-11 [P]

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 24 april 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]

wonende [adres]

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het onderzoek heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 10 april 2012 te Lelystad, waarbij de verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. R. Zwiers, advocaat te Almere.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. C.J.W.M. Janssen en van de standpunten door de raadsman van verdachte naar voren gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 07 mei 2011 in de gemeente Urk tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht aan/bij een appartementencomplex genaamd "[X]" (gelegen aan de [straat]), immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk meermalen, in ieder geval eenmaal, benzine, in ieder geval een hoeveelheid brandbare stof, over een kozijn en/of een portiek van, in ieder geval bij, dat appartementencomplex genaamd "[X]" gegoten/gegooid/gesprenkeld/gespoten en/of (vervolgens) met behulp van (een) brandende aansteker aangestoken, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met die hoeveelheid benzine, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan dat kozijn en/of die portiek en/of andere onderdelen van dat appartementencomplex genaamd "[X]" geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor zich in en/of in de nabijheid bevindende voorwerp(en) van dat appartementencomplex genaamd "[X]", in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de personen die zich in en/of in de nabijheid van dat appartementencomplex genaamd "[X]" bevonden, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte1] en/of [medeverdachte 2] op of omstreeks 07 mei 2011 in de gemeente Urk tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft/hebben gesticht aan/bij een appartementencomplex genaamd "[X]" (gelegen aan de [straat]), immers heeft/hebben die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] toen aldaar opzettelijk meermalen, in ieder geval eenmaal, benzine, in ieder geval een hoeveelheid brandbare stof, over een kozijn en/of een portiek van, in ieder geval bij, dat appartementencomplex genaamd "[X]" gegoten/gegooid/gesprenkeld/gespoten en/of (vervolgens) met behulp van (een) brandende aansteker aangestoken, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met die hoeveelheid benzine, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan dat kozijn en/of die portiek en/of andere onderdelen van dat appartementencomplex genaamd "[X]" geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor zich in en/of in de nabijheid bevindende voorwerp(en) van dat appartementencomplex genaamd "[X]", in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de personen die zich in en/of in de nabijheid van dat appartementencomplex genaamd "[X]" bevonden, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 06 mei 2011 tot en met 07 mei 2011 in de gemeente Urk opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door

- meermalen, in ieder geval eenmaal, onder andere die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] de woorden toe te voegen: "Laten we brand gaan stichten bij de burgermeester." en/of "Laten we een boom bij de woning van de burgermeester in brand steken." en/of "Ik heb thuis benzine staan.", althans (telkens) woorden van gelijke aard of strekking en/of

- (vervolgens) met onder andere die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] naar zijn, verdachtes, woning te gaan en daar (vervolgens) een fles (gedeeltelijk) te vullen met benzine, in ieder geval met een brandbare stof, en/of

- (vervolgens) gezamenlijk met onder ander die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] naar, in ieder geval in de nabijheid van, dat appartementencomplex genaamd "[X]" te gaan, terwijl hij, verdachte, die (deels) gevulde fles met benzine, in ieder geval met die brandbare stof, bij zich had en/of

- die (deels) gevulde fles met benzine, in ieder geval met die brandbare stof, aan die [medeverdachte 1] te geven, in ieder geval aan die [medeverdachte 1] beschikbaar te stellen;

De rechtbank verbetert in de tenlastelegging een aantal kennelijke schrijffouten. De verdachte wordt blijkens het onderzoek ter terechtzitting daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Inleiding

De burgemeester van Urk heeft tegen de overlast tijdens het jaarlijkse rondrijden op brommers zonder uitlaat in de koninginnenacht (voorafgaand aan Koninginnedag) handhavend opgetreden. Een groot gedeelte van de in de nacht van 29 op 30 april 2011 aanwezige Urker jeugd was het met dit handhavend optreden niet eens, waarvan zij blijk hebben gegeven door de woning van de burgemeester te bekogelen met onder meer stenen en flessen. Een politieoptreden, waarbij een aantal charges met gebruikmaking van een wapenstok hebben plaatsgevonden, was vereist om de aanwezige menigte uit elkaar te drijven en de oproer te beteugelen. Naar aanleiding van het politieoptreden en het handhavende bevel tot optreden van de burgemeester ontstond op Urk grote maatschappelijke onrust.

Op 7 mei 2011 omstreeks 00.10 uur krijgen verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] melding van een brandstichting bij een appartementencomplex aan de [straat] te Urk. In de omgeving is een groep jeugd gesignaleerd, waaronder [medeverdachte 2] en [medeverdachte1], waarvan verbalisanten de personalia noteren. Diezelfde dag doet [aangever], namens de vereniging van eigenaren van appartementencomplex [X], aangifte van brandstichting in het portiek van voornoemd complex.

Nader onderzoek leidt tot de aanhouding van verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte1].

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, gelet op de verklaring van verdachte, [medeverdachte1] en [medeverdachte 2] en het proces-verbaal van forensische opsporing. De officier van justitie is van oordeel dat er sprake is van medeplegen. Verdachte heeft een grote bijdrage geleverd aan de brandstichting, waarbij met name het bijdragen aan plan en het ophalen van de benzine relevant zijn. Door deze handelingen heeft verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard en op de koop toegenomen dat de medeverdachten verder zouden gaan dan was afgesproken.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak van het primair ten laste gelegde bepleit. Verdachte verkeerde in de veronderstelling dat de voorgenomen brandstichting bomen (op geruime afstand van het appartementencomplex, waardoor geen gevaar voor goederen dan wel personen kon ontstaan) zouden betreffen. Nu – hetgeen niet was besproken – in het portiek van het appartementencomplex brand is gesticht ontbreekt bij verdachte de opzet op de brandstichting zoals is uitgevoerd door [medeverdachte1] en [medeverdachte 2]. Verdachte heeft zich uitdrukkelijk gedistantieerd van de door de medeverdachten uitgevoerde brandstichting.

De raadsman heeft tevens vrijspraak van het subsidiair ten laste gelegde bepleit, aangezien eveneens niet is voldaan aan de voor medeplichtigheid vereiste opzet.

Het oordeel van de rechtbank

Primair.

Uit het proces-verbaal van forensische opsporing , de aangifte van [aangever] (namens de vereniging van eigenaren van appartementencomplex [X]) , de bekennende verklaringen van [medeverdachte1] en [medeverdachte 2] blijkt genoegzaam dat [medeverdachte1] en [medeverdachte 2] tezamen en in vereniging benzine over een kozijn en een portiek van dat appartementencomplex hebben gesprenkeld en vervolgens met behulp van een brandende aansteker hebben aangestoken, ten gevolge waarvan dat kozijn en andere onderdelen van dat appartementencomplex zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de personen te duchten was.

Over de rol van verdachte bij de brandstichting overweegt de rechtbank dat de rol van verdachte moet worden aangemerkt als die van medepleger.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij met anderen het plan had opgevat om brand te gaan stichten bij bomen voor het appartementencomplex waar de burgemeester woont. Vervolgens heeft verdachte met anderen bij verdachtes woning benzine opgehaald waarna zij naar het appartementencomplex zijn gegaan met de benzine.

Bij de politie heeft verdachte verklaard dat er in café ‘t Zoldertje op Urk werd gesproken over het in de brand steken van iets bij de burgemeester. Wat er precies in de brand gestoken zou gaan worden was niet duidelijk geworden. Later werd een boom genoemd.

Eenmaal buiten blijkt er benzine nodig te zijn. Verdachte zegt dat hij benzine thuis had staan, waarop verdachte met anderen naar zijn woning gaat om de benzine te op te halen. Vervolgens vertrekt de groep naar het appartementencomplex.

Hoewel verdachte niet heeft deelgenomen aan de uitvoeringshandeling van het besprenkelen van de benzine en het aansteken van de benzine, heeft verdachte een belangrijke rol in de voorbereiding vervuld door het actief uitdragen van het opgevatte plan tot brandstichting en het ophalen van de benodigde benzine. De rechtbank acht deze bijdrage van wezenlijk belang om de brandstichting mogelijk te maken.

Het opzet van verdachte was – gelet op voorgaande overweging – eveneens gericht op het opzettelijk brandstichten. Dat het object van de brandstichting een andere was dan door verdachte gedacht doet aan zijn opzet niet af. Omdat immers nog niet concreet was afgesproken wat er precies in de brand gestoken zou worden op het moment dat verdachte besloot benzine te gaan halen, heeft verdachte op dat moment aanvaard dat dat van alles kon zijn, daaronder begrepen de woning van de burgemeester. Opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, dient gericht te zijn op de brandstichting. Opzet hoeft niet gericht te zijn op het te weeg brengen van de in artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht genoemde sub categorieën. Het teweegbrengen van gemeen gevaar voor goederen en personen is derhalve geobjectiveerd. In deze zin is er geen sprake van enig verschil in opzet op het feit, zoals door de raadsman betoogd, aangezien zowel verdachte als [medeverdachte1] en [medeverdachte 2] opzet hadden op brandstichting.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit voorgaande dat verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met [medeverdachte1] en [medeverdachte 2] teneinde de onderhavige brandstichting te laten slagen. Derhalve acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat sprake is geweest van medeplegen.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

Primair.

hij op 07 mei 2011 in de gemeente Urk tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk brand heeft gesticht bij een appartementencomplex genaamd "[X]" (gelegen aan de [straat]), immers hebben verdachte en zijn mededaders toen aldaar opzettelijk benzine over een kozijn en een portiek van dat appartementencomplex genaamd "[X]" gesprenkeld en vervolgens met behulp van een brandende aansteker aangestoken, ten gevolge waarvan dat kozijn en andere onderdelen van dat appartementencomplex genaamd "[X]" zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor zich in en in de nabijheid bevindende voorwerpen van dat appartementencomplex genaamd "[X]", en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de personen die zich in en in de nabijheid van dat appartementencomplex genaamd "[X]" bevonden te duchten was.

Van het primair meer of anders ten laste gelegde zal verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6 KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

Primair.

Medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

7 STRAFBAARHEID

Het feit en verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

8 STRAFOPLEGGING

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het door hem bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 240 dagen, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan een gedeelte van 188 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met als bijzondere voorwaarde een uitgaansverbod op koninginnenacht en Koninginnedag, alsmede een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit, indien de rechtbank komt tot een strafoplegging, te volstaan met een werkstraf, gelet op de rol van verdachte bij de brandstichting, het lage recidiverisico en verdachte niet eerder wegens een strafbaar feit is veroordeeld.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Verdachte heeft zich met zijn medeverdachten schuldig gemaakt aan brandstichting bij het appartementencomplex waar de burgemeester van Urk woont. Brandstichting is een delict met een groot gevaarzettend karakter en dient als een zeer ernstig strafbaar feit te worden gekwalificeerd. Naast gevoelens van onrust en onveiligheid bij betrokkenen veroorzaakt brandstichting doorgaans ernstige schade. Door op deze wijze te handelen heeft verdachte zich misdragen en is verdachte volledig voorbijgegaan aan de belangen van de benadeelden. Dat de schade in dit geval beperkt is gebleven, is niet aan verdachte te danken.

Daarbij komt dat de gevoelens van angst en onveiligheid op Urk in de periode voorafgaand aan deze feiten al verhoogd waren vanwege eerdere incidenten naar aanleiding van de beslissing van de burgemeester om handhavend op te treden tegen het jaarlijkse brommer rijden tijdens de koninginnenacht in de week voor het bewezen verklaarde feit. Die gevoelens heeft verdachte met zijn medeverdachten op onaanvaardbare wijze vergroot.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig. De rechtbank ziet evenwel grond om de vrijheidstraf deels voorwaardelijk op te leggen om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst wederom strafbare feiten te begaan. De rechtbank ziet geen redenen tot oplegging van een bijzondere voorwaarde. Uit het reclasseringsadvies d.d. 6 april 2012, opgesteld door A. de Haan, reclasseringswerker van de Reclassering Nederland, blijkt immers zij toezicht niet geïndiceerd achten gelet op het lage recidiverisico en de (positieve) persoonlijke situatie van verdachte.

De rechtbank overweegt voorts dat het onvoorwaardelijke deel van de vrijheidsstraf de duur van het reeds door verdachte ondergane voorarrest niet te boven zal gaan. Hetgeen resteert zal voor verdachte, alsmede de medeverdachten, een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 30 dagen opleveren.

De rechtbank acht het tevens passend en noodzakelijk een forse onvoorwaardelijke werkstraf op te leggen. Daarbij overweegt de rechtbank dat zij medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte1] een werkstraf voor de duur van 240 uur zal opleggen. Gelet op de andersoortige rol van verdachte en hij blijkens het uittreksel justitiële documentatie d.d. 8 maart 2012 – anders dan [medeverdachte 2] en [medeverdachte1] – niet eerder is veroordeeld wegens een strafbaar feit, zal de rechtbank verdachte een werkstraf voor de duur van 180 uur opleggen.

De rechtbank ziet geen aanleiding om, zoals door de officier van justitie gevorderd als bijzondere voorwaarde een uitgaansverbod op koninginnenacht en Koninginnedag op te leggen. Dit, nu het gevaar voor herhaling als minimaal wordt ingeschat, alsmede gelet op de spijtbetuigingen die in het gesprek van de burgemeester zijn geuit en die ook ter terechtzitting zijn herhaald.

9 BESLAG

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd tot teruggave van de in beslag genomen mobiele telefoon aan verdachte.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit tot teruggave aan verdachte van zijn in beslag genomen mobiele telefoon.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van de aan hem toebehorende en in beslag genomen mobiele telefoon (merk Nokia), aangezien deze niet vatbaar is voor verbeurdverklaring dan wel onttrekking aan het verkeer.

10 TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 47, 57 en 157 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat primair meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde feit strafbaar;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 106 dagen;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte, groot 30 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

- legt aan verdachte op een werkstraf voor de duur van 180 uren;

- beveelt dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet of niet naar behoren verricht de werkstraf wordt vervangen door 90 dagen hechtenis, althans een aantal dagen hechtenis dat evenredig is aan het niet verrichte aantal uren werkstraf;

- heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis;

Beslag

- gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen voorwerp, te weten een mobiele telefoon (merk Nokia).

Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. van Vuure, voorzitter, mr. M. Iedema en mr. B. Fijnheer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.G. Dees, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 april 2012.

Mrs. R.M. van Vuure en R.G. Dees voornoemd waren buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.